Arend boven het maaiveld

‘Niets is gemakkelijker dan Bilderdijk te verguizen, niets moeilijker dan hem te vergeten. Alleen wie hem niet kent, kan achteloos voorbijgaan, maar wie hem eenmaal ontmoet heeft, blijft de macht van zijn persoonlijkheid voelen’, aldus de protestantse dichter K.H. Heeroma in 1937.

Medium de grfnuikte arend bilderdijk

De dichter die door zijn tijdgenoten was vergeleken met Goethe – wat qua originaliteit, veelzijdigheid en productiviteit zeker te rechtvaardigen viel – was toen al meer dan een eeuw dood. Vergeten was hij bepaald niet, maar in de tweede helft van de negentiende eeuw was er steeds meer kritiek op hem gekomen en was hij vooral de dichter van één bepaalde bevolkingsgroep geworden.

Busken Huet had het breedsprakige, meer dan driehonderdduizend versregels tellende, in gietijzeren vormen vervatte oeuvre van Bilderdijk afgedaan als ‘kikkergrom uit de nederlandsche moddersloot’, en volgens Multatuli was hij ‘een knoeier van de eerste soort’. Hoewel hij met zijn opvatting dat het niet de taak van de dichter was om middels rijm en metrum ideeën te verwoorden maar zijn gevoel diende uit te storten verwant was aan de Tachtigers, verweet iemand als Albert Verwey hem dat hij geen ‘kunstenaar’ was geweest.

Het was niet alleen de streng classicistische vorm waarin hij die emoties had gegoten die steeds meer begon te irriteren, ook Bilderdijks denkbeelden stuitten steeds meer mensen tegen de borst. Zijn geloof in een almachtige God die koningen het recht had gegeven om absolute macht uit te oefenen, zijn orangistische kijk op de vaderlandse geschiedenis en zijn hartstochtelijke tirades tegen de Verlichting en liberale ideeën, maakten hem tot wat Huizinga noemde ‘de grote ongenietbare’. Hij had beslist talent gehad, maar zijn persoonlijkheid had hem dramatisch in de weg gezeten, zodat hij volgens Jan en Annie Romein ‘een gefnuikte arend in de hoenderhof’ was gebleven.

Al rond 1820 was Bilderdijk voor velen vooral een irritante, veel te luidruchtige stem uit het verleden

Bij de tweehonderdste herdenking van zijn geboortedag, in 1956, leek hij nog slechts de dichter van de toen al ouderwets versleten orthodoxe protestanten, en hadden ‘verlichte’ auteurs geen goed woord voor hem over. Het feit dat deze felle Oranjeklant lofzangen op de broertjes Napoleon had geschreven was voor Jan Blokker reden hem een ‘collaborateur’ te noemen. Jacques de Kadt verklaarde dat hij zich voor Bilderdijk schaamde, een oordeel dat werd onderschreven door Hans Gomperts, die zich ervoor geneerde dat Nederland tegenover tijdgenoten als Byron, Shelley, Goethe, Heine, Lamartine en Hugo alleen maar de obscurantist en rijmelaar Bilderdijk te bieden had.

In de ogen van zijn tijdgenoten was Bilderdijk een homo universalis geweest, iemand die niet alleen de grootste Nederlandse dichter was, maar tevens een getalenteerd jurist, taal- en letterkundige, historicus, filosoof, theoloog, botanicus, architect, mathematicus en tekenaar. Toch was hij ook toen al zeer omstreden, wat alleen al bleek uit het feit dat hij nooit het door hem zo fel begeerde professoraat aangeboden heeft gekregen. Uit de nieuwe biografie van Rick Honings en Peter van Zonneveld wordt zonder meer duidelijk dat dit veel te maken had met het onmogelijke karakter van de hypochondrische, mateloze, extreem ijdele, buitengewoon polemische en haatdragende Bilderdijk. Minstens even belangrijk echter was het feit dat hij toen al in belangrijke mate naast de Zeitgeist stond. Hij beschouwde de Verlichting als een ‘gruwelleer’ van ‘hedendaagsche godsdienststoorders’ en rekende het tot zijn taak dit ‘edel kroost der apen’ met hun ‘scheurziek wolfsgebit’ te bestrijden. Al rond 1820 was Bilderdijk velen al niet ‘modern’ genoeg, was hij vooral een irritante, veel te luidruchtige stem uit het verleden.

Bilderdijks conservatieve denkwereld is reeds in 1998 uitvoerig en zeer gedegen in kaart gebracht door Joris van Eijnatten, in een intellectuele biografie met als titel Hogere sferen. Honings en Van Zonneveld hebben zich daarom geconcentreerd op het moeizame leven van Bilderdijk en besteden mondjesmaat aandacht aan zijn poëzie en ideeën. Wie dus de ‘hele’ Bilderdijk wil, moet na deze 653 bladzijden ook nog het ruim honderd bladzijden dikkere boek van Van Eijnatten tot zich nemen. Het is echter mogelijk dat men daar na lezing van dit boek geen zin meer in heeft, aangezien Bilderdijk bepaald geen aangenaam karakter had en zijn egocentrisme, gejammer en gesnoef behoorlijk op je zenuwen gaan werken. Niettemin biedt deze uiterst gedetailleerde biografie, waarin elke verhuizing en elke miskraam van zijn tweede, buitengewoon zorgzame en eveneens getalenteerde vrouw beschreven wordt, een bijzonder interessant venster op het dagelijkse leven van Nederlandse burgers rond 1800. Bovendien blijft Bilderdijk zonder twijfel een fascinerende figuur, die ver boven het intellectuele maaiveld van het Nederland van zijn tijd uitstak.

Het zou mooi zijn als iemand nu eindelijk eens met een mooie, handzame biografie van laten we zeggen driehonderd bladzijden kwam. Er is materiaal in overvloed en het leven van deze politiek zeer uitgesproken dichter en advocaat, die jarenlang in ballingschap leefde en zijn huik later meermalen naar de wind hing, is er kleurrijk genoeg voor – al hoeft niet elk kleurrijk detail verteld te worden. Belangrijker is dat een goede biograaf, die niet alleen een visie op Bilderdijk maar ook op de wereld om hem heen heeft, een fraai beeld zou kunnen schilderen van de botsing tussen het traditionele Europa en de Verlichting, tussen de wereld van het ancien régime en het ontstaan van de moderniteit.


Rick Honings Peter van Zonneveld (Met medewerking van Marinus van Hattem)
De gefnuikte arend: Het leven van Willem Bilderdijk (1756-1831)
Bert Bakker, 653 blz., € 49,95