Interview met Andrew Herscher

Architect op oorlogspad

In Kosovo is het meeste cultureel erfgoed na de oorlog vernietigd. Niet alleen door Serven en Albanezen, ook door internationale organisaties, waar ook architect Andrew Herscher voor werkt. ‘Vernietigen is als het brengen van een offer.’

Vorige week presenteerde Verenigde Naties-bemiddelaar Martti Ahtisaari zijn plan voor de staatkundige toekomst van Kosovo. Het is een ambivalent rapport geworden waarin geen onafhankelijkheid wordt beloofd, maar ook geen sprake is van enig Servisch recht op het grondgebied. Terwijl de wereldgemeenschap zichzelf in 1999 aanvankelijk op de borst klopte voor bommen die nu eens ergens goed voor waren geweest, lijkt de hele operatie acht jaar later te stranden in de goede bedoelingen van weleer. Zelfs over de vernietiging van het cultureel erfgoed wankelt de consensus. Sinds het einde van de oorlog in Kosovo doet architect Andrew Herscher onderzoek naar die vernietiging van de culturele en religieuze nalatenschap van de Albanese en Servische Kosovaren. Herscher vertelt geen mooie verhalen over de wederopbouw van Kosovo, ‘want die zijn er niet’.

Behalve architect is hij hoogleraar aan de Universiteit van Michigan. Van 2001 tot 2002 was hij tweede man van het cultuurdepartement van Unmik, de VN-interim-regering in Kosovo. Als expert getuigde hij in het proces tegen Slobodan Milosevic voor het Joegoslavië Tribunaal over de vernietiging van cultureel erfgoed. In de statuten van het tribunaal wordt immers expliciet ‘de moedwillige vernietiging van instellingen voor religie, liefdadigheid, onderwijs, kunst en wetenschap, historische monumenten en werken van kunst en wetenschap’ als oorlogsmisdaad erkend.

Na een uitgebreide inventarisatie van de vernietiging in het zuidwestelijke stukje Balkan kwam Herscher tot een opvallende conclusie: de meeste vernielingen zijn verricht na de oorlog. Andrew Herscher: ‘Vernietigen is als het brengen van een offer. Door iets te vernietigen, breng je het van het alledaagse naar een “hogere” wereld, naar de wereld van de ideologie en de betekenis. Doorgaans merken we de wereld om ons heen nauwelijks op. Maar als je een gebouw vernietigt, zal iedereen zich onmiddellijk afvragen wat er is gebeurd, waarom en door wie. Waren het anarchisten? Skinheads? De daad en het gebouw worden in een ideologische sfeer getrokken. Op zo’n manier krijgt zelfs de lege plek van een weggevaagde moskee een spectaculaire betekenis.

Met name religieuze gebouwen fungeren als zichtbare markeringspunten van de etnische identiteit van een groep. Door ze te vernietigen en dat – net als het massale verkrachten en moorden – te coderen als “etnisch” wordt die vernietiging een historische legitimiteit gegeven. Het was daarom van groot belang dat de vernietiging werd gezien en herinnerd. Servische soldaten lieten zich fotograferen voor een brandende moskee. Typerend is ook dat de vernietiging van moskeeën en huizen door Serven vooral plaatsvond nadat de Albanezen al waren gevlucht.’

Van de vier voor de oorlog best bewaarde historische stadjes in Kosovo (Prizren, Pec, Djakovica en Vucitrn) bleef alleen Prizren grotendeels intact. De Joegoslavische autoriteiten wezen al tijdens de oorlog op de vernietiging van cultureel erfgoed. De Navo-bombardementen van 1999 zouden er de oorzaak van zijn. Herscher kon die officiële Joegoslavische lezing eenvoudig weerleggen. Ooggetuigen spraken voornamelijk van vandalisme en plunderingen. Ook de vernielingen zelf toonden daar sporen van. Zoals anti-Albanese graffiti op moskeemuren en korans besmeurd met menselijke excrementen. Vooral traditioneel Albanese gebouwen waren verwoest: zoals de konakken, de huizen van prominente Albanese families uit de Ottomaanse tijd. En de achttiende- en negentiende-eeuwse kullas, de stenen torenhuizen die typerend zijn voor de traditionele Albanese architectuur in het zuidwestelijke deel van de Balkan.

Herscher schat dat van de vijfhonderd kullas er nauwelijks vijftig heelhuids de oorlog zijn doorgekomen. Moderne Albanese nieuwbouw bleef ongeschonden.

Na de oorlog keerden de meeste Albanezen terug. Vanaf dat moment was het cultureel en religieus erfgoed van de Serviërs slachtoffer van wat Herscher ‘wederkerig etnisch geweld’ is gaan noemen. Ondanks de bescherming van Kfor, de internationale vredesmacht, werden er in de periode 1999 tot 2004 minstens 130 Servisch-orthodoxe kerken en kloosters vernietigd.

Andrew Herscher: ‘Destructie wordt doorgaans begrepen als het uitwissen van cultureel erfgoed. Alsof de vijand nooit heeft bestaan. Maar dat beeld klopt niet. Een object wordt door vernietiging juist belangrijk gemaakt. De dader neemt als het ware bezit van dat object, een pronkstuk van de vijand.

Neem de gebeurtenissen in maart 2004. Er braken rellen uit in Kosovo, die duurden drie dagen lang. Albanezen vielen Serviërs aan, vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap, maar vooral ook Servische huizen en erfgoed. De meeste schade was in Prizren. Daags na de rellen verschenen er foto’s van de gebeurtenissen op het internet. Je zag dat de mensen zich verzamelden op het centrale plein in Prizren, dat ze naar de Servische wijk liepen en molotovcocktails door ramen gooiden. Je zag hoe ze stonden toe te kijken hoe die Servische huizen volledig uitbrandden.

Die foto’s verdwenen natuurlijk al snel van het internet omdat ze als bewijsmateriaal konden dienen tegen de vandalen. Maar het interessante is dat er tijdens die rellen iemand met een camera rondliep om het vast te leggen. Kennelijk wilden mensen zich dit herinneren. Die vernietiging in Prizren was een viering. Als een bruiloft.’

Als de architect over vernietiging praat, refereert hij ook aan de internationale organisaties die zich met reconstructie bezighouden. Ze richten zich te veel op snelheid, waardoor het gebruik van gestandaardiseerde bouwmaterialen onontbeerlijk is. Traditionele en unieke typen architectuur, zoals de kullas, helpen ze daarmee om zeep, vindt Herscher.

Zijn ervaringen met de wederopbouw van Kosovo brengen Herscher tot verregaande kritiek op de internationale inbreng in het Balkangebied: ‘De vorm van wederopbouw is humanitaire interventie. Maar de inhoud is puur neoliberalisme. En dat heeft niet per definitie een humanitair of positief effect voor de bevolking.’

Herscher tuurt bedachtzaam in zijn glas bier. ‘De internationale gemeenschap implementeert kapitalisme in een post-conflictgebied met de achterliggende gedachte dat crisis en conflict worden veroorzaakt door armoede. Volgens het neoliberale model moet armoede worden bestreden door economische ontwikkeling van bovenaf. Winst sijpelt door naar de laagste inkomens. Maar zo werkt het in de praktijk niet. In Kosovo blijven alle winsten hangen bij de nationale elites. Het neoliberale model is gestoeld op privatiseringen en zelfredzaamheid van mensen. Gezondheidszorg en sociale dienstverlening worden overgeheveld naar de private sector. De publieke voorzieningen die Kosovo had, worden momenteel vernietigd in de naam van private belangen. Dat is voor de meeste Kosovaren een ramp. Het voortdurende advies van de EU en de VS aan Kosovo luidt: zet je markt open voor de wereldeconomie. Ook al is het verre van duidelijk of dat de Kosovaren ten goede zal komen.

Onder deze omstandigheden wordt de wederopbouw geconditioneerd door globale processen in plaats van lokale. Zelfs op mijn vakgebied, de architectuur, hebben het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank enorm veel impact in Kosovo. De stedenbouwkundigen van Pristina, zowel internationals als lokale mensen, pikken de ideeën en doelstellingen op van dergelijke internationale instellingen. Die kennis gebruiken ze in hun eigen planontwikkelingen voor de stad. Je kunt doelstellingen van lokale projectplannen soms één op één leggen met de ontwikkelingseisen van imf en Wereldbank. Pristina is inmiddels een echte “Wereldbankstad” geworden: kosmopolitisch dankzij de aanwezigheid van alle internationale organisaties en ngo’s. Die situatie heeft niets met organische groei te maken. Het is kunstmatig. Zodra de VS, de EU, de VN, de Wereldbank en het imf hun handen van Kosovo aftrekken, verdwijnt het kosmopolitische aan Pristina.’

Dient die neoliberale ontwikkeling van post-conflictgebieden niet ook de vrede?

Andrew Herscher: ‘In mijn ogen niet. Het politieke geweld van oorlog transformeert onder invloed van dit rampkapitalisme in economisch geweld. Denk aan chronische armoede, structurele werkloosheid, een slecht functionerende verzorgingsstaat, enzovoort. Dat staat wat mij betreft allemaal erg ver af van vrede.

En het probleem is groter dan je in eerste instantie kunt zien. Politiek geweld muteert in economisch geweld, dat dan weer kan muteren in huiselijk geweld. In Bosnië is aangetoond dat het huiselijk geweld enorm is toegenomen in de wederopbouwperiode. Dat is geen wereldnieuws, dus je hoort er niets over. Toch heeft het alles te maken met onze missie daar in de Balkan. We willen er als internationale gemeenschap vrede brengen. Maar kennelijk heeft vrede een heel nauwe definitie gekregen. Kennelijk is vrede het tegenovergestelde van politiek geweld. Andere vormen van geweld doen er niet toe. Dat klopt niet.’