De gouden eeuw van Afrika, of toch niet?

Armoede is uit

Over Afrika wordt in het Westen in steeds optimistischer tonen bericht. Maar is onze fascinatie voor de ontwikkeling van Afrika niet een gevolg van een diep in ons verankerd beeld van Afrika als het ‘hopeloze continent’?

Wie de townships van Soweto bij Johannesburg voor het eerst bezoekt, is doorgaans nogal verbaasd. Niet alleen omdat Soweto met zijn anderhalf miljoen inwoners veel groter is dan de gemiddelde Nederlandse bezoeker van tevoren had gedacht, maar ook omdat de sloppen die hij zich vooraf had voorgesteld in de centrale wijk Orlando volledig ontbreken. In Orlando zijn huizen niet van golfplaat en aluminium, maar gewoon van solide baksteen. Veel huizen hebben een behoorlijke omvang. Er is zelfs een villawijk. Dat strookt niet met het beeld dat velen van Afrika hebben. Afrika is toch armoede? En de Zuid-Afrikaanse townships zijn toch levensgevaarlijk?

‘Er komt nu eenmaal een overweldigende stroom negatief nieuws uit Zuid-Afrika’, verklaart Steuart Pennington de vooroordelen, en op deze negatieve berichtgeving baseert de wereld zijn beeld van onder meer Soweto. Pennington is de baas van South Africa: The Good News, de positief-nieuws-site die hij tien jaar geleden startte. Zes jaar terug kwam daar nog een tweede site bij: Africa: The Good News. Gebaseerd op hetzelfde principe, maar dan gericht op het hele continent. Want ook dat was hard nodig, meent Pennington. Al moet hij toegeven dat over het continent Afrika de laatste jaren een stuk positiever wordt bericht.

Dat is zeker het geval in Nederland. Steeds meer reportages uit Afrikaanse landen draaien om vooruitgang en zelfs luxeproblemen in plaats van honger en droogte. ‘Afrika is minder arm dan je denkt’, kopte de Volkskrant bijvoorbeeld anderhalf jaar geleden. ‘Afrikaanse leeuwen willen wereld veroveren’, stelde Ton Dietz, directeur van het Afrika-Studiecentrum, in Trouw. En het artikel ‘Dik in Afrika’, in nrc.next augustus vorig jaar, handelde over het groeiende probleem van obesitas op het continent. Het zijn zomaar een paar voorbeelden uit een snel groeiende stapel.

De toenemende optimistische berichtgeving is deels een gevolg van groeiend zelfvertrouwen in Afrika. Vooral in landen als Kenia, Nigeria, Ghana en Angola heeft zich, in navolging van Zuid-Afrika, het laatste decennium een duidelijke middenklasse gevormd. Het is een middenklasse die gestaag groeit en die zich niet alleen economisch ontwikkelt, maar zich ook cultureel, artistiek en intellectueel roert. Deze nieuwe middenklasse wil af van het Afrikaanse slachtoffercliché. Het is een groep die er genoeg van heeft dat hun continent keer op keer generaliserend wordt weggezet als meelijwekkend en achtergesteld. Leden van deze middenklasse hameren op de enorme economische groei in sommige Afrikaanse landen – 14,4 procent bijvoorbeeld in Ghana in 2011. Of ze wijzen op de rijkdom van Equatoriaal Guinee, waar het bnp per hoofd van de bevolking gecompenseerd voor de koopkracht volgens de Wereldbank hoger ligt dan in Frankrijk, Groot-Brittannië of Japan.

Het is bovendien een groep met gevoel voor humor, altijd een goede indicatie van groeiende zelfverzekerdheid. Goed voorbeeld was het hulplied Africa for Norway van Radi-Aid eind vorig jaar. Dat was een parodie op de single Do They Know It’s Christmas waarmee de gelegenheidsgroep Band Aid in 1984 geld ophaalde om de hongersnood in Ethiopië te bestrijden. Een goedbedoeld initiatief, maar de songtitel is ondertussen wel verworden tot een van de meest gehate zinnen op het Afrikaanse continent. Want natuurlijk wisten ze in Afrika afgelopen december dat het Kerst was. Dus bedacht Radi-Aid een lied voor Noorwegen, waarin Afrikanen werden aangespoord hun afgedankte verwarmingsapparaten in te zamelen om de arme Noren hun ijskoude winter door te helpen. Er werd ook een video bij gemaakt, doorspekt met beelden van uitglijdende Scandinaviërs, precies zo stereotiep en hulpeloos als de beelden van de Afrikaanse hongerbuikjes die het refrein van Do They Know It’s Christmas tot op de dag van vandaag in het Westen oproept.

Maar de stap van een hongerbuik naar overgewicht in een paar jaar tijd, die nrc.next constateerde, lijkt wel wat erg groot. Natuurlijk, ook in Afrikaanse landen is overgewicht onder een deel van de bevolking een probleem. Maar zo’n luxekwestie generaliseren over een heel continent met 54 landen, is dat niet even misplaatst als het generaliseren van hongersnood over datzelfde continent een paar decennia terug?

Toch doen veel mensen dit. Zij laten zich meeslepen door de steeds verder aanzwellende stroom van positief nieuws over het Afrikaanse continent. Ze lijken bijna blind geworden voor de nog altijd ruim aanwezige problemen. Zo stelde pvda-politica Ama Assante vorig jaar in Trouw na haar bezoek aan de Ghanese hoofdstad Accra – in een overigens verder genuanceerd artikel: ‘Ik wist niet wat ik zag! Mooie mensen met hippe kleren, gewone huizen van steen, auto’s, hoge gebouwen. Natuurlijk zag ik ook bedelaars, maar die hebben we hier [in Nederland] op het Centraal Station ook.’

Het zal op zich een herkenbare verbazing zijn voor iedereen die recent een bezoek heeft gebracht aan de Ghanese hoofdstad. Accra is ontegenzeglijk een stad in opkomst. Maar Assante’s uitspraken tonen tevens dat zij het centrum van de stad waarschijnlijk niet heeft verlaten. In elk geval heeft ze geen bezoek gebracht aan de grootste sloppenwijk van de stad, Agbogbloshie. Daar pulken kleuters gedumpte televisies en computers met hun blote handen uit elkaar op zoek naar koperdraad, zichzelf vergiftigend met schadelijke stoffen als lood, kalium, thallium en waterstofcyanide die daarbij vrijkomen. De veelbelovende stedelijke ontwikkeling in Accra’s centrum is zeer zeker Afrika, maar de ellende in Agbogbloshie is dat ook.

Wie aandachtiger naar de vaak aangehaalde Afrikaanse succesverhalen kijkt, ziet daarin al snel barstjes. Zo mag een oliestaatje als Equatoriaal Guinee buitensporig rijk zijn, het hoge gemiddelde bnp per capita wordt er vooral bepaald door een steenrijke en corrupte mini-elite. Volgens het CIA Factbook is in Equatoriaal Guinee nog altijd ruim een kwart van de arbeidspopulatie werkloos. En de economische groei van Zuid-Afrika, economisch verreweg het krachtigste land van sub-Sahara Afrika, zakte in het laatste kwartaal van 2012 tot slechts 1,2 procent. In Kenia bankiert ruim een derde van de bevolking via zijn mobiele telefoon, maar hoofdstad Nairobi biedt ook nog steeds plaats aan een van de grootste sloppenwijken ter wereld. Van Ghana moet gezegd dat het zijn enorme economische groei vooral dankt aan de recente vondst van olie. En dat zijn dan de positieve uitschieters. Over landen als Zimbabwe en de Centraal Afrikaanse Republiek hebben we het nog niet eens.

De vraag rijst dus of ongebreideld Afrika-optimisme niet ook schadelijk kan zijn. Nuance ontbreekt nogal eens in de berichtgeving over Afrika. Zo maakte het Britse blad The Economist ruim een jaar geleden openlijk zijn excuses voor zijn coververhaal uit 2000 dat de titel ‘Hopeless Continent’ droeg. Hoezo hopeloos? Twaalf jaar later behoren veel Afrikaanse landen tot de economisch snelst groeiende ter wereld. Maar het blad bleek weinig geleerd te hebben van die fout. Om het goed te maken kopte The Economist in december 2011 al even pontificaal: ‘Africa Rising’. Het artikel zou de definitieve doorbraak zijn voor Afrika-optimisme in de mondiale media.

Toch was er in een buurland van Ethiopië, Somalië, anderhalf jaar geleden opnieuw sprake van hongersnood. In een oude reflex doken de media daar bovenop, met veelal dezelfde soort shots als een kleine dertig jaar geleden. De erg traditionele berichtgeving tekende, tussen al het recente Afrika-optimisme door, de ontstane schizofrenie in de berichtgeving over Afrika: wie arm is op het continent is nog steeds hopeloos en lijdt in de beeldvorming direct honger, de rest van het continent barst van het potentieel. Weinig tot niets ertussenin.

Laten we voorop stellen dat het Afrika inderdaad veel beter vergaat dan drie decennia terug. Vooral economisch. Maar voor een al te grote jubelstemming is nog geen reden. De economische groei van bijna de helft van alle landen in sub-Sahara Afrika lag in 2011 rond of boven de vier procent, maar dat zegt weinig als we niet in ogenschouw nemen dat de regio van heel ver moet komen en dat de verdeling van de groeiende rijkdom er veelal ongelijker is dan waar ook ter wereld. Een inwoner van Afrika is momenteel gemiddeld nog altijd zo’n twintig keer armer dan iemand in Europa. En dat verschil is veel groter dan honderd jaar geleden, toen de gemiddelde Afrikaan ‘slechts’ drie keer minder te besteden had dan een Europeaan. Noorwegen, waarvoor Afrikanen hun verwarmingsapparaten wilden inzamelen, is maar liefst 496 keer rijker dan Burundi.

Daar komt nog bij dat de Afrikaanse populatie de komende veertig jaar naar verwachting meer dan verdubbelen zal. Volhardende optimisten mogen dan zeggen dat wie de jeugd heeft ook de toekomst bezit, de vraag blijft wie de 108 miljoen Afrikaanse schoolkinderen in het volgende decennium gaat onderwijzen. In een land als Mali, een van de landen met de snelste bevolkingsgroei ter wereld, kunnen mensen hun oren niet geloven als je vertelt dat het hebben van één kind niet ongebruikelijk is in Europa. ‘Een enig kind, zoals jij dat noemt’, zei Abdoulaya Bocoum twee jaar terug, ‘dat bestaat hier niet. Wij zeggen in Mali dat een vrouw pas écht goed werk heeft geleverd als ze twintig kinderen heeft gebaard.’ Zelf zei hij maar weinig kinderen te willen. ‘Vier, want dat is wel echt het minimum hier.’

Dus verdubbelt de bevolking van het West-­Afrikaanse Mali volgens prognoses elke kleine dertig jaar. In dat licht kunnen de hevige onlusten in het land – de coup en de afsplitsing van het noorden vorig jaar – nauwelijks nog verbazen. Veel extra mensen betekent immers niet alleen veel extra potentiële arbeidskrachten, maar ook veel extra kosten. John May en Boubou Cissé, onderzoekers van de Wereldbank, waarschuwden al in hun rapport over Mali uit 2010 dat door explosieve bevolkingsaanwas alleen de uitgaven aan gezondheidszorg tot 2015 al met acht procent zullen stijgen. En zo rijk is Mali niet. Het is bijna een garantie voor onrust en strijd.

Bovendien, wat heeft Afrika aan ruim twintig procent van de mondiale arbeidskracht in 2050 – zoals wordt geschat – als de werkloosheid in menig Afrikaans land dan waarschijnlijk nog steeds tot de hoogste ter wereld behoort? Volgens cijfers van het Amerikaanse weekblad Time gaat in sub-Sahara Afrika momenteel nog geen veertig procent van de kinderen naar de middelbare school. In delen van het continent kan slechts een derde van de volwassenen lezen. En zelfs als Afrikanen goed zijn opgeleid, zoals in toenemende mate in Ghana, dan nog verlaat ongeveer de helft van alle studenten na het behalen van zijn universiteitsdiploma het land om elders te gaan werken.

En dan is er natuurlijk nog de politiek. Waar Europa in de jaren negentig gepreoccupeerd leek met de verspreiding van democratie in Afrika, zo staren westerse optimisten zich de laatste tijd blind op de Afrikaanse economie. Paul Kagame bijvoorbeeld, de president van Rwanda, werd twee jaar geleden op de Afrika-dag in Den Haag nog omschreven als een held, omdat hij zijn door genocide geradbraakte land economisch weer op de rails had gekregen. Dat hij de toenemende spanning in buurland Congo voedde, werd voor het gemak even over het hoofd gezien, net als zijn nogal ondemocratische manier van besturen. Pas toen de M23-rebellen in Congo vorig jaar aan het moorden sloegen, viel Kagame van zijn voetstuk en trok het Westen haastig zijn hulp aan Rwanda in.

En zo zijn er vele aanhoudende politieke en humanitaire problemen waarvoor wij ons liever doof lijken te houden in een schijnbaar nieuw verlangen naar Afrika-optimisme: de grootschalige slavernij in Mauritanië bijvoorbeeld, de politieke repressie in Togo (een land dat al vijf decennia lang door één familie wordt geregeerd, maar waarover de laatste jaren geheel ten onrechte de loftrompet wordt afgestoken), de dictatuur in Gabon, de recente coups in Niger en Guinee-Bissau, toenemende corrupte in Zuid-Afrika, de burgeroorlog in de Centraal Afrikaanse Republiek en Omar al-Bashir die nog altijd aan de macht is in Soedan. Niet voor niets is de Mo Ibrahim-prijs voor goed bestuur in Afrika al drie jaar op rij niet uitgereikt, omdat er geen geschikte kandidaat te vinden was.

Of wat te denken van de mobiele telefoon? De meest geprezen uitvinding voor Afrika, en puur economisch gezien terecht. Niet alleen vanwege het mobiel bankieren in bijvoorbeeld Kenia, maar ook omdat het opzetten van een bedrijfje in elk willekeurig Afrikaans land er veel makkelijker door is geworden. Al 750 miljoen mobieltjes zijn er in gebruik, dat is drie op de vier Afrikanen. De mobiele telefoon was in Ghana in 2010 bovendien al een even belangrijke informatiebron als de krant. Ter vergelijking: een derde van de Ghanezen had datzelfde jaar nog geen idee wat internet was.

Zo was daar een paar jaar terug Abdelaye Bâ in Mauritanië. Voor hem was zijn telefoon, een eenvoudige Nokia zonder apps of zelfs maar een kleurenscherm, het anker van zijn leven. De hele dag was hij aan het bellen. Dankzij zijn telefoon kon hij verschillende werkzaamheden (toeristen rondleiden in de woestijn, het opkopen van tweedehands Mercedessen en het helpen van bezoekers aan de grens met het afsluiten van de benodigde verzekeringen) veelal op afstand combineren. De telefoon was zijn geheugen, kantoor en werkplaats. Het apparaat was uiteraard mobieler dan een logge computer. En hij kon bovendien al zijn zaken pratend afhandelen. Een plus, want veel beginnende ondernemers in Afrika zijn pratend het meest in hun element. Abdelaye kon aan de telefoon makkelijk van taal switchen en hoefde niet te typen. Ook dat is een groot voordeel, want schrijven kan een aanzienlijk deel van de (West-)Afrikaanse bevolking maar moeizaam.

Sociologisch kan de opkomst van de telefoon echter ook een schaduwkant hebben, dat wordt vaak vergeten. Door de mobiele telefoon worden afstanden immers gevoelsmatig kleiner. Afrikanen gaan daardoor in hoog tempo verder van familie en vrienden wonen. Met als gevaar dat zij in overhaast tempo individualiseren. De lokale binding, waar Afrika altijd bekend om heeft gestaan, lijkt snel te verwateren, met name op het platteland. Dit kan leiden tot een identiteitscrisis, legde de Vlaamse psychoanalyticus Paul Verhaeghe al in meerdere boeken uit. Identiteit is iets wat wij creëren op basis van onze banden met de mensen om ons heen. Een communicatieve revolutie, met de mobiele telefoon als de belangrijkste exponent, maakt dat de groep minder centraal komt te staan. Het individu wordt het centrum van het bestaan. Daar is op zich natuurlijk niet veel mis mee, maar dit proces kan in Afrika wel te snel gaan. Wat men in Zuid-Afrika ubuntu noemt, ik ben door mijn relaties met anderen, het leidende principe op veel plekken op het continent, vervaagt erdoor. Het kan resulteren in eenzaamheid, minder geluk, en het bedreigt de zorg voor ouderen op het platteland. Jongeren trekken door hun ongelimiteerde telefonische bereikbaarheid immers nog sneller naar de steden.

Dat laatste is sowieso problematisch, want urbanisatie voltrekt zich in Afrika toch al veel te snel. De uitdijende Afrikaanse bevolkingen hebben het voedsel van hun platteland harder nodig dan ooit. Veel landen importeren nu al een groot deel van hun voedselproducten, als gevolg van jarenlange verwaarlozing van de agrarische sector. Dat aandeel zal met nog snellere urbanisatie alleen maar toenemen. De braakliggende akkers worden ondertussen door de rest van de wereld opgekocht.

Problemen genoeg dus. Maar het lijkt wel alsof wij die moeilijkheden nauwelijks nog willen zien. Het werpt de vraag op: zou het niet kunnen dat onze fascinatie voor de economische groei en ontwikkeling in Afrika juist een gevolg is van een heimelijk nog altijd diep in ons verankerd beeld van Afrika als het ‘hopeloze continent’? Is westers enthousiasme niet feitelijk vooral verbazing en ongeloof? Dat zou verklaren waarom het nieuwe Europese optimisme in Afrika veel minder goed aanslaat dan de investeringen van China, en in mindere mate ook van India en Brazilië. Al deze landen hebben Afrika nooit gekoloniseerd en kijken dus niet van oudsher neer op het continent en zijn bewoners. Zij zagen daardoor veel eerder dan Europa dat er in Afrikaanse landen potentie schuilt, zoals er uiteraard mogelijkheden liggen op elk continent.

Gelukkig zegt Pennington van Africa: The Good News niet te streven naar puur en eenzijdig positief Afrikaans nieuws. Hij stelt slechts meer balans in de berichtgeving over Afrika te willen brengen. Omdat de doorsnee media een eenzijdige focus hebben op wat er misgaat, zet hij daar zo veel mogelijk succes­verhalen tegenover. Maar het mooiste zou zijn, geeft hij toe, als deze balans binnen de traditionele media normaal zou worden. Het liefst binnen elk afzonderlijk verhaal. ‘Er is niets mis met een artikel over de hoge criminaliteitscijfers in Zuid-Afrika’, geeft hij als voorbeeld. ‘Maar dan moet je er wel óók bij vermelden hoeveel duizenden ­politieagenten er de afgelopen jaren bij zijn gekomen en hoe sterk de criminaliteit is gedaald. Alleen als je de negatieve én positieve aspecten van een ­ontwikkeling belicht, beschrijf je de realiteit. En dat is wat de media zeggen te willen doen. Wat is de waarheid? Om die vraag moet het gaan.’

Die waarheid is dat veel Afrikaanse economieën in opkomst zijn. En dat mag zeker worden geschreven. Dat moet zelfs. Maar daarbij moet ook worden vermeld dat Afrika er nog lang niet is en dat de eventuele economische doorbraak van menig Afrikaans land niet onomkeerbaar is en vaak gepaard gaat met nieuwe problemen en risico’s. Te veel westerse hosanna over de toekomst van Afrika is daarom in zichzelf juist denigrerend. Het toont het (onterechte) westerse ongeloof in de kracht van het continent maar al te nadrukkelijk. Wat we moeten beseffen is dat iedereen in Afrika heus wist dat het op 25 december Kerst was, maar dat dit niet wegneemt dat er voor de meerderheid van de bevolking nog altijd geen cadeautje onder de boom lag.

Niels Posthumus is correspondent in Zuid-Afrika en was dat eerder in West-Afrika. Binnenkort verschijnt zijn boek Een hongerbuik is snel gevuld: Voorbij de mythes over Afrika. Van 7 t/m 12 februari vindt in de Stadsschouwburg Amsterdam In de ban van Afrika plaats, met toneel, muziek en literatuur over het oude en het nieuwe Afrika. Zie ssba.nl/afrika