Archeologie van Auschwitz

Vijftien jaar oud was Hans Citroen toen hij een krijttekening maakte van Auschwitz: houten barakken, omgeven door prikkeldraad aan gekromde palen, in een kaal en zwart landschap, doorsneden door een spoorlijn die het kamp in liep. Zo stelde de later spraakmakende Rotterdamse kunstenaar zich in 1962 het concentratiekamp voor - een beeld dat de weerslag vormde van zijn indrukken van het proces tegen Eichmann, het logistieke brein achter de deportaties van de joden in Europa, dat juist in die jaren in Jeruzalem plaatsvond en de moord op de joden voor het eerst sinds 1945 in het volle licht van de aandacht zette.
Hans’ vader liet de tekening zien aan zijn vader, zelf overlevende van Auschwitz. Opa Citroen, die door een ontsnapping ternauwernood aan de dood was ontkomen, ontbood daarop zijn kleinzoon om hem, voor één keer, het ‘verhaal over Auschwitz’ te vertellen. Aan het eind van dat verhaal haalde hij de tekening van Hans uit een la: 'Dat kunstwerkje van jou is heel mooi hoor, maar zo was het daar niet. Die tekening lijkt niet.’ En hij sloeg met zijn vlakke hand op het bureaublad. Auschwitz, zo verklaarde hij, was een stad, enorm uitgestrekt, 'een gigantische organisatie’.
Het is veertig jaar later wanneer de kleinzoon zich opnieuw zet aan het in kaart brengen van Auschwitz. Hij is er dan al meerdere keren geweest, niet als kleinzoon van een overlevende, bij wijze van bedevaart, maar met zijn vrouw, de Pools-Nederlandse architecte Barbara Starzynska, die ervandaan kwam. Voor haar was Oswiecim, zoals de stad sinds 1945 wordt genoemd, een gezellig stadje waar ze naar school ging, haar eerste communie deed, vakantie vierde en balletles kreeg. Als zij over 'Auschwitz’ sprak, dan bedoelde zij, evenals haar stadgenoten, 'het museum’. Tijdens familiebezoeken - 'op vakantie naar Auschwitz’ - kwam het aanvankelijk tot heftige botsingen - 'Opa zat niet in een museum’ - maar juist dit verschil in perceptie riep bij Hans Citroen de vraag op naar de verhouding tussen kamp en de buitenwereld. Waar precies lag de grens tussen Auschwitz en Oswiecim?
Met die vragen was een omvangrijk project geboren. Het paar zou er bijna een decennium lang aan werken, totdat Barbara in 2010 overleed. Het resultaat van hun zoektocht, of beter: reconstructie, verschijnt deze week in de vorm van een kloeke studie: Auschwitz-Oswiecim. Het boek, dat voor tweederde uit foto’s bestaat, laat zich het best typeren als een documentaire reportage: een gedetailleerd, visueel sterk verslag van een poging 'Auschwitz zoals het was’ in kaart te brengen en te plaatsen in de context van de tijd, het landschap en de samenleving. De werkwijze van de onderzoekers doet denken aan die van archeologen: met behulp van veldonderzoek, oude kaarten en foto’s, archiefstukken en interviews worden niet alleen de bebouwing en het landschap maar ook de latere verhalen over de stad en het kamp laag na laag blootgelegd.
Tijdens het graafwerk worden geleidelijk de contouren zichtbaar van een enorm complex, precies zoals opa Citroen zijn kleizoon in zijn kantoor had voorgehouden. Het kamp Auschwitz-Birkenau, jaarlijks bezocht door meer dan een miljoen mensen, is feitelijk niet meer dan een onderdeel van het gigantische kolonisatieproject dat de nationaal-socialisten aan het begin van de oorlog in en rond de stad hadden opgezet. Het hart daarvan werd gevormd door een complex van chemische fabrieken van IG Farben, waarin de Duitse overheid voor een ongekend hoog bedrag investeerde. De stad zelf, 'gezuiverd’ van haar joodse inwoners - meer dan de helft van de bevolking - werd gemoderniseerd en op Germaanse leest geschoeid, terwijl een netwerk van kampen in de omgeving de nodige arbeiders zou leveren. En zo groeide het aantal kampen, voor dwangarbeiders, krijgsgevangenen, gedeporteerde joden en andere categorieën gevangenen. Zo bezien waren de gaskamers in Auschwitz eerder bijproduct dan hoofddoel: kinderen, moeders, ouderen, zieken en zwakkeren waren immers niet productief te maken.
Auschwitz-Oswiecim laat zien hoezeer 'authentieke’ sporen van dat enorme kolonisatieproject nog altijd het aanzien van de stad en het landschap bepalen. Duizenden betonnen palen markeren omheiningen, verzonken rails spoorbanen en vergeten perrons; wie kijkt vindt de villa’s van de SS-leiding, de woonblokken van het Duitse personeel van IG Farben, de kassen van het agrarische project, loodsen, bedrijventerreinen, vakantiewoningen, kantines, enkele oorspronkelijke gevangenisbarakken - ze staan er allemaal nog, buiten de omheiningen van 'het museum’, in wat Barbara bij hun eerste vakantie nog geïrriteerd aanduidde als Oswiecim, de stad die min of meer 'buiten’ de herinneringen aan de oorlog leek te zijn gebleven.
Dat was precies de suggestie die de Poolse overheid, maar ook de inwoners van de stad zelf, alsmede de daar gevestigde bedrijven, probeerden te creëren. Auschwitz werd gereduceerd tot een gemusealiseerd kamp, geïsoleerd van de stad Oswiecim, met haar relatief goede woonvoorzieningen en haar moderne chemische industrie, in de jaren vijftig de grootste in Oost-Europa. Gelet op de omvang van het gebied en de economische nood in de eerste naoorlogse jaren is deze politiek te begrijpen, maar tegelijk werd daarmee de geschiedenis versluierd. Daarvoor in plaats kwam een nieuwe waarheid: de waarheid die Barbara op school had meegekregen, een effectief schild tegen pijnlijke vragen.
Natuurlijk valt er wel een en ander af te dingen op Auschwitz-Oswiecim, waar het bijvoorbeeld gaat om de stijl, de manier waarop bepaalde informatie wordt gepresenteerd of de stelligheid waarmee sommige meningen worden geponeerd. Dat doet niet af aan het feit dat de wisseling van perspectief, die zich geleidelijk in de tekst en de afbeeldingen ontvouwt, het beeld van Auschwitz onomkeerbaar van betekenis doet veranderen. Zoiets is, gezien de onmetelijke zee van literatuur en beeldmateriaal over dit thema, geen geringe prestatie.

HANS CITROEN EN BARBARA STARZYNSKA AUSCHWITZ-OSWIECIM
Post Editions, 416 blz., € 35,-