Armen afhakken

Voor het Centraal Station van Den Haag zou een gebouw komen in de vorm van een joekel van een M, ontworpen door Rem Koolhaas. Dat ging niet door. Het werd crisis, bleef crisis, en voor het station ligt nu een kale vlakte. In plaats van de M een spatie, of een liggende streep. Toen alles nog hoopvol was stond ik met een van de architecten bij de maquette van die M. In het oorspronkelijke ontwerp zou er nog een extra vleugel komen, vertelde hij, maar die was gesneuveld, omdat de gemeente of een andere geldschieter die niet zag zitten.
‘Is dat niet frustrerend? Ik zou er tamelijk slecht tegen kunnen als iemand zomaar een hoofdstuk uit een roman van me zou scheuren.’
'Welnee’, zei de architect. 'In ons vak ben je al lang blij als er überhaupt een schop de grond in gaat. En bovendien… je kent de Venus van Milo?’
Waar zag die man me voor aan?
'Kijk, ik zeg altijd maar: ook zonder armen blijft de Venus van Milo een meesterwerk.’
Daar zat iets in. Sterker nog: mét armen was dat hele beeld lang niet zo beroemd geweest, evenmin als van de Toren van Pisa iets overbleef als hij rechtop zou staan. En toch was het natuurlijk flauwekul, vergoelijking achteraf, een bloeddoekje tegen een artistieke aderlating.
Een jaar later schrapte de gemeente de hele M. Zonder armen mag de Venus van Milo misschien een meesterwerk zijn, zonder borsten, hoofd, benen, billen en tenen wordt dat een stuk lastiger. Achteloos is het werk verbannen naar het onbestaande, naar die immense spookwereld - veel groter dan de werkelijke - van nooit-gebouwde werken, alternatieve straten, andere bruggen, andere decors en dus ook van andere mensen en van hun nooit-beleefde geschiedenissen.
Je hoort wel eens dat we eigenlijk vier of vijf aardbollen nodig hebben om onze consumptiebehoefte in de toekomst veilig te stellen. Om alle nooit-gebouwde maar wel ijverig ontworpen gebouwen een plek te kunnen geven heb je misschien wel vijfhonderd aardbollen nodig.
Omdat fictie mijn vak is, heb ik een zwak voor al dat niet-bestaande. Zo kocht ik laatst een boek met bouwtekeningen en ontwerpen van Etienne-Louis Boullée (1728-1799). Daarvan is vrijwel niets uitgevoerd. Niet verwonderlijk, als je ziet wat een megalomane, groteske fata morgana hij najoeg. Neem zijn 'Cénotaphe à Newton’: een waanzinnig bolvormig gebouw, met een diameter van 150 meter, waarin we overdag een sterrenhemel zouden zien en ’s nachts een natuurgetrouw zonlicht.Nooit een steen van gelegd. En toch. Je kunt het ook zo zien dat het daadwerkelijke bouwen alleen maar iets secundairs is, een min of meer hinderlijk bijproduct bij de evolutie van de bouwkunst, bij de ontwikkeling van architectonische ideeën.
Tegenwoordig wordt Boullée algemeen erkend als een verbindende schakel tussen het classicisme en het modernisme. Zou die man dat ook bereikt hebben als al die krankzinnige bedenksels echt uitgevoerd moesten worden? Dan zou hij zich met het bouwproces hebben moeten bemoeien, had hij non-stop in de clinch gelegen met magistraten, aannemers en dat soort krapuul. Bovendien had hij dan z'n werken moeten aanpassen aan de eisen van z'n klanten. Hij had, kortom, de armen van z'n Venus moeten afhakken. Nu hebben we tenminste de zúivere Boullée.
Op papier, dat wel, het medium van de onmogelijkheden, maar is dat erg? Ook muziek en literatuur bestaan alleen maar in de verbeelding, of juister gezegd: in samenwerking met de verbeelding. Luchttrillingen en drukletters moeten ons verleiden tot het eigenhandig opbouwen van een imaginair universum dat verkruimelt zodra we de cd afzetten, de concertzaal verlaten, het boek dichtslaan.
Veel van Boullée’s werk lijkt me ook nog technisch onuitvoerbaar en tegen de wetten van de zwaartekracht en het gezonde verstand in te druisen, maar dat neemt niets weg van de verrukking die het geeft er in gedachten doorheen te wandelen. Zoals het in goed geschreven literatuur ook niet storend is wanneer twee personages op elkáárs begrafenis zijn, en er een engelbewaarder commentaar geeft of de god Apollo leeft en spreekt. In slecht geschreven literatuur is zoiets dodelijk, daarom haat ik sciencefiction en fantasy.
Aristoteles stelt het zo: 'Aannemelijke onmogelijkheden zijn verkieslijk boven ongeloofwaardige mogelijkheden.’ (Ars poetica) Zo'n zin moet je drie keer lezen maar dan heb je ook wat. Fictie maken betekent aannemelijkheid suggereren, zelfs van wat volgens de logica niet kan. 'De onbegrijpelijkheden die zich in de Odyssee afspelen (…) zouden zonder enige twijfel onverdraaglijk zijn wanneer ze door een tweederangs dichter beschreven waren. Maar Homerus heeft met zijn andere, grote literaire vermogens de absurditeit toegedekt, en zelfs tot iets plezierigs en aangenaams gemaakt.’
Zo 'lees’ ik Boullée ook. Als monumenten in een schaduwbestaan waar geen bouwfraudes en financiële crises klaarstaan met hakbijlen en zagen, als fictie die niemand kan ontarmen.