23 juni 1931 - 21 november 2011

Arie van Deursen

Historicus Arie van Deursen maakte er geen geheim van liever in de zeventiende eeuw te zijn geboren. Langzaam trok de gereformeerde Groninger zich terug uit de niet-begrijpende wereld.

DE VORIGE WEEK overleden historicus Arie van Deursen was de best schrijvende en best verkopende historicus van zijn generatie. Zijn vooroorlogse werktas en zijn onberispelijke beleefdheid gaven je het gevoel te maken te hebben met iemand uit de jaren vijftig. Van Deursen voelde zich een buitenstaander in onze tijd. Hij maakte er geen geheim van liever in de zeventiende eeuw, zijn specialisme, te zijn geboren. Met zijn gereformeerde geloof had hij iets van een ontheemde, die het gevoel had in een losbandige, onverschillige wereld te leven. Deze verlegen man vond dat hij moest getuigen, zijn stem moest verheffen. Het bracht hem in botsing met zijn omgeving. Het bracht hem uiteindelijk ook naar zijn laatste woonplaats: Katwijk, waar de gereformeerde kerk nog altijd goed gevuld is.
Arie Theodorus van Deursen werd in 1931 in Groningen geboren als jongste van vijf kinderen. Hij was een opgroeiende knul toen in de Tweede Wereldoorlog de gereformeerde kerken met elkaar slaags raakten en zijn ouders toetraden tot wat sindsdien de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt heet. Van Deursen ging geschiedenis studeren in Groningen en was vervolgens tien jaar bezig met het bezorgen van bronnenuitgaven. In de archieven bouwde hij zijn omvangrijke bronnenkennis op en ontwikkelde hij zijn inzichten. In 1967 werd hij lector geschiedenis aan de Vrije Universiteit, vier jaar later volgde de benoeming als hoogleraar nieuwe geschiedenis. Hij zou dat dertig jaar blijven.
De hoogleraar ontpopte zich tot een veelschrijver, behept met de gave van het woord. Zijn eerste boek, Bavianen en slijkgeuzen: Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt (1974), over de bestandstwisten die uitmondden in de Synode van Dordrecht, was al een bescheiden sensatie. Met het in 1978 verschenen Mensen van klein vermogen: Het kopergeld van de Gouden Eeuw brak hij door. Het boek was een verademing. De vakhistorici van toen waren zelfgenoegzame en eenkennige lieden, die vooral schreven voor elkaar en die niet-ingewijde lezers slechts niesbuien bezorgden met hun stoffige abstracties en historiografische haarkloverijen. Van Deursen kwam dit publiek te hulp. Met milde humor liet hij een bonte stoet passanten voorbijtrekken. Over zijn pagina’s waggelden dronkaards die in de gracht tuimelden en verzopen, valsspelers die halsbrekende weddenschappen sloten.
Het volgende boek liet meer dan vijftien jaar op zich wachten: Een dorp in de polder: Graft in de zeventiende eeuw (1994). De eerste drie regels: ‘Trijn Willems uit Ursem heeft nooit willen deugen. Het was geen zwakheid, het was moedwil dat ze telkens weer in opspraak kwam. Ze gaf zich aan elke man die haar aanstond.’ Toch is het geen lectuur voor het slapengaan; het eerste deel bestaat uit stevige statistische exercities. Maar nadat de harde gegevens het bestek hebben geleverd, komen de verhalen en bevolkt Van Deursen het dorp met zijn inwoners. Hij kon allebei: de bronnen leegknijpen én ons aan de hand van al die kennis zo ver het verleden intrekken dat je de zeventiende-eeuwers voor je zag. Graft was zijn ideale boek, zijn zeventiende-eeuwse vaderland. De zeldzaam complete bronnen maakten een ongekende mate van overzicht en transparantie mogelijk. Daarnaast bood het dorp de idylle in werking: samen sterk tegen de listen en lagen van het leven, en met een gereformeerde meerderheid.
In de jaren daarop volgden meer boeken, over prins Maurits (De winnaar die faalde) en een overzichtswerk over de Gouden Eeuw (De last van veel geluk). Het succes hield aan, al werden zijn latere boeken minder. Zijn overzichtsgeschiedenis was toegankelijk, beknopt maar tevens nogal flets. En als biograaf wist Van Deursen van de promiscue Maurits een bijna kuis heerschap te maken. Wellicht hing deze vervlakking samen met de strijdbaarheid die hij in deze jaren aan de dag legde. In 1994 voorspelde hij tijdens de Huizinga-lezing zijn toehoorders niets minder dan het einde van de beschaving. Waar de christelijke grondbeginselen verdwijnen, zal alles van waarde verdwijnen: 'Een cultuur heeft hogere normen nodig om cultuur te zijn. Een hedonistische cultuur is een contradictio in terminis. Die kan alleen haar eigen ondergang veroorzaken.’ In de kritiek op de lezing viel het woord 'fundamentalist’.
In de jaren negentig verscherpte zich de schizofrene positie waarin Van Deursen terecht was gekomen. Als historicus was hij geliefd bij een seculier publiek en een gewaardeerd schrijver bij diverse bladen. Als gelovige hoorde hij bij een kleine, op zichzelf gerichte minderheid. Deze werelden begonnen elkaar steeds slechter te verdragen. Van Deursen schreef voor Historisch Nieuwsblad, maar moest tot zijn verontwaardiging in hetzelfde blad verzuchtingen lezen als: 'God wat een droefenis.’ Hij besloot zijn medewerking op te zeggen, omdat hij geen 'vloekende bladen’ in de bus wilde. Van Deursen schreef ook voor de Volkskrant. Daar begonnen zijn recensies uit de toon te vallen. Hij kon plots, midden in zijn stuk, vervallen in de Tale Kanaäns. Nadat hij weer eens iemand had beticht te weinig oog te hebben voor de realiteit van het geloof in de zeventiende eeuw, vertolkte een woedend stuk de ergernis van velen: 'Begrijpt alleen Van Deursen de zeventiende eeuw?’ De kritiek op zijn werk en zijn visie op de Gouden Eeuw werd luider. Overdreef Van Deursen niet juist de rol van religie in tal van maatschappelijke spanningen?
Langzaam trok hij zich uit de niet-begrijpende wereld terug. Hij werd een bekende voor de lezers van het Reformatorisch Dagblad. In 2006 ging hij in Katwijk wonen. Dat beviel meteen. Op de eerste dag dat hij er ter kerke ging, lichtte iemand de hoed en sprak: 'Dag professor.’ De burgemeester vroeg hem een boek over de vissersplaats te schrijven. In Katwijk is alles anders: Een christelijk dorp ontmoet de wereld, 1940-2005 ligt nu in de winkel.