Disney-dierenliefde

Arme, lieve Bambi

De kijkers moesten zich in zijn films kunnen verliezen in de fijne dierenwereld. De romantisering daarvan was een enscenering van een verloren kindergeluk. Was Walt Disney eigenlijk een dierenactivist?

‘Bambi’, Walt Disney © Archives du 7e ART/DR / HH

Ga naar de dierentuin, kregen ze bij de Disney Studio te horen toen ze in 1937 begonnen aan Bambi. De opdracht kwam van Walt Disney himself. De man die het tekenfilmbedrijf had opgericht, was ook de bedenker van elke bioscoopfilm die het inmiddels produceerde. En als een visionair ondernemer pionierde hij niet alleen met nieuwe animatietechnieken, maar wilde hij het publiek ook geven waar het onbewust naar verlangde.

Dat hebben we geweten. De films uit de begintijd van zijn studio betoveren tot op de dag van vandaag kinderen over de hele wereld, en stomen ze klaar voor een bezoek aan Disneyland. Met vermaak alleen bereik je zoiets niet. Waar Disney in investeerde, was een diepe, emotionele betrokkenheid met zijn getekende figuren. Hij wist kinderen, en het kind in de volwassene, te raken door oergevoelens op te rakelen. De aantrekkingskracht van wilde dieren bijvoorbeeld, en het menselijke verlangen om dicht bij ze te komen. De mooiste scène uit Sneeuwwitje, Disney’s eerste lange film, was de schoonmaakactie van de verdreven prinses in het rommelige huisje van de zeven dwergen. Alle vogels en dieren uit het bos kwamen Sneeuwwitje daarbij helpen, op de muziek van haar schoonmaakliedje. Een toonbeeld van harmonie tussen mens en dier.

Met Bambi wilde Disney een stap verder. Het zou de eerste film worden die zich ver weg van de mensenwereld afspeelde. De rechtop lopende, half aangeklede dieren waar de Disney Studio mee groot was geworden – Mickey Mouse en Donald Duck waren zijn eerste populaire cartoonhelden – kwamen er niet in voor. En ook geen dieren die over onmogelijke krachten beschikken, zoals het olifantje Dombo dat met zijn buitenmaatse oren kon vliegen, en de virtuoos musicerende beestenbende uit Fantasia. In Bambi kregen de dieren weliswaar een stem, maar ze barstten niet in zingen uit. De groots georkestreerde muziek vertolkt de stemming van de hoofdpersonen en de seizoenselementen: wat zingt zijn de regendruppels en de wind.

Wat Bambi zo dicht mogelijk moest benaderen was de natuur. Honderden wildfoto’s van bosdieren vormden het studiemateriaal van de tekenaars en animatie-artiesten. De beste dierentekenaar van Amerika kwam anatomielessen geven en de hoofdfiguren van de te maken animatiefilm werden in levenden lijve naar de studio gehaald. Een konijn en een stinkdier kwamen rondscharrelen op een werktafel en in de tuin werden twee jonge hertjes gehouden die dezelfde naam kregen als in de film: Bambi en Feline. Slapstick en comedy, de basis van Disney’s tekenfilmtaal, moesten deze keer voortkomen uit een precieze nabootsing van dierlijke bewegingen en handelingen. Zoals het eerste opstaan van een pasgeboren hertje op wiebelige spillepoten. Ook het verhaal van de film was experimenteel ‘natuurlijk’. Het volgde geen slapstick-plot of een spannend sprookje, maar het opgroeien van een hert in vier wisselende seizoenen. Het wonder van zijn transformatie van een wankel kalfje tot een volwassen geweidrager die zelf weer vader wordt.

Het resultaat was de klassieker die de kijkers vervulde van hun diepgevoelde, aangeboren dierenliefde. En hen voor het leven traumatiseerde. Zeg Bambi en iedereen siddert bij de herinnering aan het jagersschot dat in het bos klinkt, waarna het aandoenlijke jonge hertje eenzaam in de sneeuwstorm om zijn moeder roept. De natuurlijke cyclus van het leven, die het Disney-concern later nog eens juichend zou bezingen in The Lion King, werd hier wreed verstoord door Bambi’s ergste vijand: de mens. Die niet alleen een geweer bij zich droeg, maar ook verantwoordelijk was voor een bos verwoestende brand.

Met de cartoonwet dat elk figuurtje altijd alles overleeft, werd in Bambi wreed gebroken

Vanuit het dierenperspectief maakte Disney de angst voelbaar die de mens hen aanjaagt. Als Bambi’s moeder aan de rand van de open vlakte stilstaat, het hertenlijf gespannen, het hoofd opgericht en de oren gespitst, kunnen de filmkijkers de geur van de mensenvijand bijna ruiken. Dat Disney haar liet doodschieten, was echt een statement. Met de cartoonwet dat elk figuurtje altijd alles overleeft, die dan toe het verloop van zijn films bepaalde en zijn universum geruststellend lichtvoetig maakte, werd in Bambi wreed gebroken.

Was Walt Disney dan een dierenactivist? De films die onder zijn bezielende leiding (tot aan zijn dood in 1966) zijn vervaardigd, propageren opvallend vaak een harmonieus samenleven van mens en dier. Dombo was een protest tegen het misbruiken van olifanten voor circusamusement; de scène waarin het babyolifantje van zijn moeder wordt gescheiden nadat zij voor hem is opgekomen – haar slurf die tussen de tralies van haar kooi door Dombo voor de laatste keer streelt – is bijna net zo traumatisch als de dood van Bambi’s moeder. In 101 Dalmatiërs was de ultieme slechterik een dame die de gestippelde vachten van jonge hondjes wilde gebruiken voor een bontmantel. En Jungle Boek toonde het uitzinnige geluk van een jongetje dat in de jungle opgevoed wordt door wilde dieren, maar daar van hen niet mag blijven omdat hij later een mens wordt met een geweer en tijger Shere Khan hem daarom alvast wil opeten.

Geïnspireerd door de natuurstudie voor Bambi met z’n sferische, soms tekstloze vertelling begon Disney bovendien in de jaren vijftig met het maken van razend populaire en Oscar winnende natuurdocumentaires. Onder de titel True Life Adventures toonden die het leven van wilde dieren in nog ongerepte Amerikaanse natuurgebieden, voorzien van warm commentaar en gemonteerd op muziek. Rivaliserende prairierunderen stootten hun gehoornde koppen tegen elkaar op een aria van Verdi, vogelspinnen baltsten op een tango. Op persoonlijke aanwijzing van Disney werd de aanwezigheid van (filmende) mensen uit de beelden weg gehouden, zodat de documentaires expliciet een ode waren aan de wonderen der natuur, maar impliciet ook aan de wonderen der opnametechniek. Nog altijd is Disneynature, een dochterbedrijf van de Disney Studio’s, een vooraanstaand producent van meeslepende natuurdocumentaires, zoals The March of the Pinguins uit 2005.

We kunnen stellen dat Walt Disney de relatie van film- en tv-kijkers met (wilde) dieren heeft geïntensiveerd. Hij zorgde ervoor dat mensen zich in hen konden inleven. Maar de manier waarop hij dat deed, was ook versluierend. Disney was in eerste instantie een verhalenverteller, en zelfs in zijn documentaires werden de dierenbelevenissen gedramatiseerd, emotioneel ingekleurd en voor een publiek van alle leeftijden geschikt gemaakt. Het effect daarvan zou ook wel eens haaks kunnen staan op het oproepen tot activisme. Onder de titel ‘Dieren zien creperen wekt woede en betrokkenheid’ wijdde Martijn van Calmthout, wetenschapsmedewerker van de Volkskrant, onlangs een column aan een recent onderzoek van Parijse universiteitsecologen. Die stelden een ranglijst op van de dieren met het meeste charisma. Door dierentuinbezoekers, schoolkinderen en bezoekers van internetfora te vragen welke dieren ze het leukst vinden. En door de diersoorten in Disney-films te turven. ‘Want Disney weet wat de mensen leuk vinden’, aldus Van Calmthout.

De uitkomst van het onderzoek, gepubliceerd in het tijdschrift PLOS Biology, is een opmerkelijke samenhang tussen de tien populairste dieren – allemaal groot wild zoals de leeuw, de olifant, de tijger en de gorilla –, de mate waarin zij met uitsterven worden bedreigd én het gegeven dat hun noodsituatie niet leidt tot grootscheepse (protest)acties onder de menselijke liefhebbers van deze dieren. Veronderstelling van de ecologen: een gevoel van urgentie over de aanstaande verdwijning van groot wild wordt ondergraven door hun alomtegenwoordigheid in de beeldcultuur. En alomtegenwoordig zíjn Disney’s dieren, niet alleen in de blijvend populaire films en de daaruit afgeleide musicals, maar ook in de overweldigende merchandising waarmee het concern nog altijd de Disney-dierenliefde kapitaliseert.

Uit zijn films spreekt een verlangen naar het grote, warme gezin dat Disney zelf niet had

Van Calmthout legt in zijn column de link met de fanatieke reddingsacties die op touw zijn gezet voor de van de honger creperende grootgrazers in de Oostvaardersplassen. Zulke gruwelbeelden maken geen deel uit van het Disney-universum, dat grossiert in goede aflopen en de consument vóór alles een fijne ervaring wil bieden. Het schot op Bambi’s moeder vond plaats buiten beeld, het ontzielde lichaam was voor het verweesde hertje niet terug te vinden. De verwoestende bosbrand in de film maakte geen zichtbare slachtoffers, en het bos was in het navolgende lentetafereel weer magisch groen. En met het charisma-onderzoek in gedachten is het voorstelbaar dat ook Disney’s romantisering van dieren en hun vermeende gevoelsleven vertroebelend werkt op het menselijke besef van hun naderende uitsterven. Omdat daarmee een illusie van nabijheid wordt gecreëerd.

Hoe ver Disney ging in die romantisering wordt duidelijk als je zijn animatiefilms legt naast de bronnen waarop ze zijn gebaseerd. Mowgli uit Jungle Boek is in de verhalen van Rudyard Kipling geen onschuldig, rondhuppelend jongetje. Hij is zo aangepast aan de jungle waarin hij is opgegroeid dat hij net zo goed kan jagen als zijn vrienden beer Baloe en panter Bagheera. En die vrienden zijn bij Kipling weliswaar zorgzaam, maar ook grof in de omgang; ze uiten hun dierlijke kracht door hem herhaaldelijk bont en blauw te meppen. Disney laat Mowgli als hulpeloze baby in de jungle belanden, maar bij Kipling is hij al een kleuter als tijger Shere Khan zijn ouders wegjaagt. Hij heeft dus een herinnering aan het kwaad dat de tijger hem heeft berokkend, en de verwachting is dat hij, eenmaal volwassen, zich op het roofdier zal wreken. Dat gebeurt dan ook: als Shere Khan bij een door Mowgli veroorzaakte runderstampede wordt verpletterd, vilt het mensenkind hem en houdt de tijgerhuid als trofee.

Disney ontnam dus de jungledieren waar Mowgli mee bevriend raakt hun woeste gewelddadigheid, en verdeelde ze in joviale goedzakken en gevaarlijke slechteriken. Het mensenkind hervindt zijn identiteit niet als tijgerdoder, maar beseft waar hij thuishoort als een lieftallig meisje uit het dorp hem de jungle uit lokt. Disney veranderde Kiplings mooie én wrede jungle in een speelparadijs vol dieren waar je mee kunt zingen en dansen. In de heerlijke ritjes die Mowgli maakt op de rug van Bagheera en op de buik van de in het water drijvende Baloe zijn de jeugdherinneringen terug te vinden waar Walt Disney zo graag over vertelde. Hij herleidde zijn liefde voor dieren en voor comedy naar zijn jeugd op de boerderij, waar het varkentje Skinny hem overal volgde en hij na een dolle rit op een zeugenrug regelmatig in een modderplas belandde.

Shere Khan en Kaa, originele animatietekening van Milt Kahl voor Jungle Book © Collection of The Walt Disney Family Foundation

In The Magic Kingdom, de diepgravende biografie van Walt Disney uit 2001, verwondert schrijver Steven Watts zich erover hoe de filmtycoon zijn imago ontleende aan zijn afkomst als plattelandsjongen. Disney’s ‘jeugd’ op de boerderij vond plaats tussen zijn vierde en zijn achtste jaar. Zijn vader wisselde voortdurend van werk. Omdat hij vanwege zijn strenge geloof weigerde om kunstmest te gebruiken voor de gewassen was ook de boerderij geen succes en verhuisde het gezin weer naar de stad waar vader zich in de krantendistributie stortte. Voor de twee oudste broers van Walt was de tijd op de boerderij een verschrikking omdat ze van hun vader non-stop mee moesten werken. Maar voor Walt, die nog te jong was om te werken, moet het leven op de boerderij geweldig zijn geweest: hij kon vrij rondrennen en met de dieren spelen. Tot hij uit dit paradijs werd weggerukt en er een nare tijd aanbrak voor de achtjarige. Zijn oudere broers waren het gezin ontvlucht, en nu was het aan Walt om zijn ploeterende vader bij te staan in het rondbrengen van de kranten.

Disney’s romantisering van het dierenrijk en van de vriendschap tussen mens en dier was een enscenering van een verloren kindergeluk. Uit zijn films spreekt bovendien een verlangen naar het grote, warme gezin dat hij zelf niet had. In zijn natuurdocumentaires werd de zorg van dierenouders voor hun jongen geïdealiseerd, en de hoofdpersonen van zijn ficitieverhalen zijn doorgaans verloren figuurtjes die te vroeg hun ouders kwijtraken en op eigen benen moeten leren staan. In de portrettering van dierenouders verwerkte Disney zijn eigen opvoeding door een zorgzame moeder en een afstandelijke, dominante vader.

Zo ook in Bambi. De film was gebaseerd op Bambi, eine Lebensgeschichte im Walden, een roman voor volwassenen van de Oostenrijkse schrijver Felix Salten. Die vertelde het levensverhaal van het opgroeiende mannetjeshert met meer animaal realisme. De verwijdering tussen Bambi en zijn moeder is bij Salten van begin af aan een thema: moeder hert laat haar jong regelmatig alleen om haar bronstige natuur achterna te gaan. Bambi’s machtige vader, die Disney vanaf een rots de geboorte van zijn zoon laat gadeslaan, is in het boek lang afwezig. En van Saltens wat onverschillige paaractie van Bambi met Feline maakte Disney een voorbestemde romance die al wordt aangekondigd als de twee jonge hertjes giechelend met elkaar spelen.

Van de film is een dvd in de handel met als bonus een documentaire waarin de – door een stenograaf genoteerde – brainstormsessies van Disney met zijn creatieve team opnieuw zijn ingesproken door acteurs. Daaruit blijkt hoe bewust de makers zich losmaakten van het boek. De menselijke jagers, bij Salten aanwezig als een continue dreiging, werden in de film onzichtbaar gemaakt. Want: ‘We willen de mens niet op één lijn zetten met het publiek.’ De kijkers moesten zich dus vrijelijk kunnen verliezen in de fijne dierenwereld, zonder herinnerd te worden aan het dierenvlees op hun bordjes waar hun collega-mensen met hun geweren voor hadden gezorgd. Ook lees je aan de gesprekken af dat Disney moeite had met de rol van de bloeddorstige wilde honden die aan het eind van de film Feline in het nauw drijven zodat Bambi haar kan redden. Hij verzucht dat eigenlijk alle dieren uit het woud elkaars vrienden moeten zijn. De man die zijn studio bevlogen maar behoorlijk tiranniek leidde, streefde in zijn verbeelding naar de opperste harmonie.

De opdracht aan de tekenaars en animatie-artiesten om de bosdieren zo realistisch mogelijk uit te beelden bleek in de praktijk niet werkbaar. De geschetste dieren waren te vlak en misten het uitdrukkingsvermogen van een cartoonfiguur. De ontwerper van Dombo, die het olifantje geïnspireerd had op zijn eigen baby, werd erbij gehaald om de filmdieren te verlevendigen. Disney’s werknemers moesten op zoek naar karakteriserende maniertjes voor de hoofdpersonages. ‘Het gaat om de persoonlijkheid van het diertje’, hoor je Disney zeggen. ‘De dieren moeten zo veel expressie en karakter hebben dat het publiek vergeet dat zo’n diertje er in werkelijkheid anders uitziet.’

Het was Walt Disney zelf die hier het paradoxale effect van de disneyficatie uit de doeken deed. Hij heeft ons dichter bij de dieren gebracht, maar laat ons tegelijkertijd vergeten dat het dieren zijn.