L.Th. Lehmann, Toeschouw

Archeologie in de eigen geest

De dichtbundel ‹Toeschouw› van L.Th. Lehmann leest als een archeologische opgraving in het geheugen. Steeds verder terug, tot de realiteit surreëel wordt.

Soms hoor je veel over een dichter die je eigenlijk niet van plan bent te lezen. Zo hoorde ik twintig jaar geleden voor het eerst over L.Th. Lehmann. Een chef Kunst van de krant waarvoor ik werkte, vond dat ik die maar moest interviewen. Er was geen aanleiding voor, behalve dat we niets meer van «die Lehmann» hoorden. «Die Lehmann» wilde toen niet geïnterviewd worden. Ik weet niet waarom. Ik vergat hem en dus las ik hem niet.

Een paar jaar later zag ik foto’s van Emiel van Moerkerken. Ik schreef een artikelenreeks over Gerard Reve, en die had contact met Van Moerkerken gehad. Bij de foto’s die ik zag, was er een van een man met een aardig gezicht. Dat bleek de dichter Louis Lehmann te zijn. Ik hoorde dat hij «surrealist» was. Ik had geen zin om die Lehmann te lezen.

Op een gegeven moment ging ik de dichter Hendrik van Teylingen interviewen. Van Teylingen was toen toegetreden tot de Hare-Krishnabeweging en die had een tempel in de Bethaniënstraat in Amsterdam. Van Teylingen was er niet. Iemand had mij verteld dat tegenover de tempel de schrijver Frans Kellendonk woonde. Ik ging kijken waar hij precies woonde, dan kon ik hém misschien tot een interview verleiden. Ik liep naar de overkant en zag een bordje waarop «L.Th. Lehmann» stond. Die moet ik toch eens lezen, dacht ik toen.

Niet lang daarna vertelde ik deze anekdote (Van Teylingen niet, Kellendonk niet, Lehmann wel) aan een vriend en die vroeg me: «Lehmann? Is dat dezelfde die alles weet over triremen?»

Ik haalde mijn schouders op. «Slag bij Salamis», zei ik, «gewonnen door de Grieken door de triremen.» Triremen zijn — ik geef een niet-wetenschappelijke verklaring die nog dateert uit mijn middelbare-schooltijd — Griekse oorlogsschepen met zes roeiers op een rij, drie aan elke kant. Althans, dat weten we niet precies. We weten dat er triremen waren, maar hoe die roeiers in die boten zaten, en hoe die boten eruitzagen, weten we (nog) niet. Mijn vriend knikte. «Ja, die Lehmann weet daar alles van… Zal wel een andere Lehmann zijn.»

Toen zag ik de dichter Louis Th. Lehmann in het televisieprogramma De Plantage. Hij was inderdaad surrealist, scheepsarcheoloog en dichter. De dichter was in de tachtig, en deed een rap. Dat iemand van tachtig «rapte» was al iets bijzonders, maar meer bijzonder was een regel die ik hoorde: «Winnie de Poeh werd Picachu.» Geweldig. Wie Winnie is weet iedereen, maar Picachu? Picachu is een soort beer op een populair kaartspelletje, Pokémon, dat kinderen graag verzamelen… Dit is iemand die oplet en kijkt, dacht ik. Toch kocht ik het Verzameld Werk van Lehmann niet. En nu moet ik Toeschouw bespreken.

Ik beschrijf mijn kennismaking met Lehmann zo uitvoerig omdat zoiets een rol speelt bij het lezen van zijn gedichten. Zo is er, zoals ík deze bundel lees, iets merkwaardigs aan de hand. De bundel leest als een archeologische opgraving, in het geheugen, en lijkt steeds verder terug te gaan tot voorbij de kindertijd — tot de realiteit inderdaad surreëel wordt.

De bundel begint met een gedichtencyclus die paradoxaal genoeg Tijdelijk eindeloos heet en niets méér is dan een beschrijving van alles wat met de «Gerard Jan Mulderstraat 34 a» te maken heeft: «(…) Alles staat er nog, je kunt het gaan zien./ Lijn 5 reed voorbij, alle trams waren/ nog lichtgeel, deze had donkerder gele nummerlampen (…).» Dat gedicht heet Buiten, gevolgd door Binnen dat begint met: «Geëmailleerde pannen waren donkergroen/ met op tweederde van de hoogte/ een twee millimeter brede vergulde band/ en één millimeter daarboven een nog smallere/ vergulde streep, die ook rond liep (…).»

De Avonden worden beschreven, de Dagen, De zee, en Verder, om te eindigen met Terug: «Er waren foto’s van mijn vader, jong, spelend op een viool, of op een mandoline,/ en van mijn moeder, optredend in amateurtoneel.» Dat gedicht eindigt met: «Het werd almaar drukkender./ De Duitse bezetting / haalde deze drie uit elkaar./ Een rustig leven/ is een kronkelweg tussen gruwelen.»

Het is archeologie in de eigen geest; je vindt scherven en je kunt nauwelijks een conclusie trekken. Vervolgens lees je gedichten over plekken. Het zijn taalfoto’s, uitmondend in een schitterend gedicht dat Grachtslag heet, en waarin een gevecht tussen acht eenden en een koet wordt beschreven als de slag bij Salamis: «(…) De eenden begonnen langzaam maar eensgezind/ tegen de wind in te zwemmen. Maar een, het dichtst bij mij/ zwenkte af onder de heve van een daar gemeerde vlet,/ boeg naar west, en terwijl de vlet,/ de koet midscheeps had, zwom de eend/ oostwaarts terug tussen schip en wal (…)» Et cetera. De vorm vrij, realistisch, maar hier zie je al dat het realisme door de beschrijving iets méér wordt: een metafoor voor een daadwerkelijke «grachtslag». Het «weten» verandert het kijken en de woorden. De realiteit lijkt juist door de precisie van de beschrijving nauwelijks meer realiteit: «In een verlaten/ of enkel beslapen huis/ schrik je op/ bij de klik van een kattenluik.» Je schrikt even met de dichter mee — en zijn verbazing wordt jouw verbazing.

Maar de archeologische tocht is nog niet afgelopen. We naderen de kindertijd met rijmpjes als: «Paarden met hun zachte neuzen,/ paarden met hun mooie ogen,/ paarden moesten honderd worden/ en vlot sterven onder ’t grazen.» En nog verder achter in de bundel is het: «Tafeltje tik-tak, klokje-bom,/ dingen in de keuken vallen om./ Koekepan ping-pong, kopje krak,/ uit door de voordeur, binnen door het dak/ Maak het maar, maak het maar,/ maak het maar bebabbelaar/ Maak het maar, maak het maar,/ maak het maar bebabbelaar…»

De realiteit wordt hier «bebabbeld». Je ziet en hoort wat er gebeurt, maar hoe zit het met die realiteit? De laatste gedichten in deze bundel hebben veelzeggende titels als Fanfumbel en het Hoemabeest. Het volgende gedicht heet Dragonelle, Draculina en beschrijft twee meisjes en griezelige dingen, met twee opmerkelijke laatste zinnen: «Hoe gevaarlijk ’t is te heten?/ Maar ’t gevaarlijkst is toch: Zijn.»

Klopt, ben je direct daarna geneigd te zeggen. Dat Zijn (met een hoofdletter) is inderdaad gevaarlijk, want niks Is… De «Gerrit Jan Mulderstraat 34 a» bestaat alleen uit potscherven van de herinnering, Winnie de Poeh werd Picachu (Dat gedicht, ook een rap, staat in deze bundel en zou een essay op zich waard zijn) en Dragonelle en Draculina heten weer Ien en Gonnie. Zijn bestaat niet, en daarmee vervalt de realiteit — en ook weer niet.

L.Th. Lehmann

Toeschouw

Uitg. De Bezige Bij, 53 blz., € 15,-