Interview met Ole Bouman

‘Architectuur moet zich bemoeien met de grootste kwesties van onze tijd’

Ole Bouman, directeur van het Nederlands Architectuurinstituut, ziet de architectuur als een discipline met een grote verantwoordelijkheid. ‘Het NAi zou in zekere zin een belangrijk voertuig voor democratie kunnen zijn.’

Ole Bouman kan bogen op een imponerende en veelzijdige loopbaan. Hij doceerde aan het Massachusetts Institute of Technology in Cambridge, Massachusetts, organiseerde tentoonstellingen voor de Triënnale van Milaan, de Manifesta 3 en Museum Boijmans, schreef mee aan de encyclopedie The Invisible in Architecture en publiceerde in zulke uiteenlopende kranten en tijdschriften als The Independent, Artforum, De Gids en, jawel, De Groene Amsterdammer. Een paar jaar geleden vertrok Bouman met stille trom mét zijn redactie als hoofdredacteur van het architectuurblad Archis uit het NAi, om er dit voorjaar – door de hoofdingang – terug te keren. Als directeur.

Tijdens de sollicitatieprocedure heeft u nagedacht over belangrijke kwesties die u bij het NAi aan de orde zou kunnen stellen. Noemt u eens een paar van die kwesties.

Ole Bouman: ‘Ik denk dat de tijd er weer naar is om de architectuur te positioneren als een discipline met een enorme verantwoordelijkheid. Ik vind dat architectuur, en dus ook het NAi, zich moet bemoeien met de grootste kwesties van onze tijd. Wat gebeurt er met onze samenleving nu we verder vergrijzen? Wat betekent dat voor de vitaliteit van de samenleving, voor de omgang met elkaar, voor het benutten van de openbare ruimte? Of neem een kwestie als migratie: wat gebeurt er met de samenleving als een steeds grotere groep mensen andere waarden aanhangt of een andere taal spreekt? Of zich andere doelen in het leven stelt? Of denk aan kwesties als digitalisering: wat gebeurt er met de ruimte om ons heen als we steeds meer draadloos met elkaar communiceren en we steeds minder face to face contact met elkaar hebben? Vroeger was architectuur heel belangrijk om een setting aan te bieden, om elkaar te ontmoeten en zich te kunnen oriënteren in het leven.’

Hoe wilt u deze grote vraagstukken presenteren in het NAi, dat het toch vooral moet hebben van tentoonstellingen?

‘Er is een zekere traditie om architectuur te tonen louter als afbeelding van gebouwen en omgeving. Het archief hier zit vol met tekeningen en maquettes. En inderdaad: je kunt daar op een expositie langs lopen. Het hangt aan de muur of het staat op een sokkel, en dan zie je als bezoeker wat de ideeën zijn van de architect. Ik wil de grote maatschappelijke tendensen, die ik noemde, op de een of andere manier hier in het NAi laten terugkeren. Misschien zijn tentoonstellingen niet toereikend. Dan zullen we andere manieren moeten verzinnen om het toch inzichtelijk te maken.’

Als het aan u ligt, wordt het NAi een intermediair.

‘Ja, zo zie ik dat. Het NAi is weliswaar een museum en een plek om van cultuur te genieten, maar het is tegelijkertijd een podium om partijen die in Nederland in een permanent gevecht om de ruimte zijn verwikkeld bij elkaar te brengen. Dan denk ik aan ontwikkelaars, bouwers en bewonersgroepen. Ik heb sterk de indruk dat er de laatste tijd onder al die spelers een hernieuwde belangstelling bestaat om zich te verantwoorden. Als het lukt, als mijn gevoel me niet bedriegt, dan zou je als NAi dat podium kunnen aanbieden, waarmee het NAi in zekere zin een belangrijk voertuig voor democratie zou kunnen zijn.’

Pardon? Dat zijn ronkende woorden.

‘Op dit moment vormt de ruimte – en dan bedoel ik wie de ruimte heeft en hoe die gebruikt wordt – een buitengewoon belangrijke graadmeter voor het functioneren van de democratie. Als het NAi niet alleen een culturele instelling is, maar tegelijkertijd het podium om dat gevecht en dat debat goed te organiseren en scherp te kunnen voeren, dan spelen we dus ook een belangrijke rol in het vitaliseren van de democratie.’

De ministers Plasterk en Cramer zullen daarvan ophoren. Zijn ze al op bezoek geweest?

‘Ik denk dat de ambitie die Plasterk en het hele kabinet qua ruimtelijk beleid uitstralen een van de redenen is waarom ik zeg dat het lijkt alsof we nu in een tijd leven waarin ruimte meer wordt gezien als dé testcase voor hoe de maatschappij ervoor staat. Ik ben een generalist en ben uiteindelijk misschien wel meer geïnteresseerd in maatschappelijke thema’s dan in de esthetische aspecten van architectuur. Dat ligt me meer. Ik denk dat ook historisch gezien duidelijk is dat de architectuur die de tand des tijds heeft doorstaan de architectuur is die een antwoord geeft op grotere maatschappelijke vragen.’

Gaan we terug naar de tijd dat architectuur onderdeel was van de maakbaarheid van de samenleving?

Ole Bouman (geïrriteerd): ‘Als frase is “de maakbaarheid van de samenleving” versleten. Ik heb het over ambities die ertoe bijdragen dat je als natie of als volk, of als dichter en denker, niet wilt opgeven dat je in dit leven iets kunt bereiken en dat je iets wilt doen, iets wilt bijdragen, iets wilt bouwen. Nou goed, noem het maakbaarheid. Dat is de onbescheidenheid die hoort bij het hebben van idealen.’

Maatschappelijk engagement hoeft niet te leiden tot briljante architectuur.

‘Nee, dat is waar. Dat is een belangrijke vaststelling. Ik zie het zo: om architectuur op de lange termijn betekenis te geven, is het een noodzakelijke voorwaarde dat die zich sterker maatschappelijk oriënteert. Neem Le Corbusier: dat was iemand die sterk op de maatschappij georiënteerd was en die zich altijd uitliet over grote kwesties, variërend van de toekomst van arbeid en de toekomst van hygiëne tot die van de stijl. Maar het respect dat hem ten deel is gevallen heeft hij tegelijkertijd afgedwongen met een oeuvre dat staat als een huis, dat zeer rijk is. Als het NAi een instelling is die de architectuur echt verder brengt, echt ondersteunt als vak, dan moet het dat niet alleen doen door geëngageerd te zijn, maar ook door de innovatieve en creatieve vermogens van het vak te laten zien en verder te laten ontwikkelen. Ik kan tonen en ik kan helpen organiseren dat de rol van de architect in bouwprocessen méér is dan alleen maar zijn creatieve inbreng. Dat het gaat om het afdwingen van kwaliteit en dat daar een architect voor nodig is.’

Zijn tentoonstellingen daarvoor het ideale medium?

‘Nee, het wordt als het aan mij ligt een mengvorm. Alleen maar een tentoonstelling óver een architect, dat is te weinig. Ik vind het veel interessanter om een tentoonstelling mét een architect te maken en te tonen. Ik wil graag een speels element toevoegen. Bovendien gaat het er mij juist om dat het tentoonstellingen worden waar je met één keer doorheen lopen niet klaar bent, gewoonweg omdat er in de loop van de tijd dingen in gebeuren die de moeite waard zijn om bij te wonen. Ik wil er iets theatraals aan toevoegen.’

Waar moet ik dan aan denken? Film?

‘Dat kan spel zijn.’

Spel?

‘Ja, spel. Het is een oud principe dat een spelsituatie een makkelijkere mogelijkheid biedt om over ingewikkelde zaken te praten en te leren. Spelenderwijs dus. Er bestaat van dit principe ook een hedendaagse versie, namelijk in de _gaming-_industrie. Door middel van animatie kun je een vorm bedenken waarin je bezoekers een rol geeft. In een game ben je geen passieve consument, in een game ben je een speler. En door iemand een speler te laten zijn, kun je zijn betrokkenheid vergroten.

Mij gaat het niet alleen om de ontmoeting van een mens met een object of een beeld in een lijst. Nee, het gaat om ensceneringen die iets oproepen, iets vragen van het publiek. Je bent er niet vanaf als je er een keer bent geweest. Het gaat me om creativiteit, betrokkenheid, inzet, nieuwsgierigheid. Ik wil vooral dingen combineren en verrassende coalities aangaan met mensen die eigenlijk helemaal niet uit de architectuur komen of die architectuur maken, maar die wél heel interessant blijken te zijn. Die rolverdeling dat musea iets museaals doen en dat onderzoekslaboratoria iets doen wat met onderzoek te maken heeft is heel slecht. Ik denk dat er op dat vlak zo veel meer mogelijk is.’

Denkt u dat u het publiek daar blijvend mee kunt boeien?

Ole Bouman: ‘Het NAi is op en top een publieksinstelling. Dus het publiek moet wél komen, anders heeft het geen zin. En het is niet zo dat het publiek mag worden opgegeven omdat ik nu eenmaal vind dat de architectuur op dit ogenblik bepaalde belangrijke zaken nalaat en aan de orde wil stellen. Ik wil formats, modellen en activiteiten bedenken die net zo goed interessant zijn voor de bezoekers. Het belangrijkste waar we voor volgend jaar aan werken is een productie, dus expliciet niet alleen een tentoonstelling, waaruit duidelijk wordt hoeveel er in Nederland ruimtelijk gewild wordt.’

Ruimtelijk gewild?

‘Een beeld van de gezamenlijke ruimtelijke wil. Ik constateer dat er een onvoorstelbare ruimtelijke wil in dit land aanwezig is. Het begint met die observatie. Kijk naar de televisie: je struikelt over de programma’s die gaan over het verbouwen van je eigen huis of het veranderen van je eigen tuin. Iedereen verbouwt zich suf. Het is verbouwen, verbouwen, verbouwen. Ook op stedelijk niveau zie je dat. Denk aan de ontwikkeling van de regio, aan wegenbouw, aan waterwerken. Ik kan eindeloos doorgaan. Het zal leiden tot een productie die ook een enorme impuls geeft aan het idee van een architectuurtentoonstelling. Ik kan nog niet vertellen hoe die eruit zal gaan zien, daarvoor is het nog te vroeg. Maar het laat wel mijn ambitie zien om een beeld te presenteren dat verder gaat dan alleen de architect en de architectuur. Ik hoop dat de ontwerpwereld met onze projecten echt zijn voordeel zal doen.’