Armoe in de kampong

JAKARTA - Overal in Menteng Jaya, een sloppenwijk in het hart van Jakarta met zo'n vijftienduizend inwoners, klinkt een zacht getik. Het is er vochtig warm. Zwaar drukt de stank van het vervuilde riviertje op de kampong en zijn bewoners. In open verbrandingsoventjes smeult de vuilnis tussen de dicht opeengeperste huisjes van golfplaat en hout.

De meeste mannen in Menteng Jaya zijn tijdens de afgelopen crisismaanden hun baan kwijtgeraakt. Veel van hen hurken nu voor hun huisdeur en tikken geduldig met een hamer en een priem op een muntstuk. Met eindeloos veel geduld en kracht slaan ze daar een gat in, waarna het buigen en schaven en bewerken kan beginnen. Na ongeveer twee dagen is de munt een ring geworden.
Muntstukken van honderd roepia uit het jaar 1991 zijn schaars geworden als wisselgeld. Dat was, weet iedere ringenmaker je te vertellen, namelijk een goed jaar. Mooie, glanzende munten zijn er toen gedrukt. De goudkleurige is erg in trek; dat kan een prima poor man’s trouwring worden. Maar ook zilverkleurige munten uit 1991 doen het goed als ring, voor de prijs van vijfduizend roepia (zo'n tachtig cent).
Met een beetje geluk slaagt Taufik (25) iedere twee dagen erin een ring af te krijgen. Dan gaat hij naar het centrum van de stad en probeert het wat grove, doffe sieraad te verkopen. In juni is hij op straat gezet door het hotel waar hij werkte als bewaker - bijna de helft van het personeel vloog eruit. Hotels die dezer dagen een bezetting van dertig procent halen, mogen zich gelukkig prijzen. Taufik verdiende als bewaker 350.000 roepia per maand. En nu? Hij solliciteert. Maar er is toch geen werk. Dus maakt hij ringen, en hoopt op betere tijden.
Hij eet sinds zijn ontslag weer mee met zijn moeder. Meestal kunnen zij zich twee maaltijden per dag veroorloven. Rijst, gedroogde vis en sambal. ‘Te weinig vitaminen’, zucht Taufiks moeder, tandeloos, mager en vriendelijk. Het ontbijt, dat altijd bestond uit wat cake en koffie, slaan ze tegenwoordig over. 'Ha!’ schampert Taufik, 'toen president Habibie het Indonesische volk opriep om tweemaal per week te vasten, deden wij dat allang.’
HIJSKRANEN IN Jakarta staan er al maanden verlaten bij; de bouwvakkers zijn naar huis gestuurd. Sinds de krisis moneter Indonesië teistert, stijgt het aantal bedrijven dat de deuren moet sluiten met de week. In Jakarta zijn dat er in totaal nu zo'n 550. Daarnaast hebben nog 224 bedrijven het niet gered doordat hun kantoren in de fik zijn gegaan of anderszins gehavend uit de meirellen zijn gekomen.
In Jakarta hebben officieel 700.000 mensen hun baan verloren in de zeven maanden sinds januari, aldus het ministerie van Arbeid. Dat daar meteen achteraan zegt dat dit cijfer in werkelijkheid waarschijnlijk veel hoger is. Landelijk zitten van de ruim 200 miljoen Indonesiërs er nu een geschatte twintig miljoen zonder werk. De helft van de bevolking zal, als er niets verandert, aan het eind van dit jaar onder de - sowieso zeer lage - armoedegrens zijn gezakt.
Op de brokstukken van de instortende economie probeert de 'kleine man’ weer iets op te bouwen. Een steeds grotere informele sector is aan het ontstaan. Die was traditioneel al groot, maar nu bieden zich meer pindabranders, schoenpoetsers en krantenverkopers aan dan ooit. Daarnaast bloeien er talloze nieuwe 'particuliere initiatieven’: minuscule baantjes die de mensen voor zichzelf creëren om nog een paar roepia te verdienen.
Iedere wijk heeft zo zijn eigen bedrijvigheid. In de wijk Pondok Gede, zo'n dertig kilometer van Menteng Jaya vandaan, rijden de vele werkloze mannen rond op ojeks, motorfietstaxi’s. Er zijn zo langzamerhand meer ojeks dan klanten. Hun vrouwen proberen wat bij te verdienen door koekjes en cakes te verkopen en hun kookkunsten aan te prijzen voor bruiloften. Opvallend veel auto’s worden in Pondok Gede te koop aangeboden. En opvallend weinig verkeersborden staan er langs de weg; voor het aluminium is altijd wel een opkoper te vinden. Een paar honderd kilometer verderop, op Centraal Java, worden zelfs de bossen geplunderd. De laatste twee maanden verdwijnt het teakhout daar bij bosjes. Op de zwarte markt is een kubieke meter teakhout anderhalf miljoen roepia waard.
IN MENTENG JAYA tracht men aan de kost te komen als amateur edelsmid, of als marktkoopman. Iedereen in de wijk weet te vertellen waar de volgende dag de goedkope, door de overheid gesubsidieerde marktjes zullen zijn. Dan is het een kwestie van vroeg opstaan, zoveel mogelijk inkopen op de drukbezochte markt, en dat met een bescheiden winst doorverkopen aan buurtbewoners.
Voor wie het echt niet meer weet, valt er wellicht nog wat te verdienen als pemulung - vuilnisraper. Aan de andere kant van de spoorlijn die rakelings langs de kampong loopt, ligt het domein van de pemulungs. Hun houten handkarren staan naast de treinrails geparkeerd. Hun kinderen spelen tussen de bielzen. Ze zijn gewend gauw weg te schieten als er een trein komt.
Tien families van vuilnisrapers bivakkeren onder het viaduct van Menteng Jaya. Sommige wonen hier al een paar jaar, maar de laatste tijd is het bijzonder druk geworden onder de brug. Satima, met haar 27 jaar al weduwe, woont hier nog maar kort. Haar tweejarig zoontje, dat ze nog de borst kan geven, heeft ze bij zich, haar drie andere kinderen heeft ze achtergelaten bij haar moeder in haar dorp, in de hoop dat ze hun vanuit de grote stad geld kon sturen. 'De realiteit is anders’, zegt ze, en zucht. Sinds haar vertrek heeft ze de kinderen niet meer gezien. Zij zitten een dag reizen van haar vandaan. Waar zou ze de trein van moeten betalen?
Satima gaat overdag net als de andere pemulungs met haar kar langs de straten. Op zoek naar oude kranten en ander herbruikbaar spul tussen het huisvuil. Satima had dit baantje in haar dorp nooit kunnen vinden, want daar zijn geen grote recyclefabrieken. De opkopers geven er al jaren zo'n tweeduizend roepia per dag voor. Met de tachtig procent inflatie van het afgelopen jaar is dat nu ruim dertig cent.
Murti Anna (30) en haar veel oudere echtgenoot Achmad (70) wonen al vier jaar onder de spoorbrug. Tussen de zwerfkatten, het zwerfvuil en de stank. Zij hebben een dochtertje van drie. Het gezin slaapt en zit op een stuk plastic, heeft twee kartonnen dozen met wat speelgoed en kleren, en een afgedankte leunstoel. Daar zit Murti Anna in als wij op bezoek komen. Ze voelt zich niet zo goed vandaag, zegt ze en wijst op haar hals. Er zit een gezwel van wel twee vuisten groot. Ja, kanker, knikt ze, en het doet pijn. Achmad kan niets voor haar doen. 'We kunnen al nauwelijks iedere dag aan eten komen, laat staan een dokter betalen’, zegt hij.
Vragen naar wanhoop of misschien hoop voor de toekomst worden beantwoord met niet-begrijpende blikken. Hier gaat het om twee maaltijden per dag en droogblijven als het regent. Wat niet eenvoudig is wanneer de tropische buien onder de brug doorspoelen.
NOG GEEN HONDERD meter verderop ligt een lommerijke laan met kapitale panden, bewaakt door gespierde mannen. Hier ligt de woning van de derde vrouw van Soekarno. Haar buren bewonen een reusachtige witte villa met een goudkleurig hek eromheen en wuivende palmen in de voortuin. Het zijn de president-directeur van Suzuki en zijn vrouw. Zij heeft de kipburgers van Texas Fried Chicken naar Indonesië gebracht.
Voor de aanbieding van deze week - kippepoot, frietjes en een grote Coke - betaalt men in Texas Fried Chicken achtduizend roepia. Vier dagsalarissen van een pemulung. Maar ook de grote jongens raken in de problemen. Zo heeft McDonald’s al twintig vestigingen in Indonesië moeten sluiten. Veel lokale toeleveranciers zijn failliet, dus moet er meer geïmporteerd worden. En veel klanten kunnen zich geen fast food meer veroorloven. McDonald’s heeft inmiddels een echt crisisgerecht op de kaart staan: RiceEgg: rijst met wat groente en een gekookt ei. Voedzaam, gezond en goedkoop, fleemt McDonald’s.
Maar Indonesiërs die nog buiten de deur eten, doen dat liever in een warung, een traditioneel voedselstalletje langs de kant van de weg waar je voor een paar centen een soepje of een bordje nasi kan eten. Sinds de krismon is het aantal warungs op Jakarta’s stoepen explosief gegroeid. Overal struikel je erover. Samen met de hordes bedelaars hebben ze het straatbeeld van de hoofdstad in een paar maanden tijd ingrijpend veranderd.
Voor het opzetten van een warung is weinig nodig: je moet kunnen koken en over een kraampje beschikken. Warunghouders zonder vergunning zijn officieel verboden, maar worden in deze crisistijd gedoogd. En dus eet de ene helft van de stad bij de andere helft.
Er zijn de eenvoudige warungs, waar je met z'n drieën een maaltje kunt nuttigen aan een houten plank, terwijl de auto’s achter je langs razen. Er zijn de straatcafétjes, waar alleen een flesje fris en een sapje wordt verkocht. Maar er zijn nu ook fancy warungs, waar acteurs van naam achter de pannen staan, aangezien ook de filmindustrie volledig op zijn gat ligt. Indonesiës beroemdste soap- en filmsterren staan sinds kort met kleurige, wat sjiekere kraampjes bij de Al Azharmoskee in het centrum van de stad, en hebben zoveel bekijks dat het verkeer rond de moskee iedere avond vastloopt.
Ook in Menteng Jaya is net een grote warung opgezet. Gewoon, op de stoep, in de uitlaatgassen. Dodi (39), een van de vele werkloze mannen, heeft zojuist voor duizend roepia nasi besteld. Hij legt uit dat alles wat er in zijn kampong opkomt aan nieuwe initiatieven, eigenlijk een soort burensubsidie is. 'Wij zorgen voor elkaar’, zegt hij ferm.
Dodi heeft net een ring gekocht van een van zijn buurtbewoners. Niet omdat hij zijn vrouw wil verrassen, maar omdat hij nog vijfduizend roepia kon missen terwijl de ringenmaker platzak was. Ook de vele warungs zijn een vorm van help-jij-mij-dan-help-ik-jou: kom goedkoop bij mij eten, dan kan ik nog wat verdienen. Zo circuleren de laatste roepia’s door de wijk, ten behoeve van degenen die ze het hardst nodig hebben.
In dit land waar sociale voorzieningen zijn weggelegd voor een happy few, draait het nu allemaal om gotong royong: wederzijdse hulp. 'Het is altijd al de gewoonte geweest om elkaar te helpen’, zegt Dodi. 'Nu geldt dat meer dan ooit. Zelfs als je iets helemaal niet wilt hebben, koop je het van elkaar.’
Gotong royong is van een belangrijke bouwsteen van de samenleving tot het laatste vangnet voor de vele 'gewone’ Indonesiërs geworden. De spoeling van de informele economie wordt daardoor dunner en dunner. Het is immers vooral meer van hetzelfde wat men onderneemt. Een is er zo inventief om een warung of sieradenhandeltje op te zetten, en honderden volgen hem na. De warungs die sinds de krismon zijn opgezet, beconcurreren de warungs die er al waren. De straten zien zo langzamerhand zwart van de ojek-chauffeurs, koekjesverkopers, schoenpoetsers en muzikanten. En hoeveel belangstellenden zullen er nog zijn voor al die weinig elegante ringen?
GUNAWAN (45) is een van de weinige welvarende mensen in Pomdol Gede. Hij organiseert sinds een paar weken iedere zondag op het schoolplein een markt waar eerste levensbehoeften met forse korting kunnen worden gekocht.
We treffen Gunawan thuis in vergadering met zijn hele organisatiecomité, bestaande uit tien vrijwilligers en het wijkhoofd. 'Wij willen geen politieke praatjes maar actie’, zegt Gunawan strijdlustig. 'Het probleem direct bij de wortel aanpakken. Zonder KKN.’ Iedereen in de kamer lacht en knikt instemmend. KKN is korupsi, kolusi, nepotisme. De politiek van Soeharto in een notedop. Maar Habibie is voor velen net zo KKN. 'De regering’, zegt Gunawan, 'heeft een groot budget voor hulpprojecten, maar je weet niet hoeveel daarvan in de zakken van ambtenaren en tussenpersonen blijft zitten. Dat risico willen wij niet nemen. Alle regeringsinstellingen moeten worden omzeild als je echt iets wilt doen voor je medemensen.’ De hulpgoederen betrekken ze tegen inkoopprijs van de fabriek Indofood. De rest wordt gedekt door donaties van rijkere buurtbewoners.
Trots geeft Gunawan een rondleiding door de enorme loods achter zijn huis. De wanden zijn bedekt met dozen mie, balen rijst en zakken noedels. Van de 560 families in Pondok Gede zijn er 363 te armlastig om deze producten in de winkel te kopen. Zij mogen iedere zondag een overlevingspakket komen halen. Vrijwilligsters zijn druk bezig de doosjes te maken. Met daarin 1 fles bakolie, een kilo rijst, een kilo suiker en twee zakken noodles. Prijs: 13.500 roepia (twee gulden), dat is 4500 roepia minder dan in de winkel.
'Er is een grote bereidheid elkaar te helpen’, zegt Gunawan ernstig. 'Vanuit ons geloof in God, of gewoon vanuit verantwoordelijkheidsgevoel. Het probleem is alleen dat zo'n negentig procent van de mensen hier nu ondersteund wordt door de tien procent die nog wel wat heeft. Vraag me dus niet hoelang we dit volhouden.’