Europa biedt Mr. Terror weinig zekerheden

Arme Gijs de Vries

Naar aanleiding van de aanslagen in Madrid benoemde de Europese Unie Gijs de Vries tot Europees veiligheidscoördinator. Nederland blij, maar bij terreurbestrijding moet de effectiviteit centraal staan, niet de verdeling van de baantjes.

Het antwoord van de Europese Unie op de bomaanslagen van 11 maart in Madrid is buitengewoon teleurstellend. De verklaring die de ministers van Binnenlandse Zaken vorige week in Brussel ondertekenden, dringt aan op de implementatie van eerder genomen maar nimmer uitgevoerde maatregelen die op zichzelf al onvoldoende waren om het hoofd te bieden aan de uitdaging van 11 september 2001. In een lachwekkende «solidariteits clausule» beloven de lidstaten elkaar na een terroristische aanslag — met andere woorden: wanneer het te laat is — bij te staan met medische teams, snuffelhonden en groeps therapeuten.

Over deze «inspanningen» moet dan weer worden gerapporteerd door een «coördinator» die in de wandelgangen al de eufemistische bijnaam Mister Terror heeft gekregen. Rond de Haagse dorpspomp werd verheugd gereageerd op de benoeming van voormalig europarlementariër en staatssecretaris Gijs de Vries in deze functie. Alweer een Nederlander op een hoge Europese post! Die vreugde bewijst maar weer hoe provinciaal we zijn. Daarmee is niets ten nadele van De Vries gezegd: hij is een Europeaan in hart en nieren en waarschijnlijk de beste man die Nederland voor zo’n post ter beschikking heeft. Dat neemt niet weg dat een zwaargewicht uit een van de grote lidstaten, liefst Groot-Brittannië, de voorkeur verdiende. Bij terreurbestrijding moet de effectiviteit centraal staan, niet de verdeling van de baantjes. Hoe moeilijk het is dat inzicht in praktijk te brengen, bleek op hetzelfde moment in Washington.

Daar getuigde Richard Clarke, de man die onder vier opeenvolgende presidenten leiding had gegeven aan de Amerikaanse terreur bestrijding, voor de Nationale Commissie inzake Terreuraanslagen op de Verenigde Staten, kortweg de 9/11-Commissie genoemd. Net als in zijn boek Against All Enemies: Inside America’s War on Terror maakte Clarke in zijn tweeënhalf uur durende verhoor duidelijk dat een effectieve bestrijding van het hedendaagse terrorisme stuit op enorme bureaucratische weerstanden: de rivaliteit tussen veiligheidsdiensten, het politieke misbruik van inlichtingenmateriaal en de neiging van bestuurders het terrorisme te reduceren tot een conventioneel probleem dat vraagt om conventionele maatregelen, variërend van grenscontroles tot militaire interventie.

Het meest onthullende hoofdstuk in Clarkes boek gaat over de gang van zaken in het Witte Huis in de eerste 24 uur na de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon. Gebruikmakend van bandopnamen en eigen notities geeft Clarke een overzicht van de gesprekken, videoconferenties en telefoontjes tussen de president, zijn ministers en adviseurs en de hoofden van allerlei federale diensten. Binnen twee uur na de aanslagen voert hij een veelzeggend telefoongesprek met Dale Watson, hoofd terreurbestrijding van de FBI. «We hebben de hand gelegd op de passagierslijsten van de luchtvaartmaatschappijen», zegt Watson: «We herkennen sommige namen, Dick. Ze zijn van al-Qaeda.» Clarke reageert als door een wesp gestoken: «Hoe zijn die dan godverdomme aan boord gekomen?» Antwoord: «Hé, niet schieten op de boodschapper, vriend. De CIA heeft vergeten ze aan ons door te geven.»

Hier was geen sprake van vergeetachtig heid, maar van institutionele domheid die van bovenaf leek te worden gesanctioneerd. Het veiligheidsteam van George Bush heeft de dreiging van al-Qaeda nooit serieus genomen, aldus Clarke. De adviseurs van zijn voorganger Bill Clinton deden dat wél, met als gevolg dat de president indien nodig werd ingeseind zodat hij de directeuren van FBI, CIA en andere veiligheidsdiensten met de koppen tegen elkaar kon slaan. Zo konden diverse terreurdaden, waaronder een bomaanslag op de luchthaven van Los Angeles en de ontploffing van een Algerijnse tanker met vloeibaar gas in de haven van Boston, worden voorkomen. Zodra dit besef van urgentie onder een nieuwe president wegviel, sloeg de beruchte «inter-agency rivalry» weer toe. Clarkes boek bevestigt de ervaringswet dat de vis altijd rot vanaf de kop: waar het de politieke leiding ontbreekt aan de wil is terreurbestrijding onbegonnen werk.

Binnen de EU-lidstaten heerst gelukkig minder rivaliteit tussen de veiligheidsdiensten, maar het wantrouwen tussen diensten van verschillende landen is des te hardnekkiger. Het grootste obstakel is de gebrekkige relatie van de continentale veiligheidsdiensten met de Britse, die veel nauwer samenwerken met hun Amerikaanse dan met hun Europese collega’s. Het tweede obstakel is de tegenstelling tussen enerzijds de grote lidstaten die ervaring hebben met grensoverschrijdend terrorisme en beschikken over een volwaardig concept van nationale veiligheid, en anderzijds de kleintjes wier ervaring niet verder reikt dan een incidentele bomaanslag of kaping op eigen bodem. Het enige wapenfeit van Nederland sinds «9/11» is de overhaaste arrestatie van vier verdachten in Rotterdam die behoorden tot een internationale cel die door de Franse veiligheidsdiensten werd geobserveerd. De Fransen, die vonden dat de vier langer bespied hadden moeten worden, zullen niet gauw meer namen van verdachten aan Den Haag doorspelen.

Alleen al daarom had de coördinatie van de Europese terreurbestrijding moeten worden toevertrouwd aan een zwaargewicht, afkomstig uit een grote lidstaat en voorzien van een hotline naar de premiers en ministers van Binnenlandse Zaken van alle lidstaten. Zo’n functionaris zou veiligheidsmensen uit verschillende landen met de koppen tegen elkaar kunnen slaan. Nu vergaderen de vertegenwoordigers van politie, justitie en inlichtingendiensten nog gescheiden. De enkele jaren geleden opgerichte Europese Counter-Terrorist Task Force is zelfs al weer opgeheven omdat er niets uitkwam. De Vries, afkomstig uit een land dat nog niet heeft ingestemd met de invoering van een Europees Arrestatie bevel en dat weigert Ira-verdachten aan Londen en Eta-verdachten aan Madrid uit te leveren, zal in deze kringen weinig indruk maken.

Zijn benoeming is eerder een symptoom van de Euromalaise dan een deel van de oplossing. Net als op veel andere terreinen tekent zich op inlichtingengebied een kopgroep af van landen die enerzijds achter gesloten deuren zaken met elkaar willen doen en anderzijds een voortrekkersrol willen spelen in de Europese Unie als geheel. De inkt van de Brusselse verklaring was nog niet droog of de ministers van Binnenlandse Zaken van Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, Italië en Spanje maakten bekend dat hun veiligheidsdiensten voortaan afzonderlijk om de tafel gaan zitten. «Wij hebben toch de meeste mensen, de meeste middelen en de meeste ervaring», aldus de Franse minister Sarkozy: «Als de anderen ons willen volgen, dan kan dat.» Het akelige is dat hij nog gelijk heeft ook, maar het is opnieuw een symptoom van het probleem, geen oplossing.

De Europese manoeuvres rond De Vries doen denken aan de verbanning van Clarke naar de wandelgangen van de macht gedurende de eerste acht maanden van de regering-Bush. De huidige veiligheidsadviseur Condoleezza Rice is een academica, gepromoveerd op de Koude Oorlog, en de mensen die zij om zich heen verzamelde — de inmiddels overbekende «haviken» als Dick Cheney en Paul Wolfowitz — zijn Koude-Oorlogsveteranen die denken in termen van de vorige oorlog in plaats van de volgende. Hun fixatie op territoriale vijanden, in de eerste plaats Irak, maakte hen blind voor de aard en omvang van de dreiging van al-Qaeda en daarom onontvankelijk voor de steeds alarmerender memoranda van Clarke en de zijnen. Daarbij moet worden aangetekend dat ook Clarke zelf het werkelijke gevaar onvoldoende onderkende. Hij dacht tot het laatste moment dat al-Qaeda niet zou toeslaan op Amerikaans grondgebied, maar op Amerikaanse doelen overzee.

Ook de Europese regeringen lijden aan die fixatie, zij het in mindere mate dan de Amerikaanse. Zoals uit de verklaring van de ministers van Binnenlandse Zaken blijkt, zijn de Europese regeringen echter in één opzicht minstens even blind als George Bush en zijn adviseurs. Ze willen niet inzien dat, zoals Clarke in zijn laatste hoofdstuk overtuigend schrijft, het islamistische terrorisme in laatste instantie een uitvloeisel is van een ideologische strijd in de islamitische wereld zelf. Onze beste bondgenoten in die strijd zijn de gematigde, moderne politici en bewegingen in islamitische landen, ook al is hun machtspositie in sommige van die landen (bijvoorbeeld Saoedi-Arabië) marginaal en in andere landen (bijvoorbeeld Egypte) juist disproportioneel groot omdat ze er steunen op een log en vaak perfide onderdrukkingsapparaat.

Wie de laatste twee Arabische ontwikkelingsrapporten van de Verenigde Naties leest, vindt daarin genoeg aanknopingspunten om met geld, goede wil en wederzijds respect te werken aan een politieke en intellectuele «opening» van de Arabische wereld. In plaats daarvan kregen we een oorlog in Irak. Als «antwoord» op 11 september 2001 was die oorlog volgens Clarke funest omdat hij koren op de molen van het islamisme betekende en tegelijk de energie en middelen opslokte die hadden kunnen worden besteed aan de ideologische strijd om dat islamisme de wind uit de zeilen te nemen. Op dat laatste terrein is de regering-Bush nooit verder gekomen dan wat doorzichtige pr-exercities, waarvan zij het toch al magere resultaat zelf onderuit haalde door een oorlog tegen een Arabisch land te beginnen op basis van leugens. De Europese Unie is zelfs daartoe niet in staat. In de verklaring van Brussel ontbreekt elke verwijzing die van enig dieper inzicht in de materie zou kunnen getuigen. Arme Gijs de Vries. Arm Europa.