Interview met Jonathan Crary, auteur van 24/7: Late Capitalism and the End of Sleep

Arbeiders aller landen, naar bed!

In zijn polemische boek 24/7 koestert Jonathan Crary ‘slaap’ als laatste bastion tegen de logica van het neoliberalisme. ‘Slapen is een permanente belediging van het kapitalisme.’

Zo ouderwets geleerd als de werkkamer van Jonathan Crary op Columbia University in New York zie je ze niet vaak meer. De Amerikaanse kunsthistoricus en -theoreticus is omringd door tot de nok reikende gevulde boekenplanken. Het eenzame computerscherm op Crary’s grote bureau wekt de indruk daar louter te zijn neergezet om de dominantie van het gedrukte woord – en beeld – te beklemtonen.

Een beeld waarbij Crary uitgebreid stilstaat in zijn nieuwe boek 24/7 is een laat-achttiende-eeuws schilderij van de Engelsman Joseph Wright. Het is nacht en in de door zwak maanlicht beschenen heuvels staat een katoenspinnerij, waarvan alle ramen fel verlicht zijn. Het is duidelijk waarover het schilderij gaat: de erosie van het onderscheid tussen dag en nacht tijdens de industriële revolutie. De arbeiders in de spinnerij werkten in twee twaalfurige ploegen. De molens van de spinnerij mochten nooit stilstaan.

Iets vergelijkbaars gebeurt nu, stelt Crary. Het verschil is alleen dat we ons tegenwoordig vrijwillig overgeven aan slapeloosheid, waarbij we ons ertoe laten verleiden om op elk moment van de dag of nacht te consumeren. Ondertussen bestuderen militaire onderzoekers de hersenen van de witkruingors, in de hoop te achterhalen hoe deze vogel tijdens zijn grote trek zeven dagen lang achtereen zonder slaap kan. Het idee is om soldaten hetzelfde te kunnen laten doen. ‘De geschiedenis leert dat aan oorlog gerelateerde uitvindingen onvermijdelijk hun weg vinden naar een bredere sociale sfeer’, schrijft Crary, ‘en de slapeloze soldaat is de voorloper van de slapeloze arbeider of consument.’ In zekere zin is die ontwikkeling al gaande: sliepen we ooit tien uur per nacht, in Amerika slaapt de gemiddelde volwassene nog maar 6,5 uur.

De consultants van IMS Health berekenden dat op de Amerikaanse markt voor slaaphulpmiddelen jaarlijks 32 miljard dollar omgaat. Betekent dat niet dat slaap juist zeer gewaardeerd wordt in de Verenigde Staten?

‘Ik gebruik slaap om te laten zien hoe andere gebieden en ruimtes van ons leven gefinancialiseerd en gekoloniseerd zijn en dat slaap zelf – de tijd waarin we slapen – een tussenpoos is die je niet kunt marketen. De 32 miljard dollar die u noemt, valt buiten die tussenpoos. Slaap is een permanente belediging van het kapitalisme, want het is de enige tijd waarin we onbereikbaar zijn voor zijn krachten. Zo staat slaap voor de mogelijkheid om onze tijd te organiseren op een wijze die niet verenigbaar is met de noden van het mondiale neoliberale kapitalisme.’

Ooit werd voorspeld dat we almaar meer vrije tijd zouden krijgen en dus ook meer tijd zouden hebben om te slapen en te dromen, voor ‘rêverieën’, zoals u dat noemt. Waarom is dit nooit gebeurd?

‘Vanwege een zeker fantasiemodel van technologische vooruitgang. De gelijke verdeling van rijkdom en goederen die het kapitalisme automatisch zou bewerkstelligen, heeft nooit plaatsgevonden. De motor achter het systeem van accumulatie en groei zal al helemaal geen eerlijke, egalitaire distributie van vrije tijd toestaan. Tegelijkertijd zien Amerikanen beelden van mensen uit ontwikkelingslanden met smartphones en laptops die dat fantasiemodel blijven voeden: “O, nu hebben zij ook toegang tot dezelfde netwerken als wij en is het slechts een kwestie van tijd voordat we allemaal één grote gelukkige mondiale familie zijn.”’

U gelooft niet dat technologie zoveel vermag.

‘Het woord technologie wordt vaak misbruikt. Veel academici en journalisten zijn doodsbang om technofoob of luddiet te worden genoemd. Dat is belachelijk. Niemand is een technofoob. Je kunt geen luddiet zijn als met technologie een klein aantal zwaar gemarkete corporate diensten of apparaten wordt bedoeld. In feite is het verboden om de noodzakelijkheid of onvermijdelijkheid in twijfel te trekken van een wereld die rond die corporate producten is geconstrueerd. Zo wordt tevens elke discussie gemarginaliseerd over alternatieve toepassingen van technologieën die de organisatie van meer collectieve gemeenschappen zouden kunnen ondersteunen. Tegelijkertijd leidt alles wat we van de grote techbedrijven krijgen tot meer private isolatie en individualisering – onder het mom van “oh, you’re connected”. De bezwering dat dit de enige manier is waarop sociale relaties kunnen worden georganiseerd, leidt tot daadwerkelijke sociale verwoesting.’

‘Alles wat we van de grote techbedrijven krijgen leidt tot meer private isolatie en individualisering’

Hoe kan die ‘sociale verwoesting’ worden teruggedraaid?

‘Wat Amerikanen, maar ook Europeanen, dienen te overwinnen is hun verslaving aan consumptie en al die oppervlakkige blijken van status en rijkdom. Helaas zijn veel vooraanstaande milieuactivisten huiverig of zelfs bang om dit aan de kaart te stellen. Zelfs Naomi Klein hield zich in haar recente boek This Changes Everything wat dat betreft te veel in. We kunnen niet volstaan met hier en daar een stapje terug doen, we moeten echt de hele consumptiemaatschappij eruit gooien. Ook de mensen die beweren dat ze geen deel uitmaken van het consumptiesysteem tonen dit met hun consumptie – denk aan de hipster- of skatercultuur. Dat is even schadelijk.’

Lijdt de huidige tegencultuur aan een gebrek aan voorstellingsvermogen?

‘In de jaren twintig en dertig konden we ons tenminste nog een tegensysteem voorstellen, de Sovjet-Unie. Over socialisme kon gesproken worden als een serieus alternatief voor kapitalisme. Veel van wat Roosevelt tijdens de Depressiejaren deed was in zekere zin het integreren van elementen uit het socialisme in ons kapitalistische systeem. Dat haalde de revolutionaire randjes van de arbeidersbeweging af. De sociale ideeën uit de late negentiende eeuw werden vervolgens weggezet als utopisch. Maar de sociale dromen uit die tijd waren niet utopisch. Die gingen over een maatschappij die niet georganiseerd was rondom privé-eigendom. En kritiek op privé-eigendom is tot op heden uit den boze.’

U schrijft dat iets vergelijkbaars gebeurde met ideeën uit de jaren zestig.

‘Sinds eind jaren zeventig, toen Thatcher en Reagan opkwamen, is een proces in gang gezet dat nog steeds aanhoudt: het terugdraaien van ideeën die in de jaren zestig over de hele wereld postvatten: pacifisme, feminisme, vrije liefde, democratisering van de werkplek, brede acceptatie van de welvaartsstaat. Zo bezien zijn de jaren zestig nog niet over, maar onderdeel van een proces dat wellicht nooit wordt afgerond. Je kunt de jaren zestig in ieder geval niet zien als een op zichzelf staand historisch moment. Veel levensstijlen uit die tijd, die conservatieven nu nog belachelijk maken, waren in feite veel bedreigender voor bepaalde systematische grondslagen dan mensen willen toegeven. De hippies worden weggezet als lui en werkschuw, maar in werkelijkheid hadden ze een fundamentele kritiek op de hiërarchische wijze waarop arbeid in die tijd georganiseerd was. Woongemeenschappen werden belachelijk gemaakt, maar vormden wel degelijk een reële bedreiging van de aanhoudende privatisering van de commons en de organisatie van de consumptiemaatschappij rondom individuele consumenten. Tegenwoordig is het zelfs onbespreekbaar dat het mogelijk zou zijn om op alternatieve wijzen te leven. Dat wordt in stand gehouden door ridiculiserende en neerbuigende beeldvorming.’

Wie doet dat? Of doen we dat zelf door die beeldvorming al dan niet bewust te internaliseren?

‘Hiervoor is geen georganiseerde kliek individuen verantwoordelijk, maar er bestaat binnen de klassen die verschillende instituties controleren wel een gedeeld begrip van het soort taal dat dient te worden gesproken en van de beelden die dienen te worden verspreid. Er is een onuitgesproken consensus over hoe een systeem te handhaven waarvan al deze mensen profiteren.’

U schrijft ook uitgebreid over televisie als een medium voor sociale controle.

‘In een erg kort tijdsbestek, zeg tussen 1950 en 1970, begonnen miljoenen mensen plots vier tot vijf uur per dag bewegingloos voor een scherm te zitten. Dat is een dramatische verandering in menselijk gedrag. Het had ook anders kunnen gaan. Toen de televisie nog in de kinderschoenen stond, in de jaren dertig, zagen de Duitsers en de sovjets het medium vooral als iets wat collectief kon worden ontplooid; dus dat het niet in huishoudens terecht zou komen, maar alleen in openbare ruimtes getoond zou worden. Ik pleit daar uiteraard niet voor. Ik wil alleen maar zeggen: de specifieke wijze waarop tv in Amerika werd georganiseerd was niet onvermijdelijk.

Maar ik gebruik televisie vooral om de continuïteit aan te tonen tussen de organisatie van televisie en de manier waarop het internet wordt ingezet. In vergelijking met de relatief passieve status van de tv-kijker zijn we actiever en meer betrokken geraakt bij de elektronische apparaten waarvan ons verteld is dat we die moeten kopen en gebruiken. In menig opzicht ervaren de gebruikers van smartphones en laptops een nog intensievere wisselwerking tussen mondiale netwerken dan ze die ooit hadden met de televisie – althans, in de zin dat de relatie nog sterker geïndividualiseerd is dan voorheen. Van televisiekijkers kunnen adverteerders en bedrijven slechts mondjesmaat, via de kijkcijfers, uitvogelen wie naar wat kijkt. Terwijl elke muisklik of toetsaanslag die iemand doet op zijn touchpad wordt gearchiveerd en geanalyseerd voor allerlei vormen van marketing. Tegelijkertijd voelen we ons niet minder leeg na een avond tv kijken dan na een paar uur surfen op het internet.’

Is dit waarom u een hekel heeft aan de term ‘het digitale tijdperk’?

‘Door daarover te spreken doen we alsof we simpelweg te maken hebben met de opkomst van een nieuwe set technologische middelen. Zo negeer je de grotere sociale krachten die een tijdsgewricht markeren. Het idee van een digitaal tijdperk doet het ook voorkomen alsof we op volkomen natuurlijke wijze van het stenen tijdperk naar het ijzeren tijdperk naar het digitale tijdperk zijn geëvolueerd, alsof deze tijd een historische onvermijdelijkheid is waarbij we ons maar hebben neer te leggen. Maar dat is niet zo: het is aan ons om de toekomst te herscheppen op een wijze die we ons nu moeten voorstellen.’

Het personage Oblomov uit de gelijknamige roman van Ivan Gontsjarov deed niets liever dan zich al slapende een prachtige toekomst voorstellen.

‘Oblomov had zeker in mijn boek gepast. Een andere schrijver die ik achteraf had willen aanhalen is de dichter Walt Whitman. In het gedicht The Sleepers beziet hij met tederheid een groep slapers, zich realiserend dat de visie van een slapende wereld iets is wat je kunt delen: een gedeelde verantwoordelijkheid voor de kwetsbaarheid van de slaper.’


Jonathan Crary, 24/7: Late Capitalism and the End of Sleep. Verso Books, 144 blz., gebonden $16.95, paperback $7.77, e-book $8.48


Beeld: Apariciones, Olivares Capelle, 2014 (International Filmfestival Rotterdam).