Archiefrat of orakel

Bernard Wasserstein e.a., Hannah Arendt en de geschiedschrijving. Een controverse. € 14,90

Het zal even geduurd hebben eer het publiek dat zich op 3 december 2008 in de aula van de Radboud Universiteit Nijmegen verzameld had voor de derde Hannah Arendt-lezing door had waar de spreker mee bezig was. De gerenommeerde Britse historicus Bernard Wasserstein was gevraagd iets te vertellen over het thema van zijn laatste boek, Barbarism and Civilisation, en dan bij voorkeur in relatie tot het werk van Hannah Arendt. De aanwezigen, voor een groot deel bewonderaars van het werk van Arendt, zullen zich verheugd hebben op een erudiet en interessant betoog, waarin op gepaste wijze eer werd bewezen aan de beroemde filosofe naar wie de lezing was vernoemd.
Wasserstein, een kenner van de geschiedenis van het Europese jodendom en de staat Israël, had ooit Arendts bekendste werken, Eichmann in Jerusalem en The Origins of Totalitarianism, gelezen, maar omdat dit inmiddels zo lang geleden was had hij deze boeken herlezen en ook nog wat andere boeken van en over Arendt bestudeerd. Toen ik hem enkele weken eerder voor publiek interviewde vertelde hij na afloop dat hij van zijn Arendt-lectuur zo geschrokken was dat hij zich geroepen voelde daar in Nijmegen een nogal kritisch verhaal te houden: ‘Vroeger dacht ik slechts dat haar historische werk niet zo veel voorstelde, maar nu weet ik dat het absoluut niet deugt!’
Voor de argeloze toehoorders in Nijmegen moet het echter als een donderslag bij heldere hemel zijn gekomen. De door velen bejubelde filosofe en politiek theoretica was in de ogen van Wasserstein op historisch terrein een volstrekte beunhaas, die een grote minachting voor feiten had, voor haar theorieën volstrekt willekeurig materiaal bij elkaar scharrelde en met haar 'orakelproza’ niet probeerde te overtuigen maar als 'een onstuitbare retorische stoomwals’ over iedereen heen denderde. Bovendien gaf ze blijk van een stuitend onbegrip voor de positie waarin de vervolgde joden zich in het Derde Rijk bevonden en maakte ze zich schuldig aan opmerkingen die uit de mond van elke niet-jood als antisemitisch zouden zijn beoordeeld.
In Nijmegen dreunde de klap nog lang na. Bijna twee jaar later is er nu een boekje met daarin de uitgewerkte versie van Wassersteins lezing, zoals die vorig jaar in Times Literary Supplement werd gepubliceerd, en twee artikelen waarin Wasserstein van repliek wordt gediend. Het eerste is van de Belgische filosofen Dirk De Schutter en Remi Peeters, het tweede van de Amerikaanse socioloog Irving Louis Horowitz. De laatste komt overigens niet verder dan pure verontwaardiging over de gore lef waarmee de 'dwerg’ Wasserstein de intellectuele 'reus’ Arendt heeft aangevallen. Hierbij lijkt hij ook niet al te veel boodschap aan de feiten te hebben, aangezien hij meldt dat Wasserstein het werk van Arendt over het totalitarisme niet mag vergelijken met dat van de Israëlische historicus Jacob Talmon, omdat de laatste over de Franse Revolutie en de jaren daarna schreef, en niet over de twintigste eeuw. Hoewel Horowitz veel over Talmon heeft geschreven is hij blijkbaar niet toegekomen aan diens laatste boek, dat over fascisme en communisme gaat.
De bijdrage van De Schutter en Peeters is heel wat substantiëler, al was het maar omdat zij Wasserstein af en toe betrappen op selectief citeren. Toch schiet ook hun antikritiek zijn doel goeddeels voorbij, omdat Wasserstein zijn kritiek toespitste op de wijze waarop Arendt omsprong met historische feiten en bronnen. Hun benadering wordt adequaat samengevat in de inleiding van Joos van Vugt, die schrijft dat De Schutter en Peeters 'een lans breken voor [Arendts] verdiensten, niet als een nauwkeurige en gortdroge bronnenvorser maar als een geleerde die zin en betekenis probeerde te geven aan Europa’s meest moorddadige en gewelddadige decennia’. Voor sommige filosofen is een historicus blijkbaar een saaie archiefrat die losstaande feitjes opduikt, terwijl zij 'zin en betekenis’ aan het verleden proberen te geven. Als je voor dat laatste kiest, hoef je blijkbaar niet meer de bronnen te bestuderen.
Het opmerkelijke is dat de kritiek op Arendts boeken over de shoah en het totalitarisme al ongeveer even oud is als die boeken zelf zijn en Wasserstein weinig nieuws vertelde. Arendts trilogie over het totalitarisme is niet alleen bijzonder onevenwichtig, maar onderzoek van de laatste decennia laat zien dat het begrip steeds problematischer wordt. Als het gaat om het Derde Rijk en de stalinistische periode in de Sovjet-Unie blijkt de 'essentialistische’ benadering van Arendt meer vragen op te roepen dan te beantwoorden. Ook haar boek over Eichmann wordt alleen nog serieus genomen door mensen die zich niet in de geschiedenis van de shoah hebben verdiept. Reeds in 1964 toonde Jacques Presser aan dat nagenoeg elke opmerking die ze maakte over de Joodse Raden of over de situatie in Nederland onjuist was. En David Cesarani heeft laten zien dat Arendt met haar these van 'de banaliteit van het kwaad’ - volgens welke de nationaal-socialistische jodenjagers niet méér waren dan willoze radertjes in een moordmachine - exact in de verdedigingsstrategie trapte die Eichmann tijdens zijn proces in Jeruzalem voerde. Hoewel het heel goed mogelijk is dat Arendt met haar meer theoretische werk nog altijd een inspiratiebron voor filosofen en politieke theoretici vormt, wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van de twintigste eeuw kan haar boeken met een gerust hart ongelezen laten.

BERNARD WASSERSTEIN E.A.
HANNAH ARENDT EN DE GESCHIEDSCHRIJVING: EEN CONTROVERSE
Damon, 90 blz., € 14,90