Arbeid adelt niet altijd

Wil Schackmann
De proefkolonie: Vlijt, vaderlijke tucht en het weldadige karakter onzer natie
Mouria, 392 blz., € 17,50

Van Ruud Lubbers kwam ooit het idee kampementen op te zetten voor de heropvoeding van jongeren die hun tijd verdeden met vandalisme en criminaliteit. Zeer onlangs werd een plan ontwikkeld om de daklozen uit Rotterdam ‘maatschappelijke opvang’ te bieden in een leegstaand paviljoen in de psychiatrie. En criminele drugsgebruikers uit de Randstad moeten volgens de nieuwste inzichten voor verbetering naar Drenthe. Al die plannenmakers zouden er verstandig aan doen De proefkolonie van Wil Schackmann door te spitten.

Uit deze leerzame studie blijkt dat het goed bedoelde initiatief van generaal-majoor Johannes van den Bosch om in 1818 in Drenthe een landbouwkolonie voor armlastige lieden uit heel Nederland te stichten uiteindelijk niet succesvol was. Bij aankomst kregen ze een huis, kleding, een lap grond, huisraad en beddengoed. De mannen vonden emplooi op het land, de vrouwen zaten te spinnen. De omgespitte heidegrond bleek echter niet erg vruchtbaar. Terwijl het de bedoeling was dat men zichzelf op den duur volledig zou bedruipen, moest er almaar geld bij. Oorzaken van het debacle waren de enorme haast en de geringe voorbereiding waarmee de kolonie uit de grond was gestampt, de mislukte oogsten, de gestegen prijzen en het wegvallen van financiële steun uit het land. Het kwalijkste punt was dat men geen enkel verstand had van landbouw. Alles moest ter plekke worden uitgevonden. In 1832 bracht een staatscommissie de schuldenlast in kaart; jaarlijks was er 520.000 gulden verlies.

De proefkolonie was een opmerkelijk project en trok bezoekers uit Frankrijk en Schotland. Schackmann schetst de genius hierachter, ‘de generaal’, als een man met wie je geducht rekening moest houden. Met maniakale gedrevenheid en een grandioos organisatietalent bracht deze zoon van een eenvoudige dokter uit een Betuws dorp zijn ambitieuze plannen in praktijk. Een charmeur, wervelwind en eersteklas drammer, zo ondervond ook koning Willem I. Van den Bosch vond dat de koning te veel bleef steken in details, al zei hij dat niet openlijk. In plaats daarvan gaf hij de ambtenaren de schuld, die zijn verzoeken om meer geld hadden laten ‘muffen’.

Later werd Van den Bosch gouverneur-generaal in Nederlands–Indië en minister van Koloniën. Hij was er een meester in om de verliezen van de Nederlandse koloniën aan te zuiveren met opbrengsten uit Indië, totdat de Tweede Kamer het in 1838 niet langer pikte en minister Van den Bosch tot aftreden dwong. Volgens de koning wist Van den Bosch geld te peuren uit Indië gelijk Mozes water uit de rotsen. Als blijk van waardering verleende de koning hem de titel van graaf. Als schutspatroon van de Maatschappij van Weldadigheid fungeerde de tweede zoon van de koning, prins Frederik, naar wie het nieuwe dorp Frederiksoord werd gedoopt.

Schackmann, die begin jaren negentig samen met de historicus André Huitinga de archieven naploos van de Maatschappij in Assen, beschrijft het gedram en de dadendrang van de generaal met sympathie, maar verhult nergens diens minder fraaie kanten. Aan de hand van deze bronnen, die te vinden zijn op www.deproefkolonie.nl, schetst hij een overtuigend beeld van de leiding en de eerste bewoners tijdens de opbouwfase van de kolonie van 1818 tot 1823. Het armoedeprobleem was in die dagen gigantisch. Minstens tien procent van de bevolking was straatarm. Dat vroeg om een voortvarende aanpak. Er moesten overal in het land soortgelijke vrije koloniën worden gesticht, meende Van den Bosch. Na Frederiksoord volgden Willemsoord en Wilhelminaoord; in december 1821 herbergden ze 1484 zielen. In Veenhuizen en Ommerschans werden later strafkoloniën gevestigd. Het was de bedoeling om ook voor bedelaars aparte instellingen te stichten, maar zo ver is het nooit gekomen.

Sommige lieden bleken ongeschikt of tobden met lichamelijke ongemakken zoals liesbreuken, ‘najaarsziekte’ of koortsaanvallen. Benjamin van den Bosch, de tien jaar jongere broer van Johannes op wiens schouders het beheer en bestuur van Fredriksoord rustten, ondervond dat arbeid niet altijd adelde. Veel bewoners vervielen in oude patronen, waarbij ze kleding en lakens verpatsten, of zelfs bedelden.

Behalve sappige anekdotes biedt de auteur een subtiele recapitulatie van de vaderlandse geschiedenis. Opmerkelijk is dat iemand als Isaac da Costa geen heil zag in het bestrijden van armoede. Volgens Da Costa, een tot christen bekeerde Portugese jood en een van de voormannen van het antirevolutionaire Réveil, was de generaal ‘uit den Duivel’. ‘Het ontwerp is boven het bereik der menschen. Zij willen een toren van Babel bouwen!’ De nekslag voor de Maatschappij was niet het Réveil, maar Veenhuizen. De wezen en vondelingen uit het hele land moesten erheen. Het was een brug te ver. De droom van een vijftig kilometer aaneengesloten Drentse kolonie van Steenwijkerwold tot Veenhuizen is nooit vervuld. Van de 52 families uit het begin bleven er 34 over in Frederiksoord.

De Maatschappij van Weldadigheid bestaat nog. Ze doet thans aan sociale hulpverlening en beheert landelijke bezittingen. Op een deel van de oorspronkelijke proefkolonie is de laatste 120 jaar een tuinbouwschool gevestigd. Schackmann: ‘Dat zou Johannes van den Bosch mooi hebben gevonden.’