Laaghangende oordelen

Arm, leeg leven

‘Wie het laatste boek van Franca Treur, Hoor nu mijn stem, leest, legt het aan het eind vermoeid en leeg ter zijde’, schrijft dr. J.H. van Doleweerd in het Reformatorisch Dagblad.

‘En wat is haar alternatief, nu zij de geloofswereld heeft verlaten?’ schrijft dr. Ewald Mackay in dezelfde krant naar aanleiding van een televisieuitzending van Pauw. ‘De Nederlandse televisiewereld? Haar troosteloze feuilleton in Trouw? Moge zij God ontmoeten in de ruimte van het geloof dat ook het denken omvat.’

‘In de loop van het verhaal blijkt dat ze [hoofdpersoon Gina uit Hoor nu mijn stem] het geloof weliswaar kwijtgeraakt is’, schrijft Els Meeuse op de website van het christelijke literaire tijdschrift Liter, ‘maar er toch niets voor in de plaats heeft gekregen. En dat zorgt voor een innerlijke leegte (…) De roman laat je als lezer achter met een onbevredigend vacuüm.’

Small leegte 2

Een roman kan uiteraard op meerdere manieren worden geïnterpreteerd. Wanneer hoofdpersoon Gina, terwijl zij haar doodzieke bekeerde oudtante verzorgt, aan het einde van het boek eindelijk vindt waarvan zijzelf niet wist dat ze het zocht, wordt dat tot nu toe door de meeste lezers en critici als betekenisvol en hoopgevend ervaren, maar deze drie reformatorische lezers oordelen anders.

Het nadrukkelijk benoemen van de leegte in mijn werk of in mijn leven door reformatorische lezers/columnisten gebeurt al sinds mijn debuut, en doet behoorlijk obsessief aan. Het suggereert dat het leven van een ongelovige leeg is, en dat van een gelovige niet. En daarmee sluiten de rijen zich. Ach arme Gina uit het boek met haar lege leven, arme Franca. Nu ja, ze is zelf bij ons weggegaan.

Tijdens mijn schrijverschap heb ik veel kerkverlaters ontmoet. Wat zij allemaal gemeen hebben is de moeilijke verhouding met de achterblijvers. Zij hebben de groep verlaten, wat meestal als verraad wordt gezien, als iets wat een negatief oordeel inhoudt over degenen met wie zij tot dan toe hun leven hebben gedeeld.

Maar veel kerkverlaters willen helemaal niet veroordelend zijn. Hen is er veel aan gelegen om de band met familie en kerkelijke vrienden goed te houden. Uit respect trekken ze een rok aan als ze op familiebezoek gaan, laten ze zich door gelovigen vermanen over hun manier van leven en verdragen een gebed in hun bijzijn waarin gesmeekt wordt om terugkeer van hun ‘dwaling’.

Zingeving vindt op de grond plaats, en is niet per se het domein van religieuze experts

De meeste kerkverlaters willen namelijk ook niet zo’n radicale breuk. Ze kunnen alleen niet meer in een (persoonlijke) God geloven. Dat staat verder los van de liefde die ze voelen voor hun familie en vroegere vrienden.

Maar elk verwijt over de leegheid van hun leven ervaren ze wel degelijk als beledigend.

Niet dat er niet een kern van waarheid in zit. Het is de menselijke conditie dat een leven van alleen eten, drinken, slapen, geld verdienen en uitgeven niet bevredigend aanvoelt. Iedereen wil dat zijn leven meer is dan dat. Dat geldt voor gelovigen en niet-gelovigen.

Gelovigen zien het leven als een voorbereiding op de eeuwigheid. Hun leven op aarde staat in dienst van iets toekomstigs, groots en onbekends dat met vooruitwerkende kracht de leegte alvast opvult.

Het waren onder anderen de Duitse romantische filosofen en dichters Herder, Fichte, Heidegger en Jünger die zich afvroegen hoe dat nu moest als de samenleving God niet meer zou erkennen als een gezaghebbende en zingevende realiteit. Hoe moest je bijvoorbeeld het arbeidsethos duiden van de niet-religieuze mens? Waarom nog hard werken als je niet meer geloofde dat hard werken een goddelijke opdracht was? Zij waren het die de term ‘leeg’ muntten om het westerse kapitalisme te beschrijven dat ze zagen als geld verdienen enkel om daarmee nog meer geld te verdienen. Er was geen hoger doel meer. Er was alleen nog een kille, kapitalistische, oppervlakkige wereld zonder ziel, bevolkt door, zoals socioloog Max Weber het formuleerde, ‘genotsmensen zonder hart’.

Deze vorm van kritiek op de moderne samenleving, zo beschrijven Ian Buruma en Avishai Margalit in Occidentalism, vond gretig gehoor bij nationalisten en religieuzen, ook buiten het Westen, vroeger in Rusland en Japan, en de laatste decennia vooral bij moslimterroristen, zoals Mohammed Atta die met een Boeing het World Trade Center vernietigde. ‘Jullie houden van Pepsi, wij van de dood’, zei een jonge Taliban-strijder tegen een Britse krant tijdens de oorlog in Afghanistan. Bij de aanslagen op de Bataclan in Parijs gaf een terrorist de opdracht aan een van de gijzelaars om een stapeltje 50-eurobiljetten in brand te steken. Het achterliggende idee: dat is voor een ongelovige het ergste dat er is.

Op deze erg simpele visie op de secularisering kwam terecht veel kritiek. Met name de filosofen Gadamer en Habermas stelden dat religie in de geschiedenis van de mensheid altijd slechts één vorm is geweest van zingeving, naast talloze andere vormen. Op een alledaagse manier is iedereen altijd bezig betekenis te geven aan de dingen die hij doet, met het zoeken naar een thuis. Zin ontstaat in het gesprek tussen mensen, in de verbinding met anderen, met ideeën, en met de geschiedenis. Zingeving vindt op de grond plaats, en is niet per se het domein van religieuze experts. Het is de opdracht voor ieder mens.

Die eigen verantwoordelijkheid voel ik zelf heel sterk. Het christendom bood een kant-en-klare reden voor mijn verblijf op aarde. Die reden mis ik nu, maar al schrijvend zoek ik naar verbinding. Het feit dat ik gelezen word, rechtvaardigt mijn bestaan.

Hebben christenen en niet-christenen elkaar iets te zeggen? Christenen communiceren vooral onderling, via hun eigen media. Niet-christenen kijken en lezen niet mee, en voelen meestal niet de behoefte mensen te begrijpen die in ‘sprookjes’ geloven. Maar religie is, met de groeiende zichtbaarheid van de islam in Nederland, weer een publieke zaak. De luxe van de onverschillige positie kunnen we ons niet langer veroorloven. Laten we praten.