Arme lezer

Lelijk zijn we

Lelijk, zo lelijk, ja, steeds lelijker
bewegen we ons door de binnenstad.
De goede handel die ons lichaam was
vervloog en bijna elke winkelruit
verspreekt zich en beledigt nu je hoofd.

We hadden haren, wimpers en gezichten,
we leefden, legden lippen tegen lippen
en hielden tot de laatste komma vast
aan het gesjacher dat ons lichaam was.

Te koop. Te koop. De winkelstraat vergaat
van jeugd en hoop op een gelikter hoofd,
geliefden lopen glashard door je heen.

Jugend, Jugend. ‘Nicht zu haben.’ Ik las
dat in het Paradijs geen spiegels waren.
In het evangelie van Marcus ontmoet Jezus een man die door onreine geesten bezeten wordt. Hij is geketend, loopt dag en nacht te schreeuwen en mutileert zichzelf met stenen. Wanneer de wonderdoener hem vraagt hoe hij heet, antwoordt de man: 'Mijn naam is Legioen, want we zijn met velen.’ Jezus beveelt de onreine geesten, overigens op hun eigen verzoek, de man te verlaten en zich op een kudde varkens te werpen. 'Toen de onreine geesten de man verlaten hadden, trokken ze in de varkens, en de kudde van wel tweeduizend stuks stormde de steile helling af, het meer in, en verdronk in het water.’ De patiënt is op slag genezen.
Een dichter die met de titel van zijn bundel aan dit verhaal refereert, suggereert niet alleen dat het boek vele stemmen tot spreken brengt, maar ook dat het dichterschap een vorm van schizofrenie of een persoonlijkheidsstoornis is. Menno Wigman (1966) heeft sinds zijn debuut, vijftien jaar geleden, zorgvuldig het imago van een gedoemde dichter gecultiveerd. In gestileerde verzen bracht hij een bijna negentiende-eeuws ennui onder woorden. Weliswaar was zijn poëzie expliciet in onze tijd gesitueerd, maar de toon ervan herinnerde aan Baudelaire’s Fleurs du mal en op de meer heftige momenten aan Trakl. Dat had iets kunstmatigs. Je kreeg de indruk dat de dichter slechts speelde dat hij zijn demonen maar nauwelijks de baas kon.
Nu Wigman halverwege de veertig is, lijkt de flirt met het spleen tot een serieuze depressie te zijn geëvolueerd. Poëzie van gelukkige dichters is doorgaans grenzeloos vervelend, we lezen nu eenmaal liever over weemoed, verdriet en verlies, maar de somberheid die Wigman in zijn nieuwe bundel presenteert, is uitzichtlozer dan ik in lange tijd onder ogen heb gehad. In het eerste gedicht, Tot mijn pik, is het meteen raak:

Het wordt wat koud. De dagen zijn van glas,
gewapend glas en Seroxat. Zocht ik
een woord voor alles waar geen woord voor is,
ik geef het op. Je bent een zak, een zak
ben je dat dat je ook nu weer dicht.

Leggen de openingsgedichten van menige bundel contact met de lezer, hier is de dichter alleen met zijn geslacht, dat hij toespreekt alsof het niet echt van hem is. De spreker is alleen en zit muurvast. De hopeloosheid komt tot uitdrukking in de vorm van het gedicht, een typerend stramien dat ik ooit het 'Wigman-sonnet’ genoemd heb: vier strofen van respectievelijk vijf, vier, drie en twee regels. Het keurslijf is strak en symboliseert het ervaringsfeit dat alles uiteindelijk een aflopende zaak is.
Na de proloog wordt in vijf afdelingen een lading ellende over de lezer uitgestort waarvan deze niet zal opknappen. Winkelstraten in de regen, een verpleeghuis, een psychiatrische inrichting, een vuilstort, een dubieus café in Griekenland, een eenzame rukker achter een pc - Wigman biedt geen sprankje vreugde. In Medelijden met de lezer worstelt de dichter met een reader’s block en ziet hij ook de zinloosheid van het schrijven in, maar de enige manier om de lezer te sparen bestaat er kennelijk in hem toch met alle misère op te zadelen:

En dit gedicht dat geen gedicht wil zijn,
dat op zijn rug ligt en geen daglicht krijgt,
in godsnaam, wat moet ik ermee? Geef toch toe
dat je steeds stroever woorden aan elkaar reeg,
toen moe werd van je delicate geest,

toen medelijden met de lezer kreeg.

Het bijna overdadige rijm, de assonanties en alliteraties en woordherhalingen maken voelbaar hoezeer de spreker in zijn zwartgalligheid zit opgesloten. Vanaf 'in godsnaam’ poogt hij uit het dwangbuis van de vijfvoetige jambe te ontsnappen, maar twee regels verder legt hij zich al weer neer bij zijn dodelijke vermoeidheid.
Enkele malen wordt de naargeestigheid doorbroken door geweld en vernielzucht. Zonder wellust roept Wigman de sfeer van Noord-Hollandse dorpen op, waar werkloze jongeren hun verveling te lijf gaan met bier en messen: 'Knokkels, bloed, een ster, een mes, geschreeuw./ De hemel is hier hard en crimineel.’ In andere gedichten staat hij stil bij uitgestotenen die het niet gered hebben:

Daar heeft die man gelegen, dag en nacht -
na tachtig kranten vond men hem, plat, zwart,
met op zijn borst de laatste resten van een kat.

Zelfs erotiek schenkt weinig soelaas: 'Berlijn. Ik had geneukt en nam een douche./ Toen sloop de Holocaust weer in mijn hoofd.’ Tegen deze achtergrond komen de twee laatste gedichten van de vijfde afdeling als een verrassing. Ik herademde opgelucht toen ik ineens dit las: 'ze spon me in// met heupen en verhalen, oogwit, lipstick, blik. (…) Zo vonden we de schuilkerk van haar bed.’ Het laatste gedicht is ronduit euforisch: 'Oneindig wakker is ze, warm en trots en zacht,/ en mooi, zo mooi, ik krijg het niet gezegd.’ Wigman zal toch niet ineens gelukkig worden? Hoe moet het dan met zijn poëzie?
In de epiloog duikt voor het eerst in de bundel de zelfspot op die de vroegere Wigman zelden verliet. De dichter huilt, weet dat hij zijn leven aan moedeloze verzen vergooid heeft, maar eindigt strijdbaar: 'ik wil in zestigduizend hoofden ruisen (…) voor ik de weg van alle boeken ga/ en roemloos bij De Slegte sta.’ Onnodig te zeggen dat De Slegte hier een burgerlijke variant van Satan is. Misschien is er toch nog hoop.

MENNO WIGMAN
MIJN NAAM IS LEGIOEN
Prometheus, 72 blz., € 14,95