‘armoede verspilt talent’

Gesprek met de schrijver van De as van mijn moeder: Een Ierse herinnering. Uit het Engels vertaald door Christien Jonkheer, uitgeverij Prometheus, 408 blz., 345,-
DE AS van mijn moeder gaat over waarschijnlijk de armoedigste jeugd die een Europeaan in de vredestijd van deze eeuw kon beleven. De auteur, Frank McCourt, werd in 1931 in New York geboren. Op zijn vierde keerden zijn ouders terug naar Limerick, in Ierland.

Zijn vader, een onverbeterlijke alcoholist, verzoop zijn loon als hij werk had en het steungeld wanneer hij werkloos was. Voor zijn vrouw Angela en haar steeds groter wordende kinderschare bleef vrijwel niets over.
McCourt zette zijn herinneringen met wrange humor op papier, maar het sarcasme mocht niet voorkomen dat de lezer diep geraakt wordt door dit verhaal vol huurschulden, overlopende toiletten, vlooien, ratten en vooral ondervoeding en honger.
McCourt: ‘Je hebt armen en armen. Wij behoorden tot de armsten onder de armen. Terwijl andere vaders hun loon braaf naar huis stuurden, ontvingen wij taal noch teken van mijn vader. We vingen slechts wat vage geruchten op, dat hij aan de zwier was met “een slechte vrouw uit Picadilly”.
De andere moeders in onze steeg riepen hun kinderen binnen terwijl ze de lekkerste menu’s opdreunden. Dan sloot mijn moeder altijd met een grimmig gezicht de deur, noemde die vrouwen “opscheppers” en gaf ons zoals altijd brood met slappe thee. De buren hadden allemaal al elektriciteit, maar wij zaten nog met kaarsen. Voor de hele steeg was er maar één wc beschikbaar, die altijd verstopt was en natuurlijk pal voor onze deur stond, zodat we ’s zomers en ’s winters in de strontlucht zaten.’
'ONZE SITUATIE was echter niet zo uitzonderlijk; het feit dat we zo arm bléven was uitzonderlijk. Daarom houd ik wel van Orwells beschrijvingen van armoede, zoals in The Road to Wigham Pier, maar niet van die van Dickens. In Dickens’ romans blijkt het arme jongetje aan het eind altijd het zoontje van een rijke burger of graaf te zijn, bij Orwell zijn ze aan het einde nog net zo arm als aan het begin.
Ik had vriendjes die er net zo erg aan toe waren als ik. Bij een van hen lag de vader met tbc in bed weg te teren, met altijd een emmer vol bloederige fluimen naast het bed. Een ander vriendje had ook een dronkelap als vader. Zijn moeder werd zo gek van de uitzichtloze situatie dat ze zich regelmatig liet opnemen in een krankzinnigengesticht. Maar op een dag besloot die man te stoppen met drinken en sindsdien heeft hij nooit meer een druppel gedronken. Hij vond werk en wist dat te behouden.
Mijn vader kreeg daarentegen alleen af en toe werk - hij kwam dan braaf elke vrijdag met zijn loonzakje naar huis, maar bleef steevast de derde week de hele avond weg. Dan wisten we dat hij zijn loon aan het verzuipen was en in alle kroegen van Limerick rondjes gaf. De volgende dag kwam hij dan door zijn kater te laat op zijn werk en werd hij weer ontslagen. Hij was een mislukkeling.
Wanneer je naar de Verenigde Staten emigreerde, behoorde je niet terug te komen, tenzij als rijke yank. Wij kwamen al na vier jaar terug, volledig berooid. We hadden zelfs geen geld om de begrafenis van de intussen gestorven kinderen te betalen. Wat alles nog erger maakte, was dat mijn vader uit Noord-Ierland kwam, waardoor hij ervan verdacht werd een verkapte protestant te zijn. “Hij heeft bovendien zo'n rare blik”, zeiden ze van hem. Dat gold als het ultieme bewijs dat hij eigenlijk niet deugde. Ik had die blik ook, vonden ze in de familie van mijn moeder.
In werkelijkheid was mijn vader net zo katholiek als ieder ander in Limerick. Bovendien was hij een fervent aanhanger van de IRA. Als hij ’s nachts dronken thuis kwam, haalde hij ons altijd uit bed. Dan moesten we Ierse strijdliederen met hem zingen en beloven dat we later ons leven zouden geven voor Ierland.
De Engelsen waren natuurlijk de schuld van alles. Toch hebben in werkelijkheid ook veel Ieren voor de Engelsen gevochten.’
'EEN OOM van mij werd de gasman genoemd, omdat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog Duits gifgas had binnengekregen en bovendien bij de plaatselijke gasfabriek werkte. “In de oorlog heb ik zoveel gas binnengekregen dat overal in Limerick het licht gaat branden als ik een scheet laat”, grapte hij altijd.
Toen de IRA met behulp van Duitse wapens in 1916 de befaamde Paasopstand ontketende, werden de strijders niet met gejuich onthaald, maar juist vaak bespuwd. Velen hadden familieleden in de Franse loopgraven en beschouwden de opstand als een dolkstoot in de rug. Pas toen de Britten de opstand met buitensporig veel geweld onderdrukten en massaal Ierse opstandelingen fusilleerden, sloeg de stemming om.
De Ierse vrijheidsstrijd is natuurlijk terecht geweest, maar mensen als mijn vader gebruikten de IRA als excuus om pinten te kunnen pakken en zich heel nuttig en heldhaftig te voelen als ze strijdliederen zongen. Wat hadden wij eraan - moesten wij later ons leven voor Ierland geven? Zoals het er toen uitzag, zouden we op dat moment al het leven laten.’
'TOEN IK NA de oorlog naar de Verenigde Staten emigreerde, of terugkeerde, het is maar hoe je het bekijkt, heb ik me altijd vreselijk geërgerd aan het feit dat ik als Ier werd beschouwd. “Dan ben je zeker een stevige drinker!” was de standaardreactie, maar ik had wel wat beters te doen dan in de kroeg met een dronken kop IRA-liedjes te zingen. “Ik ben geen Ier, ik ben een Amerikaan”, reageerde ik dan.
Behalve katholiek, pro-Duits en toch in dienst van de Engelsen, waren ook aardig wat mensen socialist in Limerick. In navolging van wat er in 1919 in Rusland gebeurde, is er zelfs heel even een sovjet geweest in Limerick, maar deze arbeiders- en soldatenraad heeft maar kort bestaan. Ik hoorde dit trouwens pas toen mijn manuscript al af was. Ik heb dus verder niet over socialisten geschreven, ook omdat ze geen rol speelden in het leven van mijn familie.
De katholieke kerk was oppermachtig. Die bepaalde wie voor steun in aanmerking kwam. Wie bekend stond als een slechte katholiek, kon het wel vergeten werk of steungeld te krijgen. Eén keer de gang naar de kerk overslaan? Dan stond er gelijk al een priester voor je deur. Het was je reinste dictatuur.
Ondanks dat ik weinig vleiend over het Iers patriottisme en de katholieke kerk heb geschreven, is mijn boek ook bij Amerikanen van Ierse afkomst goed ontvangen. Ik heb wel meer dan eens te horen gekregen dat ik bepaalde dingen niet had moeten zeggen. Maar ik had nu eenmaal het gevoel dat ik juist nergens over wilde zwijgen. Het is een oud gezegde: de kapitalist houdt de arbeiders arm, de kerk houdt ze dom - maar het was waar, zeker in mijn jeugd. Ik heb die priesters elke week weer horen preken over onkuisheid, maar over armoede heb ik ze nooit gehoord, op enkele platitudes na: dat het moeilijker was voor een kameel om door het oog van de naald te kruipen dan voor een rijke om in de hemel te komen. Maar de kerk heeft nooit iets gedaan om onze armoede te verlichten. Daarom ben ik er uiteindelijk ook uitgestapt. Ik zou het wellicht allemaal veel eerder hebben gedaan, ware het niet dat ik zo lang met de gevolgen van de armoede heb geworsteld. Armoede ontneemt je je waardigheid, niet alleen op het moment zelf, maar ook nog lang daarna.’
'IK HEB VAAK gedacht: als mijn vader niet zoveel gezopen had, hadden we in New York kunnen blijven, hadden de tweeling en mijn zusje Margaret niet aan ondervoeding hoeven sterven, dan hadden mijn broers en ik naar de middelbare school en misschien naar de universiteit kunnen gaan.
Het is ons uiteindelijk wel gelukt. Ik heb een universitaire studie gevolgd en ik ben leraar op een high school geworden, maar pas nadat ik een lange carrière van schoonmaker en beroepsmilitair achter de rug had - en een mislukt huwelijk natuurlijk.
Op grotere schaal betekent armoede een enorme verspilling van talent. Na de lagere school werd ik telegrambezorger. Ik kon goed leren, maar er was geen geld om verder te studeren, en dat gold ook voor een paar andere jongens. Op mijn school was er maar één onderwijzer die dat erg vond. “Ik wil geen school die alleen maar opleidt tot boodschappenjongen”, verzuchtte hij geregeld, maar hij kon er weinig tegen doen. Ikzelf was allang blij dat ik iets kon bijdragen aan de eeuwige geldnood van ons gezin, want tegen de tijd dat ik ging werken, was mijn vader voorgoed uit ons blikveld verdwenen.
Het ergste vind ik het echter nog voor mijn moeder. Zij was als jong meisje nauwelijks van de boot af of ze kwam mijn vader tegen in een Newyorkse kroeg. Ze vreeën wat tegen een muurtje - een knieëntriller noemen ze dat - en hop, ze was zwanger en ze moesten trouwen. In de daarop volgende jaren is haar baarmoeder niet meer leeg geweest. Het enige wat ze wilde was een rustig leven, niet eens luxe, maar zelfs dat was haar nooit gegund geweest.
Ze was het nooit eens met de keuze die wij maakten als het op vrouwen aankwam. “Neem toch een gewoon Iers meisje”, zei ze dan boos. Noch mijn broers, noch ikzelf hebben dat ooit gedaan. Ik denk achteraf, misschien omdat we onbewust bang waren dat gewone Ierse meisjes, net als onze eigen moeder, geen eigen leven gegund zou zijn.’