Argentijnse fleur

GEEF MIJ MAAR een echte Zuid-Amerikaan. Liever dan de oprisping van een Nederlandse die Márquez las, dacht: dat kan ik ook, en de van schone schijn warse Colombiaan godbetert blijkt te interpreteren als mooischrijver. Een keur aan rare beelden ontsiert haar pagina’s als gevolg van haar belustheid op magische meerwaarde. Terwijl de pers zich drukmaakte over vermeend plagiaat, gaf zij een staaltje van regelrechte namaak ten beste.

De echte Zuid-Amerikaan over wie het hier gaat komt niet uit de magische school die vooral in de Caraïben bloeit. Hij is een Argentijn, en Argentijnse schrijvers zijn anders. Zo zijn ze meestal nadrukkelijk geestig; kijk maar naar Borges en Cortázar. Ze zijn speelziek, omdat dat hun het beste antwoord lijkt op hun omstandigheden. Ze zijn bewust kunstig en weven nooit een zweetdoek met afdruk van de realiteit. Ze zijn zelfs een tikje sophisticated, en alleen wie het te bar maakt, krijgt het predicaat cursi (snob, aansteller) opgedrukt. Een beetje sophisticated zijn ze allemaal.
Over ‘ze’ spreken is generaliseren. Er zijn uitzonderingen. Maar tot 'hen’ behoort in ieder geval Juan Filloy, de schrijver in kwestie. Hij hoort bij de fleur van de Argentijnse literatuur: geestig, speels, literair. Eén augustus is zijn geboortedag. Ik zeg is, maar misschien is het inmiddels was, al heeft mij geen overlijdensbericht bereikt. Zijn geboortejaar is namelijk 1894. Hij is dus, als hij nog leeft, 104. Vier jaar geleden, bij verschijning van zijn eerste Nederlandse vertaling, heette het dat hij nog altijd schreef aan een oeuvre dat over de vijftig titels telde. De roman De bende, zojuist in vertaling uitgekomen, dateert van 1937.
DAT FILLOY betrekkelijk onbekend is, komt zeker ook doordat hij weigerde in Buenos Aires, het culturele hart van Argentinië, te gaan wonen. Hij bleef liever in Río Cuarto, een provinciestadje in de pampa, wat hem afsneed van alle belangrijke uitgeefactiviteiten. Nederland had vier jaar geleden de wereldprimeur met Op Oloop (1934), in de vertaling van Arie van der Wal, die nu ook De bende heeft vertaald en dat opnieuw erg goed heeft gedaan.
Op Oloop is een strak gestructureerd boek waarin de fabuleerlust van de auteur niettemin de ruimte krijgt. De titelfiguur is een geboren statisticus die zijn leven tot in de details vangt in schema’s en tabellen. Alles onder controle. Alles, behalve de liefde. Die laat zich niet schematiseren. Die woekert zoals zij gaat, tot verwarring en uiteindelijk de ondergang van de statisticus.
Zo, bijna overzichtelijk, gebaseerd op één thema dat tevens de clou is, is De bende niet. Dat is om te beginnen veel dikker. Daarin draaft liefst een hele groep op als protagonist, te weten zeven zwervers, die allemaal uit een ander land komen en allemaal een nondescripte achtergrond en een merkwaardige naam hebben. De handeling is diffuus, de presentatie troebel. Dramatisch gezien is De bende met dat al een onding, maar dramatische ondingen kunnen juwelen zijn. Zo is het hier.
De route van de kletsgrage bendeleden staat voorin afgedrukt, een lijst die wordt afgesloten met stippeltjes. De schrijver doet of hij na de verrassende ontwikkelingen van de laatste dertig bladzijden niet weet hoe het verdergaat, alsof het om een gevonden manuscript gaat. Door de bruuske wending aan het slot is hoe dan ook alles ineens mogelijk en het perspectief is van lokaal mondiaal geworden.
Het is 1937 - we laten gemakshalve het jaar van verschijning met de romantijd samenvallen. Het einde van het boek nadert. De bendeleden hebben de hand gelegd op een nazi-plan. Wat daarna gebeurt, benadrukt vooral de onbetrouwbaarheid van de mens die rijkdom ziet gloren. We lachen voor de laatste keer maar voelen onbehagen. We huiveren bij de gedachte aan wat te gebeuren staat, ook in het destijds formeel neutrale maar in de praktijk germanofiele Argentinië. Dat die huivering niet voortkomt uit de inhoud van het boek, maakt haar niet minder intens.
Filloys verteltempo is traag. De schrijver heeft de tijd. Hij is zich hooguit vaag bewust van wereldrampen in het verschiet. Hij begeeft zich met kennelijke graagte op zijpaden en dwaalwegen. Globaal genomen gaat hij chronologisch te werk, maar te pas en te onpas steekt iemand een al dan niet nonsensikaal betoog af dat ontspoort, bij voorbeeld over Prometheus die uit de mode zou zijn, of over een willekeurig etymologisch of entomologisch onderwerp. Zo raak je als lezer gemakkelijk het gevoel van gestage voortgang kwijt.
Dat gaat niet in z'n werk zoals bij het Nederlandse In Babylon, waarin Marcel Möring de frasering en het ritme van zijn uitdijende verhaal nauwgezet in de gaten houdt. Bij Filloy is het alsof hij zelf, de schrijver, met zijn bende aan het meezwerven is, nog onwetend van de toekomstige ontwikkeling of de mogelijke pointe. Af en toe bekruipt je het gevoel dat het geheel daardoor wat vormeloos wordt, maar wat krachtig is De bende evengoed. Ik had het al over fabuleerlust met betrekking tot Op Oloop. Hier is het nog een graadje erger. Je komt als lezer ogen en verstand te kort.
Het mooie is dat deze stijl, compleet met z'n uitwassen, volmaakt bij de inhoud past en logisch voortvloeit uit het feit dat De bende, zo enig genre in aanmerking komt, een schelmenroman is, hét genre van de Spaanstalige literatuur. De bende is geestverwant aan Don Quichot. Ook hier strijden idealisme en materialisme om voorrang, terwijl de satire nooit ontbreekt. De bende is, zoals op bladzijde 288 staat, 'op een toeristische reis naar het ideaal van de anderen’, een hoofse omschrijving voor zinledigheid. Er wordt tijdens de avonturen van de groep kwaadgedaan en welgedaan in ongeveer evenredige porties. Navertellen heeft geen zin. Daarvoor is het verhaal te anarchistisch.
MET DAT WOORD, anarchistisch, zijn we terug bij Argentinië in het algemeen. Volgens Borges, die er enkele essays aan wijdde, is anarchie het wezenskenmerk van de Argentijnse mens, een wezenskenmerk dat respect voor burgerlijke en politieke verworvenheden of waarden niet hoeft uit te sluiten. Anarchie past bij schelmen, en omdat De bende een schelmenroman is, past anarchie bij deze roman. Wat er ook bij past is de verneukeratieve taal van enkele van de protagonisten, een krasse versie van dat sophisticated waarop ik eerder doelde. Ze weten hoe ze indruk moeten maken en dat is precies waar ze op uit zijn.
Vaak gaan gekunsteld én mooi trouwens samen in deze roman. Zo kan onze nationale nep-Márquez een voorbeeld nemen aan de vergelijking van een vegetariër, die 'de minuscule hersentjes van een noot’ zegt te verkiezen boven 'de hersenen van een vaars’. Zulke taalschoonheden zijn overal te vinden. Ik had als lezer nogal eens de neiging te klappen voor dit opwekkende vernuft.
Voor in de vertaling wordt gewaagd van drievoudige financiële steun om deze uitgave mogelijk te maken. Zonder dat was ze er blijkbaar niet gekomen, misschien omdat de uitgever niet bemiddeld genoeg is, misschien omdat dikke vertalingen meestal geldelijke steun behoeven. Een lezer van een boek als dit is goed beschouwd net zo zwaar gesubsidieerd als de Stopera-ganger of de bezoeker van het Concertgebouw. Een half honderd gulden neerleggen in de wetenschap dat je een heel honderdje cadeau krijgt: iets dergelijks overkomt de Nederlandse Filloy-lezer in feite. Hij wordt al lezende ook figuurlijk rijker.