Arme stinkerds

Komende week volgt de uitspraak in het proces tegen de twee verplegers die zeven puissant rijke dames zouden hebben vermoord. André du M. en John H. zorgden naar eigen zeggen met hart en ziel voor de vrouwen, ook al waren die ‘volledig incontinent van urine en ontlasting’.
DE HAAGSE rechtszaal ziet er niet aantrekkelijker uit dan de eerste de beste cel in een huis van bewaring. Recht wordt hier gesproken tegen een achtergrond van rode, onafgewerkte baksteen. Zelfs het portret van onze majesteit weet de ruimte geen cachet te geven. Het is de laatste dag van het proces tegen de twee Haagse ex-verplegers André du M. (40) en John H. (37). Du M. zoekt als eerste zijn weg naar de beklaagdenbank. De slungel is veel te lang voor zijn ego en schuifelt gebogen in de richting van zijn verdedigers. Wanneer hij zijn pleiters de hand schudt, hangt zijn neus bijna op zijn navel. Zijn verschijning is nietszeggend. Hij draagt een donkere broek onder een volstrekt kleurloos colbertje, en zijn gelaat, met als enig vermeldenswaardige trek een donkere maar bescheiden snor, is nauwelijks een bijzin waard.

Deze sukkel van veertig jaren is driekwart van zijn leven een eenvoudige jongen uit een volksbuurt geweest. Tot het moment dat hij verpleger werd in de verzorgingstehuizen Waalsdorp en Clingenbosch. Hoofdverpleegkundige wel te verstaan - in zijn enthousiasme liet hij zich door de fine fleur van bejaard Nederland zelfs aanspreken als Dokter Du M.. Hij verzorgde er adellijke weduwen, verwanten van ons vorstenhuis en familie van rijke industriëlen. Alles oud geld van hen die way beyond bekakt zijn, mensen die een parelketting of een iets te opzichtige auto niet chic maar ordinair vinden. Te midden van hen speelde André de rol van Grote Verlosser en droeg menig oudje netjes afgelegd over aan de kisters.
Dan zijn kompaan, de strijdlustige John H., die zich qua uiterlijk tot André verhoudt als Mini tot Maxi. John H. is een bikkertje. In spijkerbroek en streepjesoverhemd lijkt hij niet de kersverse miljonair en weduwnaar die hij in werkelijkheid is, maar eerder een middelbare scholier die het begrip mode nog vreemd is.
DE WONDERLIJKE geschiedenis van de twee bejaardenmoordenaars speelt zich af in een van ’s lands schoonste buitenwijken aan de rand van het Haagsche. Deze historie, fraaie ende alwaer, is er een van twee volksjongens die even mochten proeven van de schatten en rijkdommen die liggen opgeslagen aan de Hollandse Rivièra nabij Wassenaar. André du M. staat terecht voor de moord op zeven bejaarde dames, te weten zijn schoonmoeder Mevrouw A. Mutsaers (1980), C. van Tour (1991), C. Gualthérie van Weezel, moeder van het oud-kamerlid (1993), E. de Roock (1994), E. van den Brandhof (1994), C. Roëll, oud-secretaresse van Koningin Juliana (1995) en de meervoudig miljonaire A. Sloos-Fischer (1996). Du M. zou ze met medicijnen als morfine en insuline om het leven hebben gebracht. John H. wordt alleen verdacht van de moord op de vijfennegentigjarige Sloos-Fischer, met wie hij kort voor haar dood in het huwelijk trad. De erfenis van 3,6 miljoen gulden zouden ze te zijner tijd verdelen.
De twee worden ook verdacht van diefstal en heling van sieraden, servies en schilderijen uit de boedels van hun slachtoffers. De eis tegen André luidt levenslang, die tegen John vijftien jaar cel. Andrés vrouw Anneke en Johns ex-echtgenote Léon (tevens zus van André) werkten op kleine schaal mee in het familiebedrijf. Voor hun aandeel in de diefstal en heling werden ze veroordeeld tot dienstverlening en voorwaardelijke gevangenisstraffen.
Het is een tot de verbeelding sprekende zaak, met de ingrediënten van een klassieke tragedie: een vette erfenis, vergiftiging, en de strijd tussen arm en rijk, jong en oud. Komende week doet de rechter uitspraak en wordt duidelijk wie moet hangen. Zal dat John H. zijn, die veel wegheeft van een snode orkestrator van kwade zaken, of wordt het barbertje André, die meer de indruk maakt een goeiige sufferd te zijn, iemand die zijn eigen onbenullige leventje oversteeg door God te spelen voor zijn patiënten?
Tijdens de laatste procesdag wordt het psychologisch onderzoek naar André du M. gepresenteerd en hebben de verdachten recht op een laatste woord. Op het rapport van de psycholoog hebben André noch zijn advocaten veel aan te merken. Daarin wordt hij neergezet als iemand met ‘een open en naïeve houding tegenover de omgeving’, zonder 'behoefte om te domineren’, 'niet egocentrisch, eerder afhankelijk’, iemand 'die veel waarde hecht aan vriendschap en collegialiteit’. De kans op herhaling acht de psycholoog nihil. Het rapport van de psychiater valt iets minder gunstig uit. Hij concludeert dat André in de periode van de moorden leed aan een 'overweldigend zelfbeeld’ en acht de kans op herhaling, zolang André in de zorgsector werkt, wèl mogelijk.
Of André nog wat te zeggen heeft, wil rechtbankpresident Verheij weten. Niet veel, alleen een paar feitjes, die klopten niet. André doet zijn best om de rechter ter wille te zijn en zo keurig mogelijk te protesteren: 'Dat laatste, Edelachtbare ('Ejulagbège’), klopt niet met de overeenstemming van de daadwerkelijke situatie zoals die was bij mevrouw Sloos-Fischer. Ik was gesteld op mevrouw.’
UIT DE RAPPORTAGES komt Du M. naar voren als een normale vent zonder ziekelijke stoornissen. Hij is geen psychopaat en heeft geen gebrekkige persoonlijke ontwikkeling doorgemaakt. Alleen: hij kan de aanblik van ernstig lijdende mensen niet verdragen. In de onderzoeken wordt dat verklaard aan de hand van twee gebeurtenissen die een onuitwisbare indruk op hem hebben gemaakt. Allereerst was er de dood van zijn schoonmoeder, en daarnaast nog een geval van actieve euthanasie dat hij als verzorger van dichtbij meemaakte. Volgens de psychiater hield Du M. hier een obsessieve drang tot pijnbestrijding aan over, wat, zoals bekend, bij menige oude dame heeft geleid tot een weliswaar iets voortijdige maar dan toch zachte dood.
Dan is de beurt aan John H., voor diens laatste woorden. Nou, die heeft hij wel. Hij wil er graag bij gaan staan, recht de rug, steekt het borstje vooruit en trekt een kop van: 'Had je wat?’ John vraagt de edelachtbare permissie om zijn lange betoog voor te lezen, het kon niet korter, aangezien er ook enige 'gevoelskwesties’ aan bod zullen komen, en dat alles uitgaande van 'hetgene wat er daadwerkelijk is gebeurd’. Rechter Verheij sputtert wat tegen, maar stemt uiteindelijk met zichtbare tegenzin toe, om vervolgens anderhalf uur lang de tirade van deze verongelijkte verdachte aan te horen. Tientallen keren heeft hij, John H., al gesteld dat hij valselijk wordt beschuldigd op basis van de meest waanzinnige leugens. Hij zou mishandeld hebben, maar dàt laat hij dus niet zomaar even over zichzelf zeggen. Nu is hij aan zet, of in zijn eigen taal: 'Nu is dus eindelijk eens het woord aan mij en dat wil ik graag in mijn eigen woorden doen.’
Onderwijl zinkt Andrés hoofd verder naar zijn schoenen. Van hem zal tijdens het vervolg van de zitting nog slechts een zacht gesnik hoorbaar zijn.
Johns aanklacht kaatst heen en weer van getuigen naar rechtbank naar ex-vrouw naar ex-collegae naar verbalisanten naar pers, tot aan de samenleving in het algemeen. Een constante in zijn jeremiade vormt de toonhoogte van zijn tot in het diepst van de stembanden verontwaardigde ziel. De stem klimt en klimt, tot John toe is aan de politie ('du fubβlisantu’) en met gemak zou kunnen doorgaan voor een moderne castraat. Want wie was er het liefst voor de bejaarden? Wie kreeg er altijd taartjes? En gebakjes? En een extra toetje? Hij toch zeker. Maar dββr hoorde je die konkelende verpleegsters in de rechtszaal niet over.
Ja sorry hoor, een van die zeven getuigen die op hem wijzen, een van die… vrouwen, kende hem niet eens! Die verpleegsters die altijd maar 'dingen doorbeppen’ zouden eens naar zichzelf moeten kijken. Als je ze zo bij elkaar zag, màn, gewoon 'tupperware-verhalen’ wat ze vertelden. John vraagt de rechter om verschoning, want hij kan dit gekonkel maar op één manier samenvatten: 'In mijn eigen woorden gesproken, spreek ik eerder van een mutsenwereld.’
DE CULTUUR VAN verplegend personeel steekt schril af bij het milieu van de dames die de zorg van de verdachten ondergingen. In het Haagse Benoordenhout, waar de tragedie zich afspeelde, is de wereld ogenschijnlijk af. Helga Ruebsamen beschrijft de buurt in het verhaal 'De panter van Piet’, opgenomen in de bundel Op Scheveningen. Op lange zomeravonden wanneer de kinderen spelen op straat, pardon, in de laan, mogen ze niet te veel lawaai maken, omdat de pianolerares met de ramen open Chopin speelt. Op zondag wordt er thee gedronken in een witgelakt biedermeierpaviljoen, en de buurman is kolonel b.d. Er woont een freule op een landgoed, de rozen worden gesnoeid door de tuinman, en aan de andere kant van het park ligt schoon Wassenaar.
Anna Sloos-Fischer overleed er in Clingenbosch, geen bejaardenhuis, maar een serviceflat voor de hoogste kringen, voor mensen van stand. Wie tot de vergrijsde chic van Clingenbosch wil toetreden, moet een appartement kopen en maandelijks bijna tweeduizend gulden aan servicekosten betalen. ’s Middags na het bridgen nuttigen de dames een kopje cappuccino op de boulevard van Scheveningen of bezoeken ze Maison de Bonneterie om een flatteus deux-pièceje aan te schaffen.
Elke zondagavond dineren de bewoners gezamenlijk in het restaurant van Clingenbosch, bij kaarslicht. Portretten van de koninklijke familie sieren de wanden, roze servetten liggen kunstig gevouwen naast kristallen wijnglazen, en onberispelijk personeel verkeert altijd binnen handbereik. De gerechten zijn exquise, een terrine de volaille (een soort kippesoepje) vooraf wordt gevolgd door hazepeper met pommes juliènnes. De wijn is afkomstig uit de betere streken en heeft niet zelden meer dan twintig jaar gerijpt.
'De heren verschijnen altijd in driedelig pak en hun dames tooien zich met opzichtige sieraden. Ze spreken altijd op zeer geaffecteerde toon, tamelijk hooghartig. Je zou gemakkelijk onder de indruk kunnen raken van al het vertoon’, zegt een voormalig kelner van het restaurant. Maar de afstandelijkheid bleef altijd groot. Verder dan de troostende arm die hij ooit tijdens het natafelen om de schouders van een bejaarde freule legde, verdrietig omdat de zojuist van de Olympische Spelen teruggekeerde atleten een hogere koninklijke onderscheiding kregen dan die waar zij zo trots op was, is hij nooit gekomen.
Andrés vrouw zal tijdens het proces verklaren dat haar man zich 'een sukkel voelde die zich ongans werkte voor mensen die er zelf warmpjes bij zaten’.
IN DE RECHTSZAAL trekt John een uurtje uit voor de politieverhoren. Zijn betoog leidt tot grote hilariteit onder de aanwezige rechercheurs. Ze stoten elkaar aan, doen hard hun best het niet uit te proesten, maar hun zuchten van ongeloof en verontwaardiging verraadt ook enige onrust onder hen. Rood lopen de nekken aan wanneer John de kundigheid van zijn verhoorders in twijfel trekt. Die zouden meestentijds niet veel verder zijn gekomen dan de obligate vraag: 'Wat is de waarheid?’
Waar men wèl verder ging, werd volgens John een methode toegepast die veel weghad van wat bekend staat als de 'Zaanse verhoormethode’. Wonderwel blijken alle gebruikte technieken te corresponderen met wat aan kwalijks al bekend is van deze verhoortechniek. Leugens waren hem verteld, valse verklaringen opgetekend. Hij was zelfs bedreigd. Kortom: de verbalisanten hadden zich regelrecht misdragen. John zou zijn vader hebben vermoord (wat in zijn ogen doodgewoon spuiten tegen de pijn was geweest; helaas met fatale afloop, dat wel). Hij was uitgescholden, voor 'schoft’, bijvoorbeeld. Ze waren tegenover hem gaan zitten, met nog geen millimeter ruimte tussen hen in. Ze hielden hem foto’s voor de neus ('en ik maar huilen’). De rechercheurs hadden werkelijk van alles geprobeerd, gelijk Barend en Van Dorp een ja-nee-spelletje. 'Ze zijn niet goed snik.’ De rechter zou eens moeten weten wat voor bruten het werkelijk waren, en tijdens de zitting maar braaf lopen doen!
En André ondertussen maar janken.
John komt pas echt los wanneer hij het aanwezige diendersvolk als een stelletje amateurspeurneuzen afschildert. Onderhuidse driftaanvalletjes ontladen zich bij de aangesprokenen in enorme zuchten. Neusvleugels klapperen als vlaggen in de wind, de nekken lopen nu paars aan en botwitte knokkels tooien vuisten die de houten bankjes dreigen te verpulveren wanneer John spreekt over de onnozelheid van deze onvoorstelbare klunzen. 'Het zijn knutseldozen van heb ik jou daar.’
Voor zijn veldcommandant André du M. heeft John wel een goed woordje over. Daar lijkt deze overigens niet veel van te merken. André is voornamelijk bezig het evenwicht te bewaren, daar hij hevig snikkend telkens voorover van zijn bankje dreigt te kukelen. André, zo leest John voor, zorgde met hart en ziel voor zijn patiënten. Voor mevrouw Sloos-Fischer bijvoorbeeld. Ook al was zij 'volledig incontinent van urine en ontlasting’, nog verschoonde André getrouw haar luiers. Zelfs gaf hij haar van tijd tot tijd 'een onderbeurtje’. (Dat doet de rechters even opschrikken. Meewarig bekijken zij de nog immer snotterende André.) O ja, en wat mevrouw Sloos-Fischer verder betreft… Waarom zou hij haar nou vermoorden? Ze was immers zijn vrouw al, en wie vermoordt er nou zijn eigenste vrouw om zijn eigenste geld?
Dat John het familiekapitaal der Sloos-Fischers al snel als zijn eigendom ging beschouwen (het ligt nog steeds op hem te wachten), daarvan getuigen ook de volgende woorden: 'Ik beschikte over de financiële middelen om haar tien verplegers te geven.’
DAT ANDRE DU M. voor moord veroordeeld gaat worden, lijkt zeer waarschijnlijk. John H. wordt, naast de aantijgingen wegens diefstal en heling, echter alleen van de moord op zijn bruid Sloos-Fischer verdacht. Maar in die zaak is de bewijslast een punt van veel discussie geweest. De verplegers zouden haar door middel van uithongering en het toedienen van dormicum slaappillen om het leven hebben gebracht. En dat is niet zo gemakkelijk te bewijzen, aangezien de dode werd gecremeerd voordat autopsie kon plaatsvinden. Wel is er enig circumstantial evidence aanwezig. Bijvoorbeeld in de vorm van een afgeluisterd telefoongesprek tussen de verdachten:
John: 'Als ze de as hebben verstrooid André, jij hebt hetzelfde zitten denken als ik natuurlijk. Maar dat wil nog niet zeggen dat ze het niet hebben onderzocht.’
André: 'Aah, dat is weer wat anders.’
John: 'Maar goed, dan zouden ze het in ieder geval hebben moeten bewaren want je hebt recht op een contra-expertise.’
André: 'Ook dat…’
John: 'Dat is punt één. En punt twee, ze kunnen niks vinden. Maar al zouden ze wat hebben gevonden, wat niet in je lichaam zou mogen zitten, wat denk je dat ze dan niet aan de bel zouden hebben getrokken André.’
André: 'Dat denk ik wel John. Maar ik bedoel dat is onmogelijk dat ze dat gevonden hebben.’
Mr. Hoogendam, advocaat van André du M., houdt rekening met een hoger beroep. 'Ik ben al vanaf de eerste dag wat huiverig. Er werden door de president van de rechtbank uitspraken in de richting van Du M. gedaan als: “U weet toch dat morfine dodelijk is, of bent u de enige A-verpleegkundige die dat is ontgaan?” Toen dacht ik: dit is een verloren zaak. Als hij deze weg blijft volgen, dan staat ons nog heel wat te wachten.’
Toch is Hoogendam niet bang dat André als barbertje in zijn eentje zal hangen. Als de rechtbank genoegen neemt met de bewijslast en André schuldig verklaart aan de moord op Sloos-Fischer, dan wordt John H. meegesleurd. Samen uit, samen thuis dus. Johns ex-vrouw schreef het al in een brief: 'We zijn er met zijn vieren ingestapt en we hebben verloren. Wie voor een dubbeltje is geboren, wordt nooit een kwartje.’