‘Arabische schrijvers zijn staatsschrijvers geworden’

De Syrisch-Duitse schrijver Rafik Schami zette zijn herinnering aan een eerwraakmoord om in een historische roman met driehonderd hoofdstukken. ‘Vertellen betekent leven’, had hij van Sheherazade geleerd.
RAFIK SCHAMI
DE DUISTERE KANT VAN DE LIEFDE
Uit het Duits (Die dunkle Seite der Liebe, 2004) vertaald door Sander Hoving
Wereldbibliotheek, 768 blz., € 29,50

‘En geloof je echt dat onze liefde een kans maakt?’ Met deze vraag van Faried aan zijn geliefde Rana begint de roman De duistere kant van de liefde van de Syrisch-Duitse schrijver Rafik Schami. Hij begon in 1965 aan dit boek, niet lang nadat hij in het stadje van zijn Aramese familie in Syrië de moord van een islamitische jongen op diens zuster met eigen ogen had gezien. Zij had de liefde bedreven met haar verboden – christelijke – geliefde. Een klassiek geval van eerwraak. Schami liep dertig jaar met het idee voor zijn boek rond, totdat hij in 1995 in een droom de sleutel voor het schrijven van de roman vond. Het was een droom waarin hij van genummerde steentjes een kleurrijk mozaïek maakte. Een droom die zijn oorsprong heeft in de tijd dat Schami in de leer was bij een oude meester die hem het kalligraferen bijbracht en mozaïekkunstenaar was. Het boek werd Schami’s levenswerk.
In een café tegenover het station in Mainz, zestig kilometer van het dorp Marnheim waar hij al jaren woont, vertelt Rafik Schami dat zijn oorsprong een conflict inhoudt: ‘Ik ben eigenlijk Aramees, maar ik voel me gearabiseerd. De cultuur waarnaar ik leef, denk, spreek en eet is Arabisch. Maar in het diepst van mijn ziel ben ik Aramees. Dat is een conflict dat ik niet kan oplossen.’
Schami groeide op in Damascus, in een christelijk-Arabische omgeving. In het stadje Malula waar zijn voorouders vandaan kwamen en waar zijn ouders een zomerhuis hadden, is de cultuur Aramees. ‘De Arameeërs hebben in de bergen overleefd, evenals de Alawieten en de Druzen, twee andere minderheden in Syrië. Ze maakten onderling ruzie, maar als ze werden aangevallen, waren ze ter plekke weer een volk.’ Schami waardeert zijn culturele achtergrond, maar vond het ook benauwend, zoals alle ideologie. Dat was een van de redenen waarom hij in 1970 naar het Westen vluchtte. Maar hij is ook naar Duitsland gekomen om aan de dienstplicht te ontkomen. ‘Het zou mijn dood zijn geweest’, zegt hij. ‘Als ik geweigerd zou hebben te schieten, had ik de kogel gekregen.’
Bovendien maakte Schami tijdens zijn studietijd in Damascus een muurkrant, Al Muntalak (Het uitgangspunt), en kreeg daardoor te maken met de censuur. ‘Ik was eindredacteur. Voor die krant schreven katholieken, liberalen, communisten, anarchisten. Iedereen mocht zijn mening geven. We wilden geen censuur en ook geen dogma’s. Het was een boom met verschillende takken. Daarom werd hij verboden.’ Als schrijver had hij niet kunnen publiceren. Schami kreeg een uitnodiging van de Universiteit van Heidelberg en kon net op tijd het land verlaten, voordat hij werd gezocht. Het toeval wilde dat in november van hetzelfde jaar Hafez al-Assad een staatsgreep pleegde en vervolgens tot zijn dood in 2000 aan de macht bleef. Schami kon zijn land niet meer bezoeken.
Rafik Schami is een pseudoniem dat ‘Man uit Damascus’ betekent en zo werd hij in Duitsland bekend als schrijver. Van hem zijn meer dan een miljoen Taschenbücher verkocht. Hij kreeg diverse literaire prijzen, waaronder in 1989 de Nederlandse Jenny Smelik Kiggenprijs voor zijn vertaalde kinderboek Een handvol sterren.
De duistere kant van de liefde kan een liefdesgeschiedenis worden genoemd, maar ook een historische roman. Het boek vertelt de geschiedenis van Syrië van begin twintigste eeuw tot 1970, het jaar waarin Hafez al-Assad zijn staatsgreep pleegde. Schami vertelt in het laatste hoofdstuk over zijn droom waardoor hij de structuur van het boek heeft gevonden. Het is een boek met ruim driehonderd hoofdstukken die als kleurige stukjes met elkaar een geheel moeten vormen. Pas aan het eind van hoofdstuk 300 – en 9,5 jaar later – geeft Rana haar antwoord op de vraag van Faried.
Het verrassende van het verhaal is dat het zich afspeelt in christelijke families, terwijl er van alles gebeurt dat vanuit westers perspectief clichématig thuishoort in de islam: eerwraak, moord en vrouwenmishandeling. De oorsprong is volgens Schami niet de religie, maar de cultuur, in dit geval de Aramees-Arabische. De Arameeërs waren nomaden die vroeger in de regio rondtrokken, later een koninkrijk hadden en nu alleen nog een minderheid in Syrië vormen. Aramees is de taal die Schami van zijn ouders leerde, en de taal die voor onze jaartelling zelfs een lingua franca in het Nabije Oosten was. Schami’s moedertaal was Aramees, de taal van zijn jeugd was Arabisch en zijn taal als schrijver is sinds meer dan dertig jaar Duits.
Rafik Schami: ‘Eerst was het een verhaal met een grote islamitische clan en een christelijke clan, maar ik heb dat veranderd. Ik kende de conflicten tussen een orthodoxe en katholieke clan beter. Die heb ik dagelijks meegemaakt. Mijn oom was orthodox, mijn tante katholiek.’
In het boek zijn weliswaar twee stambomen opgenomen, een van de Sjahien-clan en een van de Moesjtaak-clan, inclusief jaartallen en foto’s, maar alles is verzonnen. Behalve één foto, die is van zijn eigen moeder. Ook de namen van de personages zijn veelal verzonnen of licht veranderd. Zo heet het dorp Mala in werkelijkheid Malula. En de namen van de dictators zijn eveneens veranderd. ‘Doordat ik voor hen eenzelfde achtervoegsel heb gebruikt, -an of -aan, lijkt het alsof ze allemaal tot een clan behoren. Dat -an heb ik van het Franse woord voor ezel afgeleid. Bijvoorbeeld Sjaklaan. Sjaklaan betekent ook twee gezichten. Kolonel Shishaqli was een aanhanger van Hitler. Hij dronk zijn whisky puur, een liter per nacht. De volgende dag ging hij naar de moskee om Allahu’akbar te bidden. Ik heb ze zo allemaal een naam met betekenis gegeven. De een was liberaal, de ander socialist, maar ze waren allemaal dictator.’
Schami schrijft in zijn laatste essaybundel Damaskus im Herzen (2006) over de literatuur die hem heeft beïnvloed, en noemt als eerste de orale vertelkunst van de mannen en vrouwen in de straat waar hij is opgegroeid, alsmede de verhalen van Sheherazade die hij leerde kennen door de 1001 uitzendingen van Radio Cairo om half twaalf ’s nachts. Hij luisterde daar stiekem naar, met zijn moeder. Hij schrijft dat hij van Sheherazade leerde ‘dat vertellen leven betekent, en zwijgen op de dood lijkt’.
Zijn Donkere kant van de liefde is eigenlijk voor een groot deel ook een verzameling vertellingen, vooral de vele verhalen en anekdotes uit Malula en Damascus. Gevraagd naar de invloed van Arabische schrijvers op zijn werk zegt Schami: ‘Vele, maar niet de moderne. Ik neem de moderne schrijvers kwalijk dat ze staatsschrijvers zijn geworden. Het zal nog een generatie duren voordat jonge schrijvers opstaan die hun oren niet naar de staat laten hangen. Ik heb voorkeur voor de oude anarchistische schrijvers, die buiten het paleis schreven. Ze zijn verdwenen omdat ze als godslasterlijk werden beschouwd en op de kaliefen scholden.’
Schami noemt als zijn favorieten de bekende Libanese schrijver Khalil Gibran, de Syrische schrijver Hanna Mina, die een navolger is van Gorki, Balzac en Tolstoi en de Egyptische Nobelprijswinnaar Naguib Mahfouz. De laatste bewondert Schami, maar hij had moeite met Mahfouz’ houding tegenover de staat. Schami las als student ook Engelstalige en Franse literatuur en daardoor was de voorbeeldfunctie van Arabische auteurs begrensd. Hij noemt als het grote probleem van de moderne Arabische schrijvers dat zij vaak slechte navolgers zijn van de bekende Europese en Amerikaanse literatuur: ‘Er zijn veel grote schrijvers, zoals Hemingway en Kafka, die niet in mijn stijl schrijven, maar die ik zeer waardeer. Ik lees liever Kafka dan een slechte navolger. Originaliteit vind ik belangrijker.’
Volgens Schami liggen de wortels van de Arabische literatuur in de orale vertelkunst: ‘Waarom proberen we die niet te redden? Geen kitsch over prinsen en prinsessen, maar moderne verhalen, zoals over Faried en Rana.’ Hij baseert zich voor zijn verhalen op wat hij als kind op straat in Damascus en Malula heeft gehoord. In het laatste hoofdstuk kijkt hij terug op de lange ontstaansgeschiedenis van zijn roman. Hij voegt er nog aan toe dat hij voor het deel over Farieds verblijf in de gevangenis een aantal ex-gevangenen in Libanon heeft geïnterviewd. Zelf heeft hij de gevangenis niet van binnen gezien, en daardoor ‘zat ik er als verteller middenin, maar keek ik ook met een zekere afstand, zodat ik die afschuwelijke verhalen kon schrijven’.
Schami besluit zijn roman met de opmerking dat hij ‘vanaf morgen bij het ontwaken alleen nog aan Damascus zal denken’. Zijn daarop volgende boek Damaskus im Herzen begint dan ook met een lofzang op Damascus, met zijn ‘stegen van weemoed’.