Arie haan

Hij geloofde heilig in het conflictmodel en moest dus al snel uitwijken naar het buitenland. Nu is hij terug in de Nederlandse voetbalwereld. En met hem het rumoer. Arie Haan - ook wel bekend als Arie Bombarie.
ARIE HAAN is een van de meest succesvolle voetballers die Nederland ooit heeft gehad. Hij won vele landstitels en drie Europacups met Ajax, speelde twee WK-finales in het oranjeshirt (1974 en 1978) en zorgde met enkele afstandsschoten dat vitale wedstrijden of zelfs toernooien een totaal andere wending namen. De onnavolgbare pegel waarmee hij de Italiaanse doelman Dino Zoff vanaf veertig meter kansloos liet (halve finale in Argentinie), staat in het geheugen van een generatie gegrift.

Hoe komt het dan toch dat de naam Arie Haan zo weinig enthousiasme losmaakte, toen hij vorig jaar oktober als trainer van Feyenoord eindelijk weer terugkwam naar Nederland? Waarom was hij geen nationale held en zelfs geen verloren zoon? Waarom waren scepsis en lastige vragen zijn deel? Het antwoord ligt besloten in de stuurloze carriere van deze voetbalzigeuner, een carriere waar niemand een touw aan vast kan knopen - Haan zelf ook niet.
Een toegewijd journalist kan bij het napluizen van de stapel Haan-knipsels slechts een ding met stelligheid concluderen: waar Arie Haan is, gebeurt iets! Wat? Mmm, van alles… Zo beheerst hij in maart 1975 de sportpagina’s door als eerste profvoetballer van Nederland te deserteren. Een regelrechte primeur! ‘Met ingang van zondag speel ik niet meer zolang manager Kraay de touwtjes in handen heeft’, roept Haan na Ajax’ turbulente nederlaag tegen Feyenoord. Hij wenst als centrale verdediger te worden opgesteld, terwijl Kraay hem op het middenveld posteert.
Haans werkweigering resulteert in een verbanning naar het C-elftal. Maar de sterspeler van Oranje, bijnaam 'Arie Bombarie’, pikt deze vernedering niet en scoort meteen maar een tweede primeur: hij wordt de eerste broodvoetballer die linea recta naar de rechter stapt. De gegriefde Haan eist terugkeer naar het A-team op grond van Ajax’ plicht hem 'passende arbeid’ te verschaffen. Tegen alle verwachtingen in blijkt de magistratuur begrip te hebben voor Haans kapsones, waardoor hij als eerste broodvoetballer een juridische overwinning op zijn club boekt - derde primeur. Dat hij terug in de boezem van de A-selectie een eerdere uitspraak moet inslikken ('Kraay eruit of ik eruit’), is voor hem geen struikelblok. Haan zal zich nog ontelbare malen uit verbale doolhoven wringen.
Hoewel in ere hersteld, gaat Haan snel elders op zoek naar waardering. Waardering in baar geld, wel te verstaan. Via een makelaar gooit hij zichzelf in de aanbieding en voor geinteresseerde clubvoorzitters stelt hij alvast een eisenpakketje samen met bovenaan het verlangde salaris dat uit vijf nullen bestaat. Anderlecht, FC Amsterdam en HSV Hamburg melden zich aan de balie. En omdat de Duitsers onzettend verlegen zitten om een Ausputzer, verklaren zij zich onmiddellijk bereid hun clubkas voor hem leeg te plunderen. Maar Haan kent zijn pappenheimers en wil van dat Hamburgse voornemen graag een kopietje in drievoud. Uiteindelijk komt hij tot zaken met de Brusselse biermagnaat Constant Vandenstock en gaat hij belastingvriendelijk verdienen bij het Brusselse Anderlecht.
VOOR ZOVER dan al niet ontmaskerd als koele geldwolf en blaffende blaaskaak, maakt de Belgische voetbalcultuur Haan als voetballer ook niet bepaald aantrekkelijker. Bij onze zuiderburen staat het resultaat voorop en mag je gerust negentig minuten met zijn elven voor het doel gaan liggen. Verdedigen is ook een kunst, vinden de Belgen, en de Rode Duivels (Belgische nationale ploeg) zullen deze 'kunst’ tot in de perfectie leren beheersen.
Van Haan, die mede vorm gaf aan het schitterende totaalvoetbal van Oranje '74, zou je afwijzing of op zijn minst scepsis jegens deze negatieve speelstijl verwachten. Maar niets is minder waar. Hij ontpopt zich als een gedreven advocaat van het Belgische catenaccio, eerst als voetballer en later als trainer. 'In de reglementen wordt gesproken van een wedstrijd, niet van een demonstratie’, meent Haan. 'Ik zeg maar zo: als er in een wedstrijd niets gebeurt, moeten er op zijn minst wat spetters bloed aan de palen kleven. Anders moet van een mislukking worden gesproken. De toeschouwers komen voor een gevecht, niet voor een circusvoorstelling.’
Ook buiten het veld ziet Haan het liefst wat bloedspetters in het rond vliegen. Als beginnend trainer van FC Antwerp stoort hij zich openlijk aan het 'makke’ gedrag van de nieuwe generatie profs, die na de wedstrijd braaf hun interviews afgeven en met ontzag naar hun gulle broodheer opkijken. 'In mijn tijd zetten we ons af tegen de pers en besturen, maar we lieten dan ook wel wat zien. We zeiden rustig “rot op” tegen verslaggevers. Dat hoor ik niet meer. Iedereen loopt keurig in de pas, terwijl we juist dringend behoefte hebben aan pure broodvoetballers, die zich geen moer van de omgeving aantrekken.’ Kortom, Haan stelt zijn eigen egoisme, zijn onmetelijk grote bek, ten voorbeeld aan zijn eigen spelers. Wie geen stennis schopt, kan maar beter ook niet meer tegen een bal schoppen, vindt hij.
Met zijn halsstarrige geloof in het conflictmodel mag het niet verbazen dat Haans trainersloopbaan voornamelijk uit tropenjaren bestaat. Dan weer heeft hij een plooitje glad te strijken met de clubvoorzitter. Dan weer zeurt hij om nieuwe spelers. Dan weer zwaait hij met aanbiedingen van andere clubs. Dan weer is hij in een machtsstrijd verwikkeld met een aantal spelers. Dan weer lucht hij zijn hart in een paginagroot interview. En dan weer moet hij de schade herstellen die hij met dat interview heeft veroorzaakt. Of: hoe een zogenaamde toptrainer zichzelf van de straat houdt…
ZIJN KOMST NAAR Feyenoord vorig jaar oktober mag exemplarisch heten voor het permanente geharrewar rond zijn persoon. Het levert mooie televisie op, dat wel. Een zwetende Haan, die in de foyer van Paok Saloniki (zijn club van dat moment) journalisten te woord staat over zijn onderhandelingen met Paok-voorzitter Voulinos. Mag hij nu wel of niet weg? Heeft hij nu wel of geen contract? Heeft hij al een ticket voor Schiphol, ja of nee? Uiteindelijk loopt Haans desertie op een heus Grieks drama uit wanneer Voulinos hem, in woede ontstoken, achterna reist. Het Griekse tirannetje wil de Nederlandse trainer persoonlijk bij de kladden grijpen en terugsleuren naar Saloniki. Maar Haan heeft alles goed doorgesproken met zijn advocaten en ziet zich gesteund door een oude makker, de rechtbank, die opnieuw in zijn voordeel beslist: hij mag naar Feyenoord.
Als baas van de Rotterdamse topclub dringt zich automatisch een vergelijking op met Haans collega in Amsterdam: Louis van Gaal. Diens Ajax-cultuur van consequent nageleefde gedragscodes, kreukloze teamgeest en gestroomlijnd aanvalsspel moeten voor Haan een gruwel zijn. Maar Haan, 52 jaar oud inmiddels, is slim genoeg om te zien dat Van Gaal momenteel omkranst wordt door een goddelijke status en dat hij zich richting Ajax-trainer dus maar beter wat gedeisd kan houden. In een recent Volkskrant-interview zegt hij het zo: 'Nederland heeft een goede voetbalcultuur, maar onder druk van de media speelt iedereen overdreven positief. Je wordt afgemaakt als je niet naar voren en met drie spitsen speelt. (…) Ik begrijp best dat het voor het imago van Feyenoord het leukst zou zijn als ik altijd drie spitsen opstel. Maar het moet wel functioneel zijn. Als ik bang ben dat het ten koste gaat van het resultaat, doe ik het anders.’
WIE THANS DE geschiedenis van Haan overziet, ontwaart in zijn eerste half jaar bij Feyenoord keurig netjes alle elementen uit zijn loopbaan. Een rumoerige entree. Conflicten met spelers (Witschge, Blinker). Voortdurend gerommel met opstellingen. En een behoudende tactiek waarmee puntjes worden gesprokkeld. Maar dat geeft zijn oude 'vriend’ Hans Kraay zijns inziens niet het recht om zulks via Studio Sport aan den volke te verkondigen. Haan: 'Hij heeft geen idee waar wij hier mee bezig zijn. Hij heeft nog nooit een training bezocht. Die analyses van hem slaan nergens op.’
Arme, onbegrepen Haan. Waar heeft hij zoveel wantrouwen en tegenwerking aan verdient? 'Ik weet niet hoe het komt, maar overal hebben ze twijfels over mij.’