VAN ARISTOCRATE TOT FABRIEKSMEISJE

Arm rijk meisje

Andy Warhol begreep beter dan wie ook de waarde van de roem. De prijs van de roem, en hoe die te betalen, kende Edie Sedgwick als geen ander, zo toont de film Factory Girl.

WIE IS PARIS HILTON? Dat is een beroemde vrouw, overal op de wereld bekend en beschreven en zelfs aanbeden. En waarom is ze beroemd? Dat weet niemand. Omdat ze beroemd is. Omdat ze overal bekend is en overal wordt gefotografeerd, waardoor haar beroemdheid in stand wordt gehouden.
Je zou iets dergelijks bijna kunnen zeggen over Edie Sedgwick, de ‘muze van Andy Warhol’. Zij zou de (kunst)geschiedenis ingaan als de eerste echte ‘ster’. Maar waarom ze zo’n ster was?
Daar gaat de film Factory Girl over: de mechanismen van de roem. Over hoe iemand beroemd wordt, hoe een meisje een ster wordt, als ze maar een paar dingen mee heeft.
Edie Sedgwick heeft het een en ander mee. Ze stamt uit een oud aristocratisch geslacht. Haar familie van vaders kant tekende nog de Onafhankelijkheidsverklaring, en die van moeders kant bouwde New York. Oud geld, dus. Veel geld. En Edie groeit op in een beschermde wereld, met veel huizen en veel aangekochte goede smaak. Ze studeert kunstgeschiedenis in Parijs, leeft als een prinses in een sprookje.
Daarbij is ze mooi. Erg mooi. Dat valt ook andere mensen op, met name wanneer ze in 1965 naar New York gaat, aangetrokken door de beloften van de grote stad.
De film begint op Cambridge Art School, waar we Edie zien in een atelier. Ze praat met haar beste vriend Syd over kunst en de wereld. ‘Het lijkt alsof het land aan het desintegreren is. Het is alle hoop verloren’, filosofeert hij.
‘Er is altijd hoop’, antwoordt Edie, schijnbaar oprecht.
‘Yeah? Where’s the hope in that?’ vraagt Syd bezorgd en wijst naar een schilderij, of waarschijnlijk een reproductie ervan, van Jackson Pollock, een van zijn beroemde droppings. Waar is de hoop in dat soort kunst? Het is de eeuwige vraag van de traditie aan de avant-garde: waar moet dat naartoe met de kunst als er dergelijke dingen worden gemaakt? Dingen die mijn kleine nichtje ook zou kunnen maken. Het lijkt niet eens ergens op.
De camera glijdt door de ruimte en stopt bij een groezelig affiche voor een tentoonstelling van Andy Warhol met recent werk. De goeie ouwe behoudende Syd zegt: ‘People say he’s a no-talent freak’, daarmee zijn positie als buitenstaander bevestigend. Dan komt Edie met de cruciale visie: ‘Well, I mean, he’s changing the way we look at the world, isn’t he?’
En hoe Andy Warhol de manier waarop we naar de wereld kijken verandert, zien we in het vervolg van de film.

George Hickenlooper, die eerder onder andere Heart of Darkness maakte, de huiveringwekkende documentaire over het maken van Apocalypse Now, maakte voor zijn hoofdrollen precies de goede keuzes. Sienna Miller als Edie Sedgwick is geweldig, vooral door haar vele gezichten. Alsof we naar verschillende actrices kijken, zo kan ze zowel de jonge als de oudere, de blakende als de verloederde Edith Mintrum Sedgwick spelen. Guy Pearce als Andy Warhol is al even sterk, zij het dat hij min of meer het tegenovergestelde doet van Miller: Pearce moet vooral niet veranderen, maar steeds hetzelfde zijn, op het vlakke af. Hij maakt Warhol bijna transparant, etherisch, door zijn dictie en door zijn ijle manier van bewegen.
Het is halverwege de jaren zestig en we zijn in New York, in het pulserende centrum van de moderne kunst, Warhols studio The Factory. De meester zelf paradeert rond en groet enkele van de vaste gebruikers van het pand: ‘Rotten Rita, Silver George, Doris Dropout, The Turtle en… wie dat is weet ik niet. Wie is dat?’ Er komt een naakte jongeman op een rood driewielertje langsgereden. Mensen liggen languit op de bank te roken, te drinken. Er komt een injectiespuit langs, die achteloos in een bovenbeen wordt gestoken. Tegen de wanden staan de inmiddels bekende Warholia: de zeefdrukken van de bloemen, de Mona Lisa. In een hoek een stapel Brillo-dozen. Op de grond ligt stro en er komt een paard langs. ‘We maken een cowboyfilm’, zegt Warhol.
Vorig jaar had het Stedelijk Museum in Amsterdam een Andy Warhol-retrospectief, waar ook veel van zijn films werden getoond. En in die films zagen we steeds weer dezelfde vrouw optreden. Dat was dus Edie Sedgwick, over wie Warhol zei: ‘Er was in de jaren zestig één persoon die me meer fascineerde dan iedereen die ik ooit had gekend. De fascinatie die ik ervoer, lag waarschijnlijk heel dicht bij een bepaalde soort van liefde.’ Edie acteerde niet in Warhols films, ze moest vooral zichzelf zijn en niets spelen. Dat wilde Warhol registreren: Edie als ‘poor little rich girl’.
Warhol valt als een blok voor Edie en neemt haar op in zijn entourage, waar ze in korte tijd uitgroeit tot de ster, of zoals Warhol tegenover journalisten zegt: een superster. Aan de manier waarop dat gretig in een bloknootje wordt geschreven lezen we af dat dit de eerste keer is dat dat begrip wordt gebruikt. En dat zal kloppen. Warhol was de uitvinder van de superster, zoals hij de uitvinder was van de pop-art, de kunst die zich liet inspireren door alledaagse (gebruiks)voorwerpen. Hij nam doodgewone objecten en maakte ze iconisch. Denk aan zijn werken met soepblikken en colaflesjes – en natuurlijk Brillo-dozen. Zoals Edie het in een voice-over uitdrukt: ‘I always thought he was throwing America back in its face, turning the assembly line into a punch-line.’
Dat is mooi literair gezegd, dat van die lopende band die tot een grap wordt gemaakt, bijna te literair. Maar zo is de hele film een beetje. Op strategische momenten zien we aanplakbiljetten voor optredens van Beat Poets, slingeren er boeken van Kerouac rond, Bob Dylan komt langs, hetzelfde gekleed als op de hoes van zijn eerste plaat. De beelden van de Factory worden af en toe tot hallucinerende sequenties opgepompt, met Velvet Underground-muziek eronder, veel rood licht, schimmige mensen, injectiespuiten – een soort trip met copulerende mensen, rokende mensen, kussende mensen, schilderende mensen, en nog meer rokende mensen.
Factory Girl is een tocht door de kunstgeschiedenis en laat het ontstaan zien van ‘pop’. Niet alleen pop-art, maar een hele cultuur die is gebaseerd op wat ‘populair’ is. Het is soms bijna te clichématig, dat beeld van de jaren zestig zoals die werden beleefd in de wilde kunstwereld. Maar wellicht ging het er echt zo aan toe. Het is ook niet erg, de film is boeiend genoeg, met name door de manier waarop wordt verteld hoe roem werkt, waar die uit bestaat, waar die vandaan komt.

Als de verwachte confrontatie komt tussen Andy Warhol en de familie van Edie, dat wil zeggen de moderniteit die botst met de traditie, wordt het onontkoombaar vastgesteld: ‘Ik denk dat uw dochter superberoemd gaat worden’, zegt Warhol tegen moeder Sedgwick. ‘En wat is de waarde daarvan, mister Warhol?’ vraagt moeder oprecht verbaasd.
‘I think everybody wants to be famous.’
‘Well, I had much higher hopes for Edith’, besluit mevrouw Sedgwick, die door haar dochter bij haar klassieke naam te noemen de kloof met de Edie van The Factory definitief vergroot. Vanaf dat moment is Edie niet meer van haar, maar van Warhol en zijn mede-‘freaks’.
Dan gaat het ook mis. Het lag voor de hand, en het gebeurt: Edie doet eens gezellig mee en neemt een shot van het een of ander (‘Want a poke? It’s divine’) en het gaat al snel van kwaad tot erger. Haar schoonheid blijft lang onaangetast, maar haar vingers gaan meer en meer trillen wanneer ze de zoveelste sigaret opsteekt. Daar kan al haar geld niets aan veranderen.
Factory Girl maakt ons getuige van de ondergang van Edie Sedgwick, de muze van Andy Warhol, de vrouw die de hele wereld versteld deed staan door haar schoonheid, haar charisma en haar vanzelfsprekende talent om de aandacht op zich gericht te houden; de vrouw zonder wie Warhol niet al die buitengewone films zou hebben gemaakt, zonder wie The Factory niet was geweest wat het was. De eerste vrouw ‘who brought sex-appeal to American high society’. De vrouw ook die als eerste beroemd was omdat ze beroemd was.
‘Iedereen zal vijftien minuten beroemd zijn’, profeteerde Warhol, visionair als hij was. Hij begreep de mechanismen van de celebrity-wereld. Dat sterren werden gemaakt en weer afgebroken. Meedogenloos. En hij was in staat mensen naar zijn hand te zetten. Edie Sedgwick was zijn persoonlijke favoriet. Van bleu, getroebleerd meisje werd ze de muze van de belangrijkste kunstenaar van dat moment. Daar moeten we ons overigens niet iets romantisch bij voorstellen, ondanks wat Warhol zei over zijn fascinatie die bijna op liefde leek, want Warhol was eerder een parasiet dan een vriend.
De kiem van de moderne-kunstwereld werd gezaaid in die dagen, op die plek. Warhol is de peetvader van de hedendaagse leegheid en oppervlakkigheid in de kunst, waar stijl gaat boven boodschap, vorm boven inhoud. De film laat genadeloos zien hoezeer de kunst in staat is te manipuleren en zichzelf te verkopen als een hoer.
Hoe gehecht is Warhol aan de vrouw die hij graag zijn grote inspiratie noemde? Hoe diep gaat zijn ‘liefde’, hoe serieus is zijn respect, hoe oprecht zijn bewondering? Wanneer het slecht gaat met Edie, en zij werkelijk een keer zijn hulp nodig heeft, laat hij haar zitten.
Het is een cruciale scène. We zien Warhol in een restaurant, tijdens een belangrijk etentje, en Edie komt binnen. Ietwat wankelend, want ze is niet in goede doen. Ze is begonnen aan haar neergang, die spoedig een echte ondergang zal worden. Ze vraagt, smeekt, bidt Andy om hulp. Ongemakkelijk en beschaamd tegenover zijn tafelgenoten wimpelt hij haar af. Edie is machteloos. De rolverdeling is duidelijk. Er is er maar één de baas en dat is Andy Warhol.
Een paar keer komt ter sprake dat Edie toch ook dingen moet hebben gemaakt, ze zat per slot van rekening op de kunstacademie. Warhol vraagt of hij iets ervan mag zien. Dat gebeurt niet. Als het de tekeningen waren die we in de eerste scène zagen hangen in het atelier (paardenhoofden en hoofden van paarden), dan is dat maar beter ook. Het benadrukt dat Edie haar roem niet te danken had aan grote creatieve of artistieke talenten, maar aan het feit dat ze Edie Sedgwick was, beroemdheid.

Nu te zien in de bioscoop