Archeologie van de opera

Annalen van de operagezelschappen in Nederland, 1886-1995. f150,-.
Je hebt er hetzelfde soort fantasie voor nodig als bij een bezoek aan een opgraving, waar een hoopje verbrokkelde stenen een ver verleden proberen te suggereren. Op basis van summiere tekens mag de bezoeker zelf een beeld samenstellen, puttend uit kennis dan wel fantasie.

Bladerend door de recent verschenen Annalen, waarin alle operavoorstellingen gecatalogiseerd zijn die tussen 1886 en 1995 op de Nederlandse planken te zien zijn geweest, was dat de vergelijking die zich opdrong. Een droge opsomming van feiten - titel van de opera, librettist, vertaler, dirigent, solisten, bijrollen en datum en plaats van de premiere - verhult een muziekleven dat al lang tot een oudheidkundig verleden behoort. Alleen een handjevol archeologen, gespecialiseerd in de negentiende-eeuwse operacultuur weet van het bestaan van componisten als Franz von Holstein, Theodor Verheij, Victor Ernst Nessler of Karl Millocker - allemaal namen die zich op een willekeurig opgeslagen bladzijde in de Annalen aan de lezer presenteren.
Wie wat gaat spitten in die laatste decennia van de vorige eeuw, stuit op titels die nieuwsgierig maken: Zampa (Ferdinand Herold), Aleida von Holland (Willem Frans Thooft), Indra (Friedrich von Flotow), Brinio (Simon van Milligen) of De trouwdag van Jeanette (Victor Masse). De echte schatdelver zal de moeilijk te onderdrukken aandrang voelen al deze onbekende, maar be staande werken een keer opnieuw te willen horen, terwijl hij eigenlijk wel weet dat een realisering van Der Vampyr (Heinrich Marschner) op niets anders dan een teleurstelling kan uitlopen.
Dat de totstandkoming van dit lijvige boekwerk, een uitgave van het Theater Instituut en de Nederlandse Opera, met de nodige trammelant en ruzies gepaard is gegaan, werd bij verschijning uitgebreid in de Volkskrant beschreven. Deze onverkwikkelijke geschiedenis laat onverlet dat er nu een kleine dertienhonderd pagina’s tellende bijbel ligt die een schat aan informatie bevat. Elke produktie is in kaart gebracht en via verschillende indexen kunnen specifieke gegevens worden opgezocht. En natuurlijk ontstaat al neuzend in een bepaald tijdvak vanzelf een beeld. Een voor de hand liggende testcase vormen de oorlogsjaren: beginnend bij het seizoen 1939-1940 verandert niet alleen geleidelijk het repertoire (met als harde kern Mozart, Strauss, Wagner, Beethoven en een paar Italiaanse componisten), even opmerkelijk is hoe de Duitse operagezelschappen zich op de stoep van de Nederlandse theaters staan te verdringen.
De belangrijkste kritiek op de Annalen, afkomstig van Peter Hulpusch, Hans Kerkhoff en Eduard Reeser die voortijdig uit de redactie stapten, is de buitensporige ‘compleetheidswaanzin’ van Piet Hein Honig, die aanvankelijk als assistent was aangetrokken en het onderzoek uiteindelijk heeft overgenomen. Dat verwijt is terecht: de pil had makkelijk met een honderdtal bladzijden kunnen worden ingekort. Zo is de logica van het namenregister zonder overdrijving neurotisch te noemen: zo zijn bijvoorbeeld alle namen die met 'de’ (De Vries) of 'van’ (Van Dijk) beginnen, onder respectievelijk de d en de v opgenomen, met de verwijzing 'zie Vries’ en 'zie Dijk’. Dat kost minstens tien overbodige pagina’s.
Persoonlijk vind ik het jammer dat de samenstellers geen statistisch werk hebben gedaan. Een antwoord op de vraag welke opera het meest is uitgevoerd of hoeveel produkties er van de Aida geweest zijn, vergt een belachelijk hoeveelheid telwerk. Terwijl zulke vraagstellingen het enige motief vormen een dergelijk onderzoek te doen.
De uitgever noemt in zijn voorwoord de Annalen 'de vervulling van de droom van de operaliefhebber’. Dat is een uitspraak die ik niet voor mijn rekening zou willen nemen. De gemiddelde operaliefhebber verlangt vermoedelijk vooral naar mooie voorstellingen. Wel vormt het boek een sterk staaltje geschiedschrijving. Verplichte kost voor iedereen die meent dat Nederland geen operatraditie heeft.