Naomi Klein

Aristide in ballingschap

Wanneer VN-troepen inwoners van de Haïtiaanse sloppenwijk Cité Soleil doden, leggen vrienden en familieleden vaak foto’s van de in ballingschap levende president Jean-Bertrand Aris tide op hun lichamen. De foto’s zeggen zwijgend dat er een methode zit achter de waanzin die heerst in Port-au-Prince. Arme Haïtianen worden niet afgeslacht omdat ze «gewelddadig» zijn, zoals we zo vaak horen, maar omdat ze militant zijn; omdat ze durven eisen dat hun gekozen president terugkeert.

Nog maar tien jaar geleden vierde president Clinton Aristide’s terugkeer aan de macht als «de overwinning van vrijheid op angst». Wat is er dan veranderd? Corruptie? Geweld? Fraude? Aristide is zeker geen heilige, maar zelfs als de allerergste van de beschuldigingen waar zijn, dan verbleken ze bij de strafbladen van de veroordeelde moordenaars, drugssmokkelaars en wapenhandelaars die Aristide verdreven en nu vrolijk voortgaan met vrij heersen, met volledige steun van de regering-Bush en de Verenigde Naties. Haïti overgeven aan die onderwereldbende uit bezorgdheid over Aristide’s gebrek aan «good governance» is als het ontvluchten van een vervelend afspraakje door een lift naar huis te accepteren van Charles Manson.

Een paar weken geleden bezocht ik Aristide in Pretoria, Zuid-Afrika, waar hij in gedwongen ballingschap leeft. Ik vroeg hem wat er werkelijk achter zijn dramatische val uit de gratie van Washington zat. Hij gaf een verklaring die je zelden hoort in debatten over Haïtiaanse politiek – in feite gaf hij er drie: «privatisering, privatisering en privatisering».

De onenigheid is terug te voeren op een reeks ontmoetingen begin 1994, een keerpunt in Haïti’s geschiedenis dat Aristide niet of nauwelijks heeft besproken. Haïtianen leefden onder het barbaarse bewind van Raoul Cédras, die Aristide afzette bij een door de VS gesteunde coup in 1991. Aristide was in Washington, en hoewel het volk riep om zijn terugkeer was er geen enkele manier waarop hij het kon op nemen tegen de junta zonder militaire back-up. De regering-Clinton, steeds meer in verlegenheid gebracht door de misdaden van Cédras, bood Aristide een deal aan: Amerikaanse troepen zouden hem terugbrengen naar Haïti – maar niet dan nadat hij had ingestemd met een ingrijpend economisch programma met het verklaarde doel om «substantieel de aard van de Haïtiaanse staat te hervormen».

Aristide stemde ermee in de schulden te betalen die waren opgebouwd onder de kleptocratische Duvalier-dictaturen, te snijden in het ambtenarenapparaat, Haïti open te stellen voor «vrije handel» en de invoerheffingen op rijst en tarwe met de helft te verlagen. Het was een waardeloze deal, maar, zegt Aristide, hij had weinig keus: «Ik was buiten mijn land en mijn land was het armste op het westelijk halfrond, dus wat voor macht had ik op dat moment?»

Maar de onderhandelaars van Washington stelden één eis die Aristide niet kon accepteren: de onmiddellijke verkoop van de Haïtiaanse ondernemingen die in handen van de staat waren, waaronder telefonie en elektriciteit. Aristide stelde dat ongereguleerde privatisering staatsmonopolies zou transformeren tot private oligarchieën, en de rijkdom van de Haïtiaanse elite zou vergroten en de armen hun nationale welvaart zou ontnemen. Hij zegt dat het voorstel gewoon niet klopte: «Eerlijk zijn betekent zeggen dat twee plus twee vier is. Zij wilden dat wij zongen dat twee plus twee vijf is.»

Aristide stelde een compromis voor: in plaats van de bedrijven stante pede te verkopen, zou hij ze «democratiseren». Dat definieerde hij als het opstellen van antitrust-wetgeving, garanderen dat opbrengsten van de verkoop werden herverdeeld onder de armen, en arbeiders in staat stellen aandeelhouders te worden. Washington deed water bij de wijn, en de uiteindelijke tekst van de overeenkomst – aanvaard door de VS en door een vergadering van donorlanden in Parijs – riep op tot «democratisering» van staats bedrijven.

Maar toen Aristide het plan begon te implementeren, bleek dat de financiers in Washington dachten dat al dat gepraat over democratisering slechts public relations was. Toen Aristide aankondigde dat er geen verkopen konden plaatsvinden voordat het parlement de nieuwe wetten had goedgekeurd, vond Washington dat vuil spel. Aristide zegt dat hij op dat moment besefte dat er werd geprobeerd een «economische coup» te plegen: «De verborgen agenda was om mij machteloos te maken zogauw ik terug was en me voor niets alle staatsondernemingen weg te laten geven.» Hij dreigde iedereen te arresteren die voortging met privatiseringen. «Washington was erg boos op me. Ze zeiden dat ik mijn belofte niet respecteerde, terwijl zij degenen waren die ons normale economische beleid niet respecteerden.»

Aristide’s relatie met Washington is sindsdien alleen maar verslechterd: terwijl ruim vijfhonderd miljoen dollar aan beloofde leningen en hulp werd ingetrokken, waardoor zijn regering verarmde, stortte USAID miljoenen in de schatkisten van oppositiegroepen, wat uiteindelijk resulteerde in de gewapende coup van februari 2004.

En de oorlog duurt voort. Op 23 juni riep Roger Noriega, staatssecretaris van Westelijk Halfrond-zaken, VN-troepen op om een meer «proactieve rol» te spelen in het vervolgen van gewapende pro-Aristide-bendes. In de praktijk betekende dit een golf van Fallujah-achtige collectieve afstraffing van wijken die erom bekend stonden dat ze Aristide steunden. Zo bestormden op 6 juli driehonderd VN-troepen Cité Soleil, blokkeerden uitvalswegen en openden het vuur vanuit gepantserde voertuigen. De VN geven toe dat er vijf doden vielen, maar bewoners stellen het aantal doden op niet minder dan twintig. Reuters-correspondent Joseph Guyler Delva zegt dat hij «zeven lijken in één huis zag, waaronder twee baby’s en een oudere vrouw van in de zestig». Ali Besnaci, hoofd van Artsen Zonder Grenzen in Haïti, bevestigde dat op de dag van de belegering 27 mensen naar de AZG-kliniek kwamen met schotwonden, van wie driekwart vrouwen en kinderen.

Maar ondanks deze aanslagen gaan de Haïtianen nog steeds naar buiten, de straat op – en wijzen de geplande namaak-verkiezingen af, verzetten zich tegen privatisering en houden foto’s van hun president omhoog. En net zoals de experts van Washington niet konden bevroeden dat Aristide een decennium geleden hun advies zou kunnen afwijzen, kunnen ze vandaag niet accepteren dat zijn arme aanhangers op eigen kracht zouden handelen – vast en zeker stuurt Aristide ze door een of andere geheimzinnige voodookunst. «We geloven dat zijn mensen instructies krijgen, direct via zijn stem, en indirect via zijn acolieten die persoonlijk met hem communiceren in Zuid-Afrika», zei Noriega.

Aristide zegt dergelijke krachten niet te bezitten. «De mensen zijn slim, de mensen zijn intelligent, de mensen zijn moedig», zegt hij. Ze weten dat twee plus twee niet vijf is.

Aaron Maté heeft geholpen bij de research

© The Nation