Armageddon

Staat de euro er nu werkelijk zo slecht voor als politici, media en economen in binnen- en buitenland beweren, of is Europa slachtoffer van een collectieve zinsbegoocheling, gevoed door een zucht naar aandacht, sensatie en spektakel?

De afgelopen twee jaar is herhaaldelijk de noodklok geluid: ten minste vijf keer werd ons op bijna paniekerige toon te verstaan gegeven dat we ons op een onherroepelijk keerpunt bevonden en ingrijpende maatregelen nodig waren om ons voor het uiteenvallen van de eurozone te behoeden. Ook de afgelopen weken werd ons weer een financieel Armageddon in het vooruitzicht gesteld; gezaghebbende kranten, politici en economen wilden ons zelfs doen geloven dat we al midden in de eindtijd van de euro zitten.

Tot nu toe liep het evenwel niet zo’n vaart. Eén woord van een bankpresident was genoeg om de beurzen vijf procent te laten stijgen. Het systeem oogt weliswaar fragiel, maar blijkt toch taaier dan ons wordt voorgespiegeld. En dat is niet het enige feit dat te denken geeft en vragen oproept – vragen, waarop de media, net als de politici en economen, geen antwoord geven en die een afgewogen oordeel over de situatie in de weg staan. Zo is immers ook niet vast te stellen wie nu de grootste slachtoffers van deze crisis zijn en – vooral ook – wie er van deze crisis profiteren.

Nu moeten we de ernst van de situatie natuurlijk niet bagatelliseren. Er is sprake van fundamentele economische problemen – te beginnen met de scheve verhoudingen binnen de muntunie – en de ‘reële economie’ is, getuige de oplopende werkloosheidscijfers, gestaag achteruit gekacheld. Maar of we daaruit mogen concluderen dat de euro op het punt staat te vallen, zoals vorige week nog eens breeduit werd betoogd, is nog maar de vraag. Neem bijvoorbeeld de internationale wisselkoersen: de waarde van de euro ten opzichte van de dollar ligt nog steeds vijftig procent hoger dan bij haar introductie tien jaar geleden. Crisis of geen crisis, de fluctuaties in de wisselkoers vertonen al jarenlang een betrekkelijk stabiel patroon en dat wijst toch op een aanhoudend vertrouwen van de internationale geldhandel in de gemeenschappelijke munt.

Nu valt die stabiliteit wel te verklaren. De waarde van de munt is immers een gemiddelde, enerzijds gebaseerd op de nog altijd sterke economieën van landen als Duitsland en Nederland, anderzijds op de wankele eurobroeders. Daarbij profiteert de eerste groep landen al jarenlang van het feit dat de problemen in de zwakke economieën de koers van de euro laag houden: zolang de euro minder dan 1,45 dollar opbrengt, kunnen ze extra goedkoop exporteren. Landen als Duitsland en Nederland hebben er dus geen belang bij de eurozone te verkleinen – en valutahandelaren weten dat. En mocht het om een of andere reden toch zo ver komen, dan zal de waarde van de euro zeker omhoog schieten.

Er is geen twijfel over mogelijk dat de zwakke eurolanden zowel absoluut als relatief de zwaarste tol betalen. En dat komt niet alleen door de wisselkoersen, die hun exportpositie betrekkelijk uitzichtloos maken. Ze moeten ook op andere wijze bloeden. Je hoeft geen aanhanger van samenzweringstheorieën te zijn om te begrijpen dat er ook partijen zijn die van deze crisis schatrijk worden, te beginnen met de financiers die de door Europa gegarandeerde leningen tegen een hoge rente aan Spanje, Italië en Portugal verstrekken, en de verzekeraars die de risico’s van deze staatsleningen afdekken. Of er werkelijk gespeculeerd wordt, blijft onduidelijk – zelfs de Financial Times moest vorige week erkennen dat er geen onderliggende economische redenen waren die konden ver­klaren waarom de rente op Spaanse obligaties ineens begon te stijgen tot boven de zeven procent. Hoe dan ook doet elke nieuwe onheilstijding over een financieel Armageddon ergens de kassa rinkelen.

In deze slepende financiële crisis lijken de media en de politiek al te makkelijk mee te gaan in een door sensatiezucht gevoede crisisretoriek, waarbij extreme standpunten en ­partijbelangen volop ruimte krijgen, de ene hype de andere opvolgt en ieder debat ontaardt in een kakofonie. En zoals het vaak gaat in de sfeer van de economie verwordt crisisnieuws gemakkelijk tot een self-fulfilling prophecy. Als iedereen roept dat het slechter gaat, gaat het ook slechter.

Terwijl de mechanismen en de machten die de terugkerende financiële stuiptrekkingen veroorzaken of daarvan profiteren goeddeels onderbelicht blijven, zijn wij, als burgers en nieuwsconsumenten, langzamerhand het zicht op de ontwikkelingen rond de euro kwijt. We weten niet hoe we er werkelijk voor staan en of deze crisis inderdaad slechts verliezers kent, zoals wordt gesuggereerd. Wat resteert, is een gevoel dat wij, Europa, een speelbal zijn geworden van oncontroleerbare – of in ieder geval: onzichtbare – financiële machten en processen.