Contraterrorisme in de VS

Armen omhoog mevrouw!

Tien jaar na 9/11 is Amerika in juridisch opzicht ver weggegleden, betoogt - onder anderen - Noam Chomsky, en dat lijkt onder president Obama niet te gaan veranderen.

HET WAS DRINGEN bij de dranghekken die afgelopen zondag moesten voorkomen dat Ground Zero zou worden overlopen door - in willekeurige volgorde - toeristen en belangstellende New Yorkers die een deel van de ruim vier uur durende herdenkingsceremonie wilden bijwonen. Daartoe moesten ze, los van de verwachte fouilleringen, tolereren dat ze op enig moment door een geüniformeerde functionaris zouden worden toegeschreeuwd. ‘Blijf! Nee, niet jij. Volgende! Armen omhoog, ik zei armen omhoog!’ Van een tweetal Spaanse toeristen van middelbare leeftijd wordt alleen de dame met handtas doorgelaten. De andere dame wordt teruggestuurd met de woorden 'Geen rugzak!’ Het verzoek om opheldering van de mevrouw met de rugzak wordt afgedaan met: 'Zo zijn de regels.’
Wat de rugzakmensen rond Ground Zero vervolgens misten, was vooral een tv-moment: een goed geregisseerde herdenking van een afschuwelijke misdaad, met ruimte voor zowel persoonlijk als nationaal sentiment. Er waren de haperende stemmen en tranen van nabestaanden en de even zalvende als grote woorden van gezagsdragers als de burgemeester van New York Michael Bloomberg en, vanuit Washington DC, president Obama. De laatste concludeerde tien jaar na de aanslagen dat zijn land 'alleen maar sterker was geworden’ en 'weigert in angst te leven’. Het was het soort woorden dat verwacht wordt van een Amerikaanse president, maar zou iemand ze geloofd hebben?
Obama’s conclusies stonden in ieder geval zo'n beetje lijnrecht tegenover de commentaren van het leger historici, politieke analisten en andere intellectuelen die in de aanloop naar deze dag hun licht hadden laten schijnen over het afgelopen decennium. Door zich in reactie op de aanslagen meteen in twee ondoordachte oorlogen te storten, zo luidde het breed gedragen oordeel, had Amerika aan politieke, militaire en economische macht ingeboet. Bovendien had het land verzuimd om problemen aan te pakken die al voor 9/11 de kop opstaken - politieke polarisatie, groeiende inkomensongelijkheid, extreme speculatie op financiële markten, hebzucht en zelfverrijking, het verdwijnen van laaggeschoolde arbeidsplaatsen.
In zijn terugblik in The New Yorker betreurde George Packer, auteur van onder meer The Assassins’ Gate: America in Iraq (2005), dat de aanslagen niet de eenheid brachten die het land zo nodig had. Daarnaast constateerde hij dat alle pijlers van het Amerikaanse systeem gefaald hadden: de inlichtingendiensten hadden de aanslagen niet zien aankomen, het leger had de oorlogen niet goed gepland, het parlement had zijn controlerende functie niet uitgevoerd, de rechtbanken hadden de bevoegdheden van de president onvoldoende ingeperkt. Ook de pers had volgens Packer haar werk niet gedaan, onder meer door niet adequaat te berichten over Saddam Hoesseins vermeende massavernietigingswapens.
Wellicht kwalijker was dat de Amerikaanse media na 9/11 de ogen en oren sloten voor kritische geluiden. Wie zich de afgelopen jaren bijvoorbeeld alleen via CNN, Fox News, The New York Times en The Wall Street Journal heeft laten informeren, zou denken dat figuren als Gore Vidal, Noam Chomsky, Naomi Klein en Chris Hedges al snel na 9/11 simpelweg waren opgehouden met nadenken en publiceren. Niets is minder waar, natuurlijk - ze zijn alleen uit de mainstream verbannen en gedwongen te vertoeven in wat Hedges 'intellectuele getto’s’ noemt: tijdschriften als The Nation of Mother Jones, of websites als Truthdig en The Huffington Post. Die laatste website was vorige week het podium voor een prikkelend essay van de nog volop sprekende en publicerende Noam Chomsky, getiteld Was There an Alternative?, waarin hij terugkeek op de tien jaar na 9/11.

ALS EERSTE laakte Chomsky de in de VS zo bejubelde dood van Osama bin Laden: 'Op 1 mei 2011 werd Osama bin Laden in zijn nagenoeg onbeveiligde huizencomplex gedood door een missie van 79 Seal-commando’s, die per helikopter Pakistan waren binnengekomen. De officiële lezing van het gebeurde maakte al gauw duidelijk dat het hier een geplande moordaanslag betrof, waarbij verschillende internationale rechtsregels waren geschonden - te beginnen bij de inval zelf.’
Het argument dat een levende Bin Laden de Amerikaanse regering voor legio juridische en politieke problemen had gesteld, gaat er bij Chomsky niet in. 'Het was zeker beter om hem te vermoorden en zijn lijk zonder autopsie in de zee te dumpen - een daad die voorspelbaar genoeg zowel tot woede als scepsis binnen de moslimwereld leidde’, schrijft hij.
Zo is Amerika zich onder Obama in feite nog ernstiger gaan misdragen dan onder Bush: 'De regering-Bush nam duizenden verdachte militanten gevangen en stuurde ze naar detineringskampen in Afghanistan, Irak en Guantánamo Bay. De regering-Obama richt zich daarentegen op het elimineren van individuele terroristen.’ Obama’s claim na Bin Ladens dood dat 'het recht had gezegevierd’ noemt Chomsky een 'absurditeit die overduidelijk zou moeten zijn voor een voormalige professor constitutioneel recht’ (als Obama).
Hoe anders stelde Amerika zich op tijdens de Neurenberg-tribunalen vlak na de Tweede Wereldoorlog, zo helpt Chomsky ons herinneren. Destijds wilde de Britse regering de nazi-kopstukken zo snel mogelijk ophangen. President Truman stribbelde tegen, waarbij hij de toenmalige hoofdrechter van het Amerikaanse Supreme Court citeerde, die immers verordonneerd had dat zonder proces executeren van verdachten 'niet strookt met het Amerikaanse geweten, laat staan dat het met trots door onze kinderen zal worden herinnerd’. Aan dergelijke overwegingen laat het Amerika van na 9/11 zich niet veel gelegen liggen.
Dat Amerika is volgens Chomsky tevens schuldig aan de ultieme misdaad in het internationale recht, namelijk 'de misdaad van agressie’. Rechter Robert Jackson, in Neurenberg opererend als hoofdaanklager namens de Verenigde Staten, definieerde die misdaad destijds als volgt: 'Een agressor is een staat wier gewapende troepen met of zonder oorlogsverklaring het territorium van een ander land betreden.’ Niemand kan ontkennen dat dit precies is wat Amerika na 9/11 in Afghanistan en Irak deed. Op dergelijke daden van agressie achtte Jackson universele principes van toepassing: 'Als bepaalde daden in strijd zijn met verdragen, dan zijn die daden misdaden, ongeacht of ze worden gepleegd door de Verenigde Staten of Duitsland - en wij zijn niet bereid anderen regels op te leggen waarvan we niet zouden toestaan dat die tegen ons zouden worden gebruikt.’
Oftewel, zo concludeert Chomsky: 'We hebben twee keuzes: of Bush cum suis zijn schuldig aan “de ultieme internationale misdaad” en al het kwaad dat daarop volgde, of we verklaren dat de Neurenberg-tribunalen een farce waren en dat de geallieerden schuldig waren aan justitiële moord.’

ZO RADICAAL als Amerika na 9/11 internationaalrechtelijk met zijn eigen tradities brak, zo weinig veranderde het eigen strafrecht. Het parlement nam weliswaar zeven weken na de aanslagen de USA Patriot Act aan, waarmee de controlebevoegdheden van de overheid toenamen en bepaalde delen van het strafrecht werden aangescherpt. 'Maar vergeleken met de reacties in andere westerse democratieën was de Patriot Act eigenlijk best matig en mild’, schrijft Kent Roach in het net verschenen The 9/11 Effect: Comparative Counter-Terrorism.
Wat wel veranderde was de wijze waarop rechtshandhavers hun missie percipieerden. Vrijwel onmiddellijk na de aanslagen kondigde minister van Justitie John Ashcroft 'een nieuw paradigma’ aan: voortaan was het voorkomen van terroristische daden belangrijker dan het bestraffen achteraf. Zo konden opeens gedachten, voornemens en ideeën al strafbaar worden.
Niet alle tactieken in de strijd tegen het terrorisme werden gebaseerd op bestaande wetten. Zo verleende een federale rechtbank in 2002 aan het ministerie van Justitie nieuwe bevoegdheden om nationale en internationale telefoongesprekken af te luisteren. 'Deze juridische veranderingen, aangevuld door grote vooruitgang op technologisch vlak, hebben ervoor gezorgd dat de overheid een enorme toegang tot informatie heeft’, zei Susan Herman, hoogleraar procesrecht aan Brooklyn Law School, afgelopen weekend tegen The New York Times: 'De mate waarin onze overheid haar burgers kan volgen, zonder enige justitiële aanleiding daartoe, kent geen precedent.’
Sinds de aanslagen van 2001 is de Amerikaanse inlichtingenwereld dan ook tot ongekende proporties gegroeid, zo berichtte The Washington Post in november 2010. Uit de berichtgeving van de krant komt de inlichtingenwereld naar voren als een bureaucratische nachtmerrie die ondanks een jaarlijks budget van 75 miljard dollar niet in staat is de meest amateuristische aanslagen te voorkomen - denk aan Umar Abdulmutallab, de 'airline bomber’ die in 2009 ondanks tal van rode vlaggen gewoon op Amerika mocht vliegen en alleen dankzij een alerte passagier er niet in slaagde een bom te laten ontploffen, of aan Faisal Shahzad, de klunzige 'Times Square Bomber’ wiens autobom in mei van dit jaar met meer geluk dan wijsheid kon worden gedetecteerd.
Elke dag onderscheppen (en bewaren) de inlichtingendiensten meer dan 1,7 miljard e-mails, telefoongesprekken en andere communicatievormen. Zoveel inspanningen zijn alleen gerechtvaardigd als zo nu en dan 'resultaat’ wordt geboekt. Dat ondervonden Bradley Crowder en David McKay, twee begin-twintigers die in 2008 werden beschuldigd van het beramen van een terroristische aanslag tijdens de Republikeinse Conventie van 2008. In de documentairefilm Better This World, vorige week uitgezonden door de publieke zender PBS, wordt fraai gereconstrueerd hoe de twee dusdanig door een charismatische FBI-informant werden geradicaliseerd dat ze zich lieten overhalen om molotovcocktails te bereiden. Hoewel ze deze nooit zouden gebruiken, en zelfs besloten de bommen niet mee de straat op te nemen, werden ze opgepakt én veroordeeld voor het beramen van een terroristische aanslag - immers, sinds 9/11 was slechts het voornemen om terrorisme te bedrijven al genoeg voor een strafrechtelijke vervolging.
Toch is al dit harde werk door organisaties als de CIA en de FBI nog niet genoeg om de veiligheid van de Amerikaanse burger te garanderen. Daarom wordt van overheidswege gestimuleerd dat ook burgers en bedrijven - in het kader van programma’s als See Something, Say Something en het Nationwide Suspicious Activity Reporting Initiative - een oogje in het zeil houden. Waartoe dit kan leiden, bleek - opnieuw vorige week - uit een reportage van publieke radiozender NPR. Een luxe winkelcentrum in een voorstad van Minneapolis, genaamd The Mall of America, heeft sinds 2005 een eigen contraterrorisme-eenheid. Klanten die zich verdacht gedroegen, bijvoorbeeld omdat ze filmden, werden in de kelders van het winkelcentrum ondervraagd - 'Wat voor werk doet u, wat zijn uw hobby’s? - anderen werden aan de politie overgedragen.
'In de eerste plaats denk ik dat The Mall of America aantrekkelijk is voor mensen die Amerika schade willen berokkenen’, zei Maureen Bausch, vice-president van de Mall, in de NPR-uitzending. 'Met dit programma willen we onze honderdduizenden bezoekers beschermen.’ De contraterrorisme-eenheid in het winkelcentrum heeft tot nu toe 125 rapporten opgesteld van bezoekers die zich verdacht gedroegen.
Hoeveel gekker gaat het nog worden, verzuchtte Glenn Greenwald op Salon.com: 'Doodgewone kantoorgebouwen kom je al niet meer in zonder identificatie. Foto’s maken is een verdachte activiteit. Vliegtuigen keren terug naar de gate omdat iemand in stoel 34A bang werd voor een vent met een tulband een paar rijen verderop. Kleine kinderen worden gefouilleerd alsof ze bommen zouden dragen.’
Zowel de minder zichtbare controlestaat als de hoogst zichtbare veiligheidsstaat is niet meer weg te denken, vreest Greenwald. 'En ze worden alleen maar erger. Gelet op het afgelopen decennium zullen Amerikanen zo'n beetje alles gedogen wanneer het in de naam van de strijd tegen het terrorisme gebeurt. Het enige serieuze tegengeluid klonk tegen de nieuwe scanners op de luchthavens - en niet omdat men vond dat de overheid te ver ging, maar vanwege het idee dat men “naakt” op een scherm te zien is. Daarvan raken we van streek. Niet van de honderden miljoenen dollars die opgaan aan het nodeloos surveilleren van onze privé-levens.’
Een verbod om een openbare ruimte te betreden met een rugzak is al helemaal niet de moeite om je druk over te maken.