Essay: Do It Ourselves

Aristocratie van iedereen

Het actieve burgerschap bloeit. We wachten niet langer op de overheid, daar hebben we meer last dan profijt van. Steeds meer Nederlanders willen zichzelf besturen. ‘Hoera voor de actieve, naar autonomie strevende burger die hart heeft voor de buurt, en voor zichzelf.’

Medium groene essay do it ourselves

Er is een ander Nederland, een optimistischer Nederland dat meestal onder de radar van de media blijft. En ook buiten het zicht van al diegenen die het afgelopen decennium steen en been klaagden over de ‘verharding’ en ‘verhuftering’ van ‘het debat’ en het daadwerkelijke gedrag in de openbare ruimte.

De studies over ‘het populisme’ zijn niet meer aan te slepen. En boeken over ‘het Nederlandse onbehagen’ verschijnen, met telkens een net iets andere titel, al een paar decennia lang om de zoveel tijd. Maar wie een nauwkeuriger blik onder die radar werpt, ziet een opmerkelijke verschuiving ten goede. Nederlanders steken meer dan misschien wel sinds de jaren vijftig het geval was de handen uit de mouwen om de eigen straat, de eigen buurt of het hele dorp weer een zinvolle samenhang te geven, veelal door in praktische zin ergernissen of problemen aan te pakken, anderen te helpen, en zo zelf ook weer een gevoel van zingeving te ervaren.

Natuurlijk, dit nabuurschap, deze naastenliefde, hulpvaardigheid of dit pragmatisch idealisme is niet het afgelopen jaar uit de hemel komen vallen. Sinds jaar en dag is Nederland een van de koplopers op het gebied van particuliere initiatieven in de ontwikkelingshulp, inclusief natuurbescherming en mensenrechten. Meer dan vijf miljoen Nederlanders zijn vrijwilliger op wat voor terrein ook. Nederlanders zijn in Europa ook koploper als het gaat om het geven aan goede doelen, in eigen land of elders in de wereld.

Maar dit alles werd in deze vernetwerkte, digitale wereld door critici vaak betiteld als ‘dunne solidariteit’: een digitale handtekening op een condoleancesite, een digitale overmaking van een bedrag aan dit of dat doel. Het werd als een vluchtiger verbondenheid gezien dan vroeger: mensen zijn niet alleen zwevende kiezers geworden, maar ook zwevende donateurs. Vorig jaar aids, dit jaar Natuurmonumenten, volgend jaar iets met walvissen of een weeshuis in Sri Lanka.

De nieuwste wetenschappelijke studies naar burgerparticipatie bij de eigen leefomgeving wijzen echter uit dat er meer aan de hand is. Het actieve burgerschap groeit en bloeit als nooit tevoren. Overal schieten initiatieven van individuen als paddenstoelen uit de grond. Of het nu gaat om het helpen van de arme medemens, het oprichten van een eigen school, het opkalefateren van een verloederde winkelstraat of het gezamenlijk opwekken van eigen energie via zonnepanelen op het dak, de gemeenschappelijke noemer van al deze initiatieven is deze: we wachten niet langer op die overheid, daar hebben we meer last dan profijt van. Meer Nederlanders dan gedacht lijken nu de leus aan te hangen dat ze zichzelf moeten besturen en niet tevreden moeten zijn met eens per vier jaar een vakje rood maken op het stembiljet.

Als ik een typering zou moeten geven van dit opbeurende verschijnsel van de groeiende burgerbetrokkenheid bij de eigen omgeving, en de wijde wereld erbuiten, dan zou ik het trefwoord amerikanisering willen gebruiken. Maar dan de goede kant ervan. We waren al Amerika-in-het-klein geworden in de afgelopen decennia. De achterstandswijken groeiden in aantal, de sociale en economische segregatie nam toe, de arm-rijk-tegenstelling eveneens, en de veramerikaniseerde 24-uurseconomie is harder geworden: flexwerkers overal en bonussen voor de bobo’s in bedrijven, instellingen en banken. Maar de veerkracht die veel Nederlanders nu aan de dag leggen, ook en misschien wel juist in deze tijden van crisis, lijkt op het Amerikaanse optimisme: wacht niet tot anderen – lees: de terug­tredende overheid – je helpen, doe het gewoon zelf.

Maar, zult u zeggen, Nederland is Europa en heeft een heel andere geschiedenis dan Amerika. Amerika is immers gesticht door puriteinen en daar vormen de democratie en de religie de fundamenten onder het succes van de republikeinse democratie, met alle zelfredzaamheid en zelfbestuur van de burgers. En Nederland is een ontkerkelijkt, seculier land geworden dat in 1918 algemeen kiesrecht kreeg en waar de emancipatie van iedereen een halve eeuw later, in 1968, haar beslag kreeg. Nederland groeide na de Tweede Wereldoorlog ook uit tot een verzorgingsstaat die middels de grondwet van 1983 – die plichtencatalogus voor de overheid – de taak had voor alle mogelijke aspecten van het geluk van de burgers te zorgen. De burger was voortaan consument, klant of ‘kasplantje’ dat bediend en bewaterd diende te worden.

Als we Nederland met Amerika vergelijken ontkomen we er niet aan Tocqueville ten tonele te voeren. Zoals staatsrechtgeleerde Andreas Kinneging, die niet lang geleden een integrale, vuistdikke editie van het boek Over de democratie in Amerika bezorgde, stelde: ‘Een beter boek over democratie is er niet.’

De kern van het politieke bestel van de democratie dat Tocqueville in 1830 in Amerika zag was de ‘standsgelijkheid’. Maar voor hem was die democratie veel breder dan een louter politiek-staatkundig begrip. Zij omvatte alle omgangsvormen tussen de mensen en ook hun opvattingen, gevoelens en manier van doen in het algemeen. Zoals bekend zag hij de gevaren van die gelijkheid zeer goed in, namelijk het risico van de tirannie van de meerderheid en het milde despotisme. Daarom was volgens de Franse aristocraat, die zelf innerlijk van zijn geloof was gevallen, de religie de belangrijkste politieke institutie van de Amerikanen. Waarom? Omdat zij de democratie tempert en in goede banen leidt, net zoals ook de juristen een tegenwicht bieden tegen die tirannie van de meerderheid.

Een sterke centrale staatsmacht was wel noodzakelijk om de orde te handhaven en het land tegen externe vijanden te beschermen, maar deze staatsmacht diende zich zo min mogelijk met het maatschappelijk reilen en zeilen te bemoeien. Alleen in zo’n democratie kon vrijheid bestaan. Volgens Kinneging was dit ideaal van zelfbestuur en autonomie niets anders dan de overbrenging van het aristocratische levensideaal uit de Middeleeuwen naar de moderne situatie van standsgelijkheid. De goede democratie was volgens Tocqueville ‘dus een soort aristocratie van iedereen’.

Dat vind ik een heel mooie zin: democratie als ‘een soort aristocratie van iedereen’. Want bij het lezen van al die reportages in dit nummer krijg je een verheven gevoel over de verheven idealen van de vele beschreven burgers die zaken aanpakken, ten behoeve van anderen, en natuurlijk ook met een groeiend gevoel van eigenwaarde en betekenis voor zichzelf. Er is opmerkelijk weinig boosheid te bespeuren, veel meer domineert het aristocratische gevoel van noblesse oblige.

Het is een opmerkelijke ontwikkeling. Nederland is weliswaar altijd anders geweest dan het revolutionaire Frankrijk, waar na 1789 de ­gelijkheid tot stand werd gebracht door de macht te centraliseren op één punt: de staat. Zodat een overmachtige overheid kwam te staan tegenover een volk dat onderling weliswaar uit gelijke burgers was gaan bestaan, maar die burgers waren niet in staat zichzelf te helpen, laat staan elkaar, en werden intussen steeds afhankelijker van de staat: ‘Een nieuw soort horigen’.

Het is niet origineel om hier de misschien wel beroemdste zinnen uit het hele oeuvre van Tocqueville te citeren, en het is daarbij ook nog een lang citaat. Maar als we willen beseffen hoe groot de verandering in het heden van de burgerparticipatie is vergeleken met de halve eeuw na de Tweede Wereld­oorlog, die we het Tijdperk van de Verzorgingsstaat noemen, dan is het nuttig om die visionaire blik van Tocqueville van bijna twee eeuwen geleden over de gevaren van die gelijke democratie nog eens te lezen. Een van die gevaren was dat ‘zachtmoedig despotisme’ van een staat die, gelegitimeerd door de stem van de democratische meerderheid, uiteindelijk alles bedisselde. Men kan dat het noodzakelijke vaderlijke gezag noemen, maar het is een gezag dat niet aanzet tot volwassenheid, integendeel: ‘Zij probeert juist niets anders te doen dan hen onherroepelijk in hun kindertijd vast te houden; zij ziet graag dat de burgers genieten, mits zij alleen maar aan genietingen denken. Zij werkt met genoegen aan hun geluk, maar wil er de enige vertegenwoordiger en enige scheidsrechter van zijn; zij biedt hun veiligheid, kent en regelt hun behoeften, vergemakkelijkt hun genoegens, zorgt voor hun voornaamste zaken, staat aan het hoofd van hun activiteit, regelt hun erfopvolging, verdeelt hun erfenissen; waarom kan zij hun niet volledig de moeite van het denken en de last van het leven besparen? Zo maakt zij het gebruik van de vrije wil elke dag minder nuttig en zeldzamer; zo dringt zij de wil binnen een kleinere ruimte terug en neemt zij geleidelijk elke burger zelfs het gebruik van zijn eigen vermogens af. De gelijkheid heeft de mensen op al deze dingen voorbereid: zij heeft hen ertoe gebracht ze te ondergaan en vaak zelfs als een weldaad te beschouwen.

Na aldus elk individu een voor een in zijn machtige handen te hebben genomen, en hem naar goeddunken te hebben gekneed, strekt de soeverein zijn armen over de gehele samenleving uit; hij bedekt haar met een netwerk van kleine, ingewikkelde, minutieuze en eenvormige regels, waar de meest originele geesten en de sterkste zielen niet doorheen kunnen komen om de massa te overstijgen; hij breekt hun wil niet, maar verzwakt, verdraait en leidt die; hij dwingt zelden tot handelen, maar verzet zich er onophoudelijk tegen dat men handelt; hij vernietigt niet, hij belemmert het ontstaan; hij tiranniseert niet, hij hindert, hij onderdrukt, hij verstoort, hij dooft uit, hij stompt af en hij reduceert uiteindelijk elke natie tot een kudde schuchtere en vaardige dieren waarvan de staat de herder is.’

Dat schreef Tocqueville een halve eeuw voor Nietzsche hetzelfde zou schrijven, maar dan doelend op het christendom, en meer dan een eeuw voor Ayn Rand haar heftige pleidooien schreef voor een absoluut individualisme. Voor Tocqueville lag de oorzaak van dit democratisch despotisme juist in het individualisme, dat weer het gevolg was van de standsgelijkheid. Laatste citaat, opnieuw gekozen om het verschil tussen het hedendaagse Nederland met dat van zeg veertig jaar terug te onderstrepen: ‘Ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen. Elk van hen afzonderlijk staat als een vreemdeling tegenover het lot van alle anderen; zijn kinderen en zijn vrienden vormen voor hem het hele mensdom; wat de rest van zijn mede-burgers betreft: hij staat naast hen, maar ziet hen niet; hij raakt ze aan, maar voelt ze niet; hij bestaat slechts in en voor zichzelf en zo hij al familie heeft, kan men in ieder geval zeggen dat hij geen vaderland meer heeft.’

Oftewel, als men de democratie overlaat aan haar ‘wilde instincten’ resulteert dit in een materialistische samenleving van mensen zonder ‘esprit public’. Maar waarom is Amerika dan ‘een goede democratie’ geworden? Vooral door de religie en dat andere, praktische wondermiddel: het betrekken van de burgers bij het bestuur van eigen buurt, stad en land. Amerikanen kiezen niet alleen alle functionarissen, maar zijn zelf ook overal voor verkiesbaar. En dat is in Nederland nog steeds niet het geval. De pogingen tot bestuurlijke vernieuwing zijn in het laatste decennium jammerlijk gesneuveld: Nederland is institutioneel conservatief.

Dus rijst wederom de vraag: waarom gaat Nederland nu dan toch in de Amerikaanse richting als het gaat om het heft in eigen handen nemen? Hier is de religie immers verdwenen en wordt de staat immers nog altijd gezien als die goedertieren vader die voor ons moet zorgen? De verklaring vinden we niet in het zojuist verschenen rapport Vertrouwen in burgers van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr). Dat is een dik verslag van een rondgang door Nederland langs alle mogelijke mensen die ongevraagd de handen uit de mouwen steken voor een betere buurt, een betere wereld. Het geeft op basis van die duizend gesprekken wel een soort best practice van succesvolle burgeracties. De krenten en conclusies had de leider van dit wrr-project, Pieter Winsemius, overigens vorig jaar al samengevat in een jubileumboekje van uitgeverij Balans, onder de titel Zestien miljoen Nederlanders.

Een aanzet tot een verklaring van het ogenschijnlijk ongerijmde van mijn vergelijking van Nederland met Amerika wordt wel gegeven door Gabriël van den Brink, hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde in Tilburg, in zijn samenvatting van een eveneens omvangrijk, jarenlang onderzoeksproject naar burgerbetrokkenheid. De titel van zijn boekje is: Eigentijds idealisme: Een afrekening met het cynisme in Nederland.

Het spook van het negativisme, zelfs nihilisme, dat in zijn ogen rondwaart in Nederland berust op het filosofisch materialisme dat zich in het kielzog van de secularisatie overal in het Westen breed maakte. Dat leidde ertoe dat velen geloofden dat religieuze waarden, morele idealen en levensbeschouwelijke beginselen er in de moderne samenleving niet meer toe doen. De ontkerkelijking, de ‘rising expectations’ en de berichtgeving in de media die vaak handelt over wat verkeerd gaat, zijn hier debet aan. Sterker, als je de media mag geloven staat onze samenleving op het punt uiteen te vallen. Vandaar dat Van den Brink besloot met zijn team een onderzoek te doen naar ‘Het Hogere’.

Zijn conclusies zijn prikkelend. Het proces van modernisering heeft niet zozeer een secularisatie tot gevolg gehad als wel een differentiatie van geestelijke waarden. Goed, veel Nederlanders weten niet meer wat het woord ‘sacraal’ betekent en herkennen Het Hogere niet meer. Maar in zijn ogen is de sacrale orde, beheerst door priesters, vervangen door een orde van sociale aard en ook door een vitale orde, dat wil zeggen een orde waarin het fysieke en geestelijke welbehagen voorop staat. Uit al zijn enquêtes kwam naar voren dat sociale waarden het vaakst werden vermeld, daarna vitale waarden en pas daarna sacrale waarden.

Oftewel, Nederlanders gaan niet meer naar de kerk, kijken niet meer naar boven, voor de zingeving kijkt men vooral om zich heen, en ook naar zichzelf, hoe men zichzelf al mediterend of sportend kan verheffen.

De conclusie van Van den Brink is deze: ‘Het idee dat de Nederlandse bevolking uit calculerende burgers bestaat die hun eigenbelang vooropstellen, is volstrekt onjuist.’ En: ‘Het Hogere is hier niet zozeer verdwenen, maar het heeft zich op een wonderbaarlijke wijze in alle richtingen verspreid.’ Nederland lijkt dus wel geseculariseerd, maar historisch en socio­logisch bezien kunnen we beter zeggen dat het engagement met hogere waarden en geestelijke beginselen juist bloeit. Als empirische feiten voert ook Van den Brink de miljoenen bezorgde Nederlanders aan die lid zijn van een natuurorganisatie en al die miljoenen die vrijwilliger zijn voor iets.

De ondervraagden hanteerden geen verheven taalgebruik wanneer zij hun motieven aangaven. Ze handelen omdat ze zien dat mensen hulp nodig hebben, omdat ze met hen meeleven of omdat het hun voldoening geeft. Enigszins tot zijn verbazing bleek er geen tegenstelling te bestaan tussen de wens goed voor jezelf te zorgen en tegelijkertijd iets voor een ander te betekenen. Deze lichte verbazing wekt op haar beurt weer mijn verbazing. Uit alle relevante onderzoeken blijkt immers dat mensen die vol, actief in het leven staan meer vrijwilligerswerk doen. En het boek De altruïstische persoonlijkheid van Samuel en Pearl Oliner stamt al uit 1988. Daarin onderzochten zij de vraag waarom in de Tweede Wereldoorlog sommige mensen wel en andere mensen niet bereid waren hun leven te riskeren door anderen te helpen. Hun conclusie was simpel maar scherp: deze bereidheid was verklaarbaar uit hun karakter en levensstijl, kortom uit de sedert hun vroegste jeugd gevormde persoonlijkheid. De helpers hadden een jeugd gehad waarin discipline en bepaalde waarden een belangrijke rol speelden. En ze hadden het vermogen en verlangen om sterke banden aan te gaan met anderen. Daardoor voelden ze zich meer baas over hun eigen leven dan de doorsnee burger en waren ze eerder bereid mislukkingen te riskeren. Niet de externe omstandigheden en ook niet een rationele afweging van belangen gaven de doorslag om te helpen: ze hielpen automatisch. Alleen als er gekozen moest worden tussen het helpen van deze mens of die mens leden ze aan een tragische verscheurdheid.

Zowel Gabriël van den Brink en zijn onderzoeksteam als Pieter Winsemius en zijn wrr-onderzoekers die in de afgelopen jaren heel activistisch Nederland hebben doorkruist, tonen zich vooral verwonderd over al het elan dat er op de begane grond van de samenleving blijkt te bestaan. Ik sluit niet uit dat zij er beiden het afgelopen decennium van uitgingen dat het initiatief tot het betrekken van burgers bij het beleid van de overheid zelf diende te komen. In de praktijk, zeker na ‘de opstand der burgers’ in 2002, was dit ook het geval. Geschrokken organiseerden de diverse overheden inspraakronden, burgerpanels, enquêtes en wat niet al. Nu concludeert het wrr-rapport: ‘De resultaten zijn teleurstellend.’ De aansluiting op wat er echt leeft in de samenleving, en vooral op de burgers zelf, bleef uit. En juist die samenleving verandert, snel en onvoorspelbaar, en dus ook het burgeractivisme.

De tijd van massaprotest tegen bedrijfssluitingen, kernwapens, milieuvervuiling, leegstand en dergelijke is voorbij. Daar kon de overheid op reageren, want er waren altijd wel woordvoerders die om de tafel in Den Haag uitgenodigd konden worden. Nu is er sprake van kleinere buurtacties overal, van burgers die helemaal niet meer bezig zijn om de overheid te beïnvloeden, en deze gaan ook steeds vaker aan het traditionele middenveld voorbij. Het wrr-rapport geeft als verklaring voor de vervreemding in de afgelopen decennia in feite het bovengenoemde citaat van Tocqueville. Idea­liter beschouwen burgers de maatschappelijke voorzieningen waarvan ze intensief gebruik maken als de hunne: de huizen waarin ze wonen, de scholen waar hun kinderen leren, de zorginstellingen waarop ze in geval van nood kunnen terugvallen, de politie die zorg draagt voor de veiligheid van de buurten en in het verkeer, en het openbaar groen en de sportvoorzieningen waar ze recreëren. Veel van deze voorzieningen werden, om marktwerking te stimuleren, vanaf medio jaren negentig verzelfstandigd of geprivatiseerd. Het bracht rationalisatie in het openbaar bestuur teweeg, in termen van meetbare doelen, management van productieprocessen en prestaties voor klanten. ‘Het klantdenken duwde de burger in een passieve rol en nam zo prikkels weg voor actieve betrokkenheid.’ En zo kwam het dat mensen elkaar alleen tegenkwamen als ‘vertrouwde vreemden’: ze hebben niets met elkaar anders dan het delen van een (fysieke of virtuele) ruimte.

Al slaat het wrr-rapport de oorzaken van de omslag van het passieve gedrag naar het actieve gedrag goeddeels over, men heeft er op basis van al die bezoekjes aan opbouwwerkers, buurtwerkers en andere actieve burgers wel een drietal succesfactoren burgerbetrokkenheid voor weten te benoemen. Dat is: de aanwezigheid van ‘trekkers’ – mensen die zich inhoudelijk verbinden met een bepaald onderwerp en anderen in hun enthousiasme meenemen. Dat is: de aanwezigheid van ‘verbinders’ – ‘meertaligen’ die de schakel kunnen vormen tussen burgers en beleidsmakers. Daarnaast moet er respect zijn: burgers willen serieus genomen worden. En ten slotte moeten beleidsmakers een evenwicht vinden tussen loslaten en steunen.

Ook wordt opgemerkt dat onder burgers zo veel meer expertise is dan men in de hogere echelons van de overheid verwacht. De grens tussen professional/ambtenaar en amateur/burger vervaagt steeds meer. Burgers en frontlijnwerkers hebben vrijwel altijd een voorsprong ten opzichte van beleids­makers als het gaat om ervaringskennis. Sterker, de burgerparticipatie mag zich anno 2012 vooral afspelen op het niveau van de buurt, en die buurt is zo groot als je met een rollator of een kinderwagen kunt belopen, maar in die buurt wonen experts, de ingenieurs en de juristen die wel weten hoe ze een brief moeten schrijven, of, zoals bij Schiphol, een eigen geluidstest moeten ontwerpen.

Zo is de aloude rolopvatting dat bestuurders weten wat ze willen, dat ambtenaren over alle kennis beschikken en dat de burgers vooral denken vanuit hun eigenbelang, in deze tijden van internet en networked individualism een volstrekt achterhaald idee geworden. Individuele burgers hebben, tezamen, veel meer kennis en knowhow in huis dan vele ambtenaren die volgens de ideologie van het New Public Management, dat vanaf de jaren negentig het accent legde op technocratische dienstverlening, en door die andere ideologie van permanente functieroulatie, alleen nog managementkwaliteiten overhielden.

Dat de wrr zich hier nu zo over verwondert is overigens wel opmerkelijk. Als de wrr-leden de boeken van Amerikaanse topjournalisten als Malcolm Gladwell met zijn The Tipping Point (2000) en James Surowiecki met zijn The Wisdom of Crowds (2004) hadden gelezen, hadden ze al eerder kunnen weten dat de kracht van geslaagde probleemoplossing, ja van een geslaagde samenleving in het algemeen, niet ligt in een almaar sterker wordende Nanny State, maar in het inzetten van het elan en het vernuft van burgers.

Nederland is Amerika-in-het-klein geworden, maar nog niet helemaal. Er is, zo is ook in deze special te lezen, nog niet een anti-overheidsmentaliteit zoals die in bijvoorbeeld de Tea Party te vinden is. De actieve burgers die zorgen voor een betere buurt, een betere wereld die bij jezelf begint, willen wel degelijk een lagere of hogere overheid als ‘rugdekking’. Men wil het zelf doen, als het kan, maar men wil ook wel een ‘rommelbudget’ om acties mogelijk te maken. En men wil vooral wethouders en andere beleidsverantwoordelijken die de burgerparticipatie de ruimte geven die nodig is: die zich afzijdig houden als het kan, maar er zijn als het moet. Vertrouwen in elkaar is het sleutelwoord in alle studies over de autonomie van de burgers en de relatie met de overheden.

Maar kunnen we er ook op vertrouwen dat de hoopgevende ontwikkelingen die in deze special worden geschetst ‘duurzaam’ zullen zijn? Enig wantrouwen is hier helaas op zijn plaats. Ook al lijkt er een omslag gaande te zijn van de gekte van de schaalvergroting, fusies en nationale regel­geving, er zijn nog geen tekenen dat de bureaucratisering van het leven tot staan is gebracht. En alle acties van burgerparticipatie die nu te noteren zijn, lijken op een veenbrand. Acties komen op, bloeien even, en sterven dan soms weer een stille dood. Daar kunnen beleidsmakers niet tegen. Zij willen meerjarenplannen, structuren, kaders, randvoorwaarden en wat dies meer zij. Het blijft dus wachten op een overheid die welwillend maar gelaten toekijkt wat die burgers allemaal bedenken en doen, en die op het juiste moment de helpende hand toesteekt, en zich daarna weer terugtrekt, en zich dan beperkt tot het erop toezien dat er geen fundamentele wetten worden overschreden.

Die overheid weet echter nog niet om te gaan met dit nieuwe veenbrand-verschijnsel van opkomende burgeracties. Ook al verandert de koers van de overheid – al was het maar als gevolg van verkiezingen – zelf voortdurend, ambtenaren houden het liefst vast aan langetermijnafspraken en permanente controlemechanismen. Het vertrouwen van de ambtenarij in ‘de burger’ is volgens de wrr zeer laag. Er zou een vervolgstudie nodig zijn onder de ambtenarij – nu goeddeels de ontbrekende partij in beide studies – om in kaart te brengen hoe zij haar rol in de huidige wereld van ‘samenredzaamheid’ en wat de Britse premier Cameron ‘Big Society’ noemt eigenlijk ziet. Er zijn wel mooie initiatieven van individuele ambtenaren, zoals het project ‘Ambtenaar 2.0’, maar in den brede is de ambtenarij wel veel op cursus om bij te leren, maar een fundamentele andere rol is nog niet geformuleerd in deze 21ste eeuw, met aan de ene kant het vacuüm van de terugtredende overheid en aan de andere kant de oprukkende, activistische burger. Overheid en ambtenarij wankelen nog altijd heen en weer tussen dirigisme en loslaten.

Hoe het dit burgeractivisme zal vergaan is mede daarom nog niet duidelijk. Maar vooralsnog zou ik willen afsluiten met de conclusie: driewerf hoera voor de actieve, naar autonomie strevende burger die hart heeft voor de buurt, en voor zichzelf. Want, zoals Desmond Tutu ooit zei, wie een ander helpt wordt zelf groter. Het gevoel van eigenwaarde groeit, en daarmee de eigenwaarde van de natie als geheel. En dat kan in deze tijden van economische somberheid helemaal geen kwaad.


Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van m_aatschappij_, m __edia en cultuur aan de Erasmus Universiteit. Hij is tevens Academic Director van de Postacademische Dagblad Opleiding J_ ournalistiek PDOJ_