Arme buren

VROUWKJE TUINMAN
BUURVROUW
Nijgh & Van Ditmar, 160 blz., € 16,50

Een bespreking van de nieuwe roman van Vrouwkje Tuinman, Buurvrouw getiteld, laat zich als vanzelf schrijven in het meest voor de hand liggende recensentenproza. In alles, opbouw, ongrijpbaarheid, vlinderstijl, verraadt zich de dichterlijke achtergrond van Tuinman. Deze schrijfster/dichteres is er niet op uit de wereld dicht te timmeren met een geschiedenis die loopt van a naar z, via b en c, integendeel: ze suggereert het volle, aardse leven door middel van kleine, losstaande miniatuurtjes. Het zijn doorzonkijkjes op een afbraakflat bevolkt met kleurige medelanders en trashy autochtonen, die dan weer schitteren als briljantjes en dan weer scherphoekig zijn als glas. De korte lucide schetsjes, geraffineerd ondergebracht in drie genummerde delen, doen tezamen een indringend totaalbeeld oprijzen van de moderne stadsbewoner die zich moet zien te verhouden tot zijn woonomgeving.
In het geval van Buurvrouw een navrante situatie, aangezien de ik-verteller een fijnbesnaarde kunstenares is, principieel niet-drinkend en ziekelijk bovendien, die bijzonder geluid- en mensgevoelig is en ook nog ’s slaapproblemen heeft. Met bedrieglijk eenvoudige middelen schetst de schrijfster een wereld waarin het rustzoekende individu wordt achtervolgd door graafmachines, buurtbarbecues en kruideniersmentaliteit. En anders wel door hinderlijke bemoeizucht en belangstelling, en eigengebakken koekjes ter ere van het suikerfeest toe.
In Buurvrouw geen personages met een naam, een uiterlijk en een geschiedenis, en toch – en dit is het kleine wonder van deze dito roman – doemen de karakters in heel hun onvergetelijke kostelijkheid op om allengs de contouren te krijgen als speelden zij de hoofdrol in een Russisch absurdistisch drama: het buurjongetje van nummer 7, de bovenbuurjongen die continu Van Dik Hout draait, de mevrouw van de woningbouw, de wél drinkende geliefde, de poes die Muis heet, de winkelier met het hoge voorhoofd en de jongen die ten onrechte vindt dat hij een buurman is.
Tuinman heeft een nietsontziende blik op het burgermansbestaan, waarin praatjes voor de vaak aan de orde van de dag zijn. Als het meisje van de natuurwinkel aan de ik-figuur vraagt hoe het met haar gaat, kan zij met die vraag niet uit de voeten. Tuinman beschrijft het wurgende dilemma waarmee haar personage vervolgens komt te kampen op een manier die ik niet eerder zo geprononceerd en existentialistisch onder woorden gebracht zag: ‘Ik vind dat een ongemakkelijke vraag. Weinig specifiek. Een echt sluitend antwoord geven is lastig, en wil ik bovendien niet. Als ik wil weten hoe het met iemand gaat, vraag ik hoe het rijexamen is gegaan. De kijkoperatie. Of de keuze, sinds ik die persoon de laatste keer in de winkelstraat tegenkwam, op de lichtgroene luxaflex is gevallen of toch op gebroken wit. Dan kan de ander antwoord geven en zelf doorschakelen naar iets belangrijkers of actuelers. Iets waar hij echt over wil praten. Ik wil met de meeste mensen niet echt ergens over praten. Bijvoorbeeld over dat ze er niet zo gezond uitzien. Het meisje van de natuurwinkel ziet er niet zo gezond uit. Grauw en mager. Geen goede reclame voor natuurvoeding.’
Met die laatste opmerking gunt Tuinman ons ook nog eens een bescheiden inkijkje in haar buitengewoon originele en mild geestige denktrant. Het ongezond ogende personeel van natuurvoedingswinkels, daarover heb ik nou nog nooit iemand gehoord.
In de barre werkelijkheid die de schrijfster met huiverend mededogen gadeslaat lijken mensen sowieso niks anders aan hun hoofd te hebben dan elkaar aan de praat te houden zonder écht iets te zeggen, voedsel in de frituur te gooien en geen idee te hebben in welke bus ze stappen, waarmee ze doelgerichtere reizigers tot onnoemelijke last zijn. Ook plegen deze mensen in het weekend naar de woonboulevard te gaan ‘en kopen kasten die je zelf in elkaar moet zetten’. Erger nog: deze mensen, in Tuinmans wereldbeeld stelselmatig betiteld als ‘de andere mensen’, weten ook welk zeepbakje thuis nog ontbreekt als ze een nagebouwde badkamer in een woonwarenhuis betreden.
Van dat soort kennis heeft de fijnbesnaarde ik-vertelster geen last. Zij leest en schrijft, doet de was en boodschappen, bezoekt de sportschool (met stadspas, vanzelfsprekend tot groot wantrouwen van ‘de anderen’, want dan moet je immers wel héél erg weinig verdienen) en de apotheek, en krijgt haar geliefde op bezoek die ze dan een glas wijn inschenkt. Gelukkig vindt hij het niet erg om op het balkon te zitten, in tegenstelling tot haar ex-geliefde. ‘Te koud, te veel publiek.’
Tuinman bewijst dat er geen grote gebeurtenissen nodig zijn om een menselijk drama te verbeelden, en dat je een boek kunt publiceren ook zonder dat je moeite zou moeten doen om een gedachte onder woorden te brengen, een ieniemienie spanningsboogje te introduceren, een ratio te ontwikkelen voor een indeling in drieën, en – om maar iets ordinairs te noemen – ergens naartoe te werken. Gewoon: je volstaat met zinnen die even beladen als nietszeggend zijn, en vertrouwt erop dat de lezer de gaten vult, en erin trapt, in deze literatureluur.
Laten we wel wezen – en nu komt er een knoepert van een burgermansmening: dit oervervelende boek van Vrouwkje Tuinman berust op een misverstand.