Naomi Klein

Armoede komt uit de kast in Amerika

Iets meer dan een jaar geleden had New York Times Magazine een artikel over armoede in de Verenigde Staten onder de titel «De onzichtbare armen». Het was een goed stuk, met prachtige foto’s, maar er was iets raars mee. Het was alsof, op het hoogtepunt van de hightechgolf in het rijkste land van de wereld, «de armen» in een exotisch buitenland woonden waar journalisten ze konden ontdekken, maar niet over ze schreven.

Het officiële verhaal in het grootste deel van het decen nium — en dat wordt gesteund door record-lage werkloosheidscijfers in de Verenigde Staten — was dat armoede het probleem was van de «oude economie», een probleem waar je als normale mediaconsument nooit iets over hoort. Ooit zal het oude verhaal verschenen zijn over de mensen die door de welvaart zijn «achtergelaten» (als was het door een of andere kosmische zetfout), maar de grote nationale media hebben erg weinig belangstelling getoond voor deze deprimerende verhalen.

Niet wanneer journalisten hun stijgende aandelen checkten vanachter hun bureau. Niet wanneer hun werkgevers werden opgeslokt door dezelfde gladde mediaconglomeraten die ons allemaal naar het beloofde land van hightech leidden. Het werd enigszins onhandig om over armoede te beginnen te midden van al deze overvloed — alsof je te hard over de dood praat op een bruiloft, of over seks op een begrafenis.

Geen wonder. Journalisten (of «content providers») hebben in het centrum gestaan van de overgang van «oude economie» naar nieuwe, een overgang die media, informatie, ideeën en cultuur tot de meest waarde volle en gekoesterde handels artikelen maakte. En de allerslechtste plek om een nauwkeurig beeld van een storm te krijgen is vanuit de relatieve stilte van zijn oog.

Nu de wervelwind van de nieuwe economie begint af te nemen, kijken we achterom om te zien wat er verloren is gegaan. Hele woonwijken. Het karakter van steden als San Francisco. Ruimte voor kunstenaars, voor tegencultuur. En misschien wordt, door deze pauze in de voortgang (samen met het snoeverige verzet tegen de belastingverlagingen van George Bush) eindelijk in minder exotische en mysterieuze termen gediscussieerd over armoede in de Verenigde Staten.

Volgens verscheidene nieuwe rapporten is de reden voor het toenemen van de armoede in de VS nogal eenvoudig: het komt door al die rijke mensen. Extreme rijkdom die wordt gecreëerd in de toplaag van de economie en niet omlaag druppelt en het voor iedereen beter maakt, heeft een direct negatief effect op de mensen die in extreme armoede aan de onderkant leven.

In haar nieuwe boek Nickel and Dimed gaat Barbara Ehrenreich, een van Amerika’s meest gerespecteerde sociale critici, «undercover» in het Amerika van het minimumloon. Ze werkt als werkster in Maine, als Wal-Mart-bediende in Minnesota, als serveerster in Florida. Ze heeft maar één simpele uitdaging: overleven met haar salaris. Ze begint met te ontdekken dat ze twee banen nodig heeft om haar trailer van 625 dollar per maand in Key West Florida te kunnen betalen, en haar odyssee komt tot een abrupt einde wanneer ze een hotelkamer in Minneapolis (de enige beschikbare huurruimte) niet kan betalen van haar Wal-Mart-salaris.

Economen in Amerika bepalen het armoedeniveau aan de hand van de hoeveelheid eten die je kunt kopen van je salaris. Maar voedselprijzen, zo laat Ehrenreich zien, zijn relatief stabiel terwijl in deze economie huurprijzen — als er sowieso al ruimte te huren is — onder hevig zijn aan superinflatie. Haar verhaal gaat uiteindelijk dus minder over werk dan over huur: het gevecht om een plek te vinden waar je kunt slapen als onroerendgoedmarkten exploderen en de overheid haar project voor betaalbare woningen heeft laten vallen.

«Als de rijken en de armen om woonruimte strijden in de open markt», schrijft Ehrenreich, «hebben de armen geen enkele kans.»

De hardvochtige onderkant van verbetering is ook het aanhoudende thema van Secrets of Silicon Valley, een belangrijke nieuwe documentaire van Alan Snitow en Deborah Kaufman. Het verhaal volgt hightech-uitzendkrachten die computers en printers assembleren — en niet genoeg verdienen om de huur te betalen in een stad waar huizen normaal gesproken worden verkocht voor honderdduizend dollar boven de vraagprijs. En waar de non-profitbureaus die diensten verlenen aan de armen zelf moeten vechten tegen een golf van uitzettingen.

Ik moet steeds denken aan een computerprogrammeur van een jaar of vijftig die ik ontmoette in Seattle op het hoogtepunt van de dotcom-gekte. Barbara Judd werkte bij Microsoft, maar haar afdeling werd bemand door uitsluitend uitzendkrachten — of perma- uitzendkrachten, zoals ze zichzelf noemden. Ze had geen arbeidscontract, geen aandelen, op dat moment zelfs geen ziektekostenverzekering.

Op een dag liep ze op het werk een programmeur van een jaar of twintig tegen het lijf — een vaste kracht — bij het kopieerapparaat. Pratend over koe tjes en kalfjes mopperde de jongere vrouw dat ze klaar was om op te houden met werken, maar dat ze aan het bedrijf was vastgeklonken met «gouden handboeien». (Dat is hightech- jargon voor werknemers aandelen ter waarde van miljoenen dollars die nog niet zijn «begiftigd».)

«Oké», antwoordde Barbara Judd haar, «maar je hebt in elk geval een ziektekostenverzekering.»