Arnold Heertje, 19 februari 1934 – 4 april 2020

Econoom Arnold Heertje legde met zijn vakkennis, scherpe tong en eigenzinnige visie vaak de vinger op de zere plek. Dat leverde zowel bewondering als ergernis op.

Op een gure dag in november 1942 kwam een meisje uit school dat tot haar verrassing in de gang een snikkende jongen met een snottebel aantrof. ‘Hier is Nolly’, zei haar moeder, ‘wees maar lief tegen hem, hij mist zijn ouders, broer en zus, en komt logeren.’ Spoedig verdween hij weer, want in dit Arnhemse huisartsengezin met een wachtkamer vol patiënten was het risico op verraad te groot. Jarenlang werd hij verkast van het ene naar het andere onderduikadres, meestal communistische en gereformeerde gezinnen die hem ondanks de schaarste en het gevaar vanuit hun ideologische of religieuze overtuiging in hun midden opnamen.

Arnold ‘Nolly’ Heertje overleefde, net als zijn hele gezin, de oorlog en pakte in 1945 de draad weer op. Na de hbs studeerde hij economie aan de Universiteit van Amsterdam waar hij in 1960 cum laude promoveerde op de prijsvorming in oligopolistische markten. Enkele jaren later werd hij, amper dertig jaar, benoemd tot hoogleraar staathuishoudkunde aan de juridische faculteit van de UvA en tot zijn emeritaat in 2006 was hij bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de economische wetenschap. Hij schreef essays, boeken, handboeken voor de universiteit en het lesboek De kern van de economie (1962) waar vele generaties middelbare scholieren zich doorheen hebben geworsteld. Op zijn glansrijke carrière keek hij, een onderduikkind dat de nazi’s niet hadden weten te pakken, voldaan terug.

Heertje gold als een geëngageerde econoom, maar niet om zijn politiek gekleurde wetenschappelijke aanpak – hij hekelde juist zijn collega’s die via bronnenselectie en datamassage de uitkomst van hun onderzoeksvraag stuurden. Eerder het omgekeerde: met zo objectief mogelijke vakkennis schopte hij in het publieke debat tegen heilige huisjes. Dat deed hij veelvuldig in de media, als columnist voor onder meer NRC Handelsblad en Het Parool, en als gast in praatprogramma’s op tv en de radio. Nu is dat normaal, deskundigen die rond de tafel discussiëren over actuele onderwerpen, maar toen hij ermee begon baarde dat nog opzien, mede door zijn scherpe tong en geestige, vertellende stijl.

Ook binnen de academische wereld viel hij op. Hij manifesteerde zich als een denker die vaak ver op de troepen vooruit liep. Voor zijn proefschrift maakte hij als een van de eersten gebruik van de wiskundige speltheorie. Hij liet daarin zien hoe de prijzen van massaproducten als olie en staal werden bepaald door enkele wereldspelers, een mechanisme dat volgens hem ook zou gelden voor de nieuwe technologie als de overheid die ontwikkeling niet wettelijk zou beteugelen. In zijn boek Economie en technologische ontwikkeling waarschuwde hij in 1973, ver voor de internetrevolutie, in feite voor de opkomst van het machtsmonopolie van de ‘Big Five’, de vijf grootste mondiale techbedrijven.

Heertje was een ‘blootlegger’, en dat leidde soms tot tumult

In diezelfde tijd wees hij er al op dat staatshuishoudkunde niet alleen gericht moest zijn op financiële groei en consumentisme, maar ook op waarden die niet in geld zijn uit te drukken, zoals natuur, leefomgeving, welzijn en geluk. Deze menselijke behoeften hadden volgens hem net zo veel gewicht als ‘harde’ economische belangen. Dat inzicht bracht hem tot een pleidooi voor meer soberheid, voor een meer gebalanceerde levensstijl.

Misschien kun je hem beter betitelen als een visionaire wetenschapper die zich inzette voor de publieke zaak. Hij verzette zich als actief lid van de PvdA op den duur tegen de steun vanuit zijn partij voor de doorgeslagen privatisering in sectoren die behoorden tot de kerntaken van de overheid. Als sociaal-democraat in hart en nieren vond hij dat een gotspe. Zijn verbale kanon richtte hij op allerlei zaken die in zijn ogen niet deugden, zoals de Amsterdamse Noord/Zuidlijn of bezuinigingen op het onderwijs. Maar hij koppelde er ook daden aan, hij zette zich onder meer in voor de vereniging Beter Onderwijs Nederland en de Stichting tot Behoud van de Weesper Synagoge.

Al die bemoeienis leverde zowel bewondering als ergernis op. Want ja, hij had vaak gelijk, maar het werd hem niet altijd in dank afgenomen. Wie kritisch is, heeft nou eenmaal een ontwrichtend effect op de consensus van de goegemeente. En hij had natuurlijk ook weleens ongelijk – maar dat vond hij niet erg. Dat hoorde juist bij een open intellectueel debat.

Hij noemde zichzelf in een interview voor de serie de Tien Geboden in Trouw een ‘blootlegger’ en hij lichtte dat toe. ‘Als we de wereld willen verbeteren moeten we hem eerst in kaart brengen. Dat staat, als ik het zo mag zeggen, ook niet los van het jodendom; het blootleggen van de dingen zoals ze zijn. Natuurlijk maakt mij dat kwetsbaar en niet zelden leiden mijn observaties tot tumult, maar impopulariteit interesseert mij niks.’

Toen hij met emeritaat ging, kwam de oorlog als een boemerang terug. Hij ging zich meer verdiepen in de periode die zijn hele leven had beïnvloed; zijn keuze voor zijn vak dat volgens hem vooral ging over een eerlijke verdeling van welvaart; zijn geldingsdrang; zijn standvastige houding om zich geestelijk niet te laten muilkorven. Hij zocht ook contact met mijn moeder, die hij na wat heen en weer bellen een bezoek bracht. Ze haalden herinneringen op uit hun jeugd in Arnhem, en hij vertelde haar wat een geluk hij had gehad dat hij een van de tientallen joden is geweest die via haar ouders zijn gered uit de klauwen van de Duitsers. Nu hij 75 jaar na de bevrijding is overleden herinnert mijn moeder zich hem niet als de beroemde econoom maar als het jongetje bij haar thuis.