Armen stemmen ook niet op Bernie Sanders

New York – In het tv-programma Meet the Press werd Bernie Sanders onlangs gevraagd waarom hij juist de staten met de hoogste inkomensongelijkheid bijna steeds aan Hillary Clinton verliest.

‘Omdat arme mensen niet stemmen’, antwoordde Sanders resoluut. ‘Ik bedoel, dat is gewoon een feit. Een treurige realiteit in de Amerikaanse samenleving.’

De ether was meteen te klein. Sanders was denigrerend en een slecht verliezer, riepen commentatoren, die zijn supporters geen dienst bewees door zich te verschuilen achter een excuus dat niet eens zijn verlies verklaarde – ‘Sanders heeft volgens exit polls met 55 tegen 44 procent verloren onder Democratische kiezers met jaarinkomens onder 50.000 dollar’, schreef bijvoorbeeld The Washington Post.

Behalve dat die groep niet louter armen bevat en dat Clinton die uitkomst vooral te danken had aan oudere zwarte kiezers schortte er iets belangrijks aan die redenatie: Sanders had juist over niet-stemmers gesproken. In 2014 stemde maar liefst 75 procent van de Amerikanen met een jaarinkomen onder tienduizend dollar niet. Onder mensen die zichzelf arm noemen, was dit zelfs tachtig procent. In eerdere verkiezingen was het nauwelijks anders. Kortom, Sanders had slechts een ongemakkelijke waarheid uitgesproken.

Verschillende onderzoeken tonen ondubbelzinnig aan dat het arme deel van het electoraat positief is over de sociaal-democratische agenda van Sanders. Als hij op een of andere manier ‘gefaald’ heeft in zijn campagne, dan is het dat het hem niet gelukt is armen naar het stemlokaal te lokken.

Resteert de vraag: waarom stemmen arme Amerikanen niet? Gangbare verklaringen zijn de vele hordes die kiezers vaak moeten nemen om te kunnen stemmen, zoals strikte eisen voor identiteitspapieren of verplicht lidmaatschap van een van de twee partijen (voor de primaries) de soms lange rijen voor de stemlokalen – terwijl de armen vaak verschillende banen en nauwelijks vrije tijd hebben.

Maar minstens even zwaarwegend is wat de sociologen Frances Fox Piven en Richard Cloward de ‘kloof tussen de kwesties die Amerikanen belangrijk vinden en de nationale politieke agenda’ noemen. Als niet-stemmers de Amerikaanse politiek bezien, zien ze twee partijen die geen oog hebben voor mensen met lage inkomens. Dat dit tot cynisme en apathie leidt, is geen wonder. Dat een tot voor kort nationaal nauwelijks bekende 74-jarige senator uit Vermont dat niet in één campagne heeft kunnen wegvagen, is ook geen wonder.