Wisselcolumn

Arbeidsvoorwaarden op de globale werkplek

Elke dag herinnert de globalisering ons er zichtbaar aan dat economische efficiëntie vaak gepaard gaat met gewetenloze wreedheid. De zakelijke investeringen in arme landen die het mogelijk maken dat goederen van hogere kwaliteit tegen steeds lagere kosten worden geproduceerd, brengen onveranderlijk een lange reeks goed gedocumenteerde misstanden met zich mee: kinderarbeid, milieuverontreiniging, lange en loodzware werkdagen, hongerlonen, discriminatie, seksuele intimidatie en de beperking van de vrijheid van expressie en samenkomst.
Deze toestanden onderstrepen de noodzaak tot het verbeteren, en daadwerkelijk handhaven van regulering van globale arbeidsmarkten. De cruciale vraag is niet of kwetsbare arbeiders beschermd moeten worden, maar hoe.
Eén antwoord is om uniforme regels op te leggen en te controleren, zoals de «kern»-arbeidsnormen die onlangs werden aangenomen door de International Labor Organization (ILO). Maar kunnen vaste regels werkelijk gelijke tred houden met de nooit-aflatende veranderingen op het gebied van productie binnen bedrijven en door distributieketens heen? Kunnen one-size-fits-all-regels werkelijk arbeidsvoorwaarden in de Derde Wereld en zijn vaak informele economieën beïnvloeden? Want zelfs in ontwikkelde landen, waar bureaucratie goed functioneert, worden arbeidsregels verruimd ten faveure van grotere flexibiliteit terwijl de toename van telewerk, en andere vormen van «uitbuitend» werk, de bestaande regelgeving frustreert.
Erger nog, in ontwikkelingslanden kunnen uniforme normen schrijnende gevolgen hebben. Zo kan een verbod op kinderarbeid erin resulteren dat kinderen weliswaar uit de fabrieken worden gedwongen, maar vervolgens alleen maar dieper in de armoede wegzakken of in de seksindustrie belanden. Vaste regelgeving zal er waarschijnlijk toe leiden dat misstanden moeilijker te ontdekken zijn doordat bedrijven ondergronds gaan.
Eén alternatief voor conventionele regelgeving is het mobiliseren van de publieke druk op multinationale bedrijven om vrijwillige gedragscodes aan te nemen voor hun wereldwijde ondernemingen. Ongeveer driekwart van de respondenten in recente Amerikaanse opiniepeilingen zegt dat ze winkels zouden mijden die kleren verkopen die in sweatshops zijn gemaakt, en meer dan tachtig procent zou meer betalen voor kleren als ze er zeker van konden zijn dat die onder fatsoenlijke voorwaarden waren geproduceerd. Voor een groot deel gaat dit ook op voor Europese consumenten.
Vijf recentelijk opgerichte organisaties spelen in op deze trend in ethisch consumentisme. Ze ontwerpen model-gedragscodes — vaak gebaseerd op de normen van de ILO — en bevorderen onafhankelijke controle, het aanstellen van boekhoudbureaus, lokale NGO’s en vakbonden, om de naleving te verifiëren.
Natuurlijk heeft deze benadering zijn beperkingen. Terwijl vrijwillige codes de facto normen genereren waarmee bedrijven kunnen worden gekritiseerd die er afschuwelijke arbeidspraktijken op nahouden, kan de publieke druk alleen de meest gewetensvolle of publiekelijk zichtbare bedrijven ertoe aanzetten verantwoordelijk te handelen. Sterker nog, door hun open karakter lopen dergelijke codes het gevaar dat ze pr-instrumenten worden.
Hoe kan dan de belofte van kern-arbeidsvoorwaarden worden vervuld zonder de onbedoelde gevolgen van vaste regelgeving en de grenzen van vrijwilligheid in gevaar te brengen? Wij stellen een strategie voor die de publieke macht op een nieuwe manier inzet: «goede» voorbeelden gebruiken — zij die met succes arbeids- en andere sociale voorwaarden verbeteren — om «slechte» producenten te disciplineren. Anders dan conventionele regelgeving gaat deze strategie uit van volledige openbaarheid.
Bedrijven zouden verplicht zijn de omstandigheden op hun werkvloer openbaar te maken, salarisniveaus, het personeelsbestand, het beleid van het management en dergelijke. Controleurs zouden op hun beurt bedrijven beoordelen en die oordelen rapporteren aan een raad van toezicht.
Investeerder, consument en politieke druk zouden in deze transparante omgeving wederzijdse competitie onder bedrijven stimuleren. Firma’s die geloven dat hun arbeidspraktijken voortreffelijk zijn, zouden geloofwaardige controleurs aantrekken om hun prestaties te verifiëren, terwijl strenge controleurs voortreffelijke presteerders zouden zoeken om hun vaardigheden te scherpen, hun reputaties op te bouwen en hun invloed te vergroten. Een dergelijk systeem zal noch voortkomen uit de conventionele benadering van kern-normen, noch uit de recente golf van vrijwillig aannemen van corporatieve gedragscodes. Integendeel, het hangt af van het doordacht en overtuigend construceren van «raamwerk»-instanties om een vlak speelveld voor sociale competitie te bewerkstelligen. Idealiter zou de toeziende raad van dit raamwerk zijn samengesteld uit internationale organisaties zoals de VN, ILO en de Wereldbank, die een centraal lichaam voor onderzoek naar de sociale prestaties van internationale bedrijven kunnen opzetten, verzekeren dat de controle van gegevens correct verloopt, en vrije verspreiding van de informatie kunnen coördineren.
Uit het creëren van een raamwerk dat zowel bedrijven als controleurs openstelt voor publieke observatie zullen normen ontstaan door vergelijking van de beste gewoonten in vergelijkbaar gesitueerde ondernemingen. Een fabriek in Vietnam zou kunnen worden vergeleken met een in Indonesië, maar niet met een in, bijvoorbeeld, Europa. De normen en eisen die hieruit voortkomen, zouden niet protectionistisch zijn maar in elk geval bruikbaar.
In de loop van de tijd zouden deze normen geleidelijk kunnen worden uitgebreid, als bedrijven die afhankelijk zijn van consumententrouw en die hun concurrenten willen overtreffen, hun leveranciers en de leveranciers van leveranciers (van wie er vele in de informele economie zouden kunnen zitten) ertoe aanzetten hun voorbeeld te volgen. Tegelijkertijd zal dit raamwerk, door de slechtste lokale presteerders aan te wijzen, bekrachtiging door nationale regelgevende bureaus ondersteunen. Deze bureaus kunnen zelfs de zich ontwikkelende normen gebruiken om hun eigen vaste-regel-systemen te veranderen.
Vertaling: Rob van Erkelens