Een gesprek met de schrijver van blauwe maandagen

Arnon Grunberg: ‘uiteindelijk voel ik best tederheid

ALS BIJ DONDERSLAG was hij er opeens: Arnon Grunberg, de 23-jarige schrijver van de roman Blauwe maandagen. De eerste druk van zijn debuut was binnen twee weken uitverkocht.

Vorige week verscheen de bundel De olifant en het joodse probleem, waarin twaalf joodse auteurs die na 1945 zijn geboren, een verhaal publiceerden over wat het voor hen betekent joods te zijn in de schaduw van het recente verleden. Grunbergs bijdrage is het verhaal ‘Het interview’, de weerslag van een vraaggesprek dat hij voor het boekenprogramma van de VPRO-radio voerde.

'Natuurlijk herken ik me wel in de boeken over de tweede generatie. Maar als ik een boek lees over schizofrenen, herken ik mezelf daar weer in. Maar ik hoor bij geen van beide groepen. Ik heb ook absoluut geen behoefte om in groepsverband over de tweede generatie te praten. Als ik tweede-generatieboeken lees als Tralievader van Carl Friedman, is dat voor mij echt een sprookje. Het gaat over zulke andere dingen dan waaruit mijn werkelijkheid bestaat. Mijn werkelijkheid heb ik toch als smeriger ervaren. Ik voelde meer woede, terwijl zij toch heel lief en mild en met ontzag schrijft. Ik weet het niet met die generaties, het ene moment behoor ik tot de tweede generatie, en vervolgens weer tot de Generatie Nix. Maar allebei staan ze ver af van mijn eigen beleving. Ik wil bij geen enkele generatie horen. Waarom zou dat moeten?
Waarom dat verhaal 'Het interview’? Ik heb ook al geprobeerd dat in de brief aan redacteur Jessica Durlacher uit te leggen, die zij bij mijn verhaal heeft gepubliceerd. Wat je schrijft, is - dat geldt althans voor mij - een distillaat van wat je hebt meegemaakt. Voor het boekenprogramma sprak ik een schrijver. Die ontmoeting maakte indruk op me. Ik dacht: als ik aan Jessica’s verzoek ga voldoen, wil ik over die ontmoeting schrijven, want er zijn alleen maar impliciete antwoorden mogelijk op de vraag in hoeverre het jodendom mijn leven heeft bepaald. Zo'n bundel blijft een idee natuurlijk, een charmant idee, maar iets bedachts. Uiteindelijk blijven de meeste vragen toch onbeantwoord.’

'HET LAATSTE toneelstuk dat ik heb geschreven, was voor een student van de regie-opleiding van de Theaterschool. Het is een stuk voor drie vrouwen. Het komt deze zomer in de Brakke Grond, in het kader van het Theaterschoolfestival. Het stuk heet Van Palermo naar San Francisco en het speelt zich af in een casino. Ik was in het casino van Venetie geweest. Daar voelde ik me aangetrokken tot de sfeer, een soort broeierige desolaatheid, die ook in mijn boek zit. Ik was gefascineerd door de mensen daar, die hardnekkig hun eigen ongeluk proberen te bezweren. Dat bezit een zekere schoonheid, ’t klinkt wat pathetisch, maar het doet me wat. Na Venetie was ik gefascineerd door casino’s. Toen ben ik op onderzoek gegaan. Maar ik heb nooit het gevoel dat ik meer ben dan de personen die ik ontmoet op zo'n zoektocht. Dat geldt ook voor de hoeren die ik beschrijf: als je drie woorden met ze wisselt, weet je dat het wezens zijn die waarschijnlijk niet minder wanhopig zijn dan jij, of kapot.

Ik ben begonnen met toneelschrijven toen ik er nog van droomde acteur te worden. In de Stadsschouwburg had je vroeger jongerenprojecten; beneden regisseerde Sam Bogaerts Ifigineia in Aulis met Toneelgroep Amsterdam en in de bovenzaal regisseerde Alize Zandwijk met jongeren datzelfde stuk. Ik was toen zestien. Mijn vergissing was dat ik dacht dat ik toen niet meer naar school hoefde. In die tijd werd er een toneelschrijfwedstrijd georganiseerd voor jongeren. Daarvoor heb ik een eenakter geschreven, Koning Frambozenrood, over twee prinsen die de koning vermoorden. Er is een uitvoering geweest en ik kreeg een schrijfmachine cadeau.

Niet lang daarna ben ik van het Vossius-gymnasium verwijderd. Ik wilde naar de toneelschool, maar zowel in Amsterdam als in Maastricht wilden ze mij niet hebben. In Amsterdam vond men mij meer een kleinkunsttype en in Maastricht leek het wel een militaire keuring. Ik moest mij uitkleden, op mijn onderbroek na, en dan gaan spelen.

Ik heb wat bedrijfsfilmpjes gedaan en nog een rol van een-tiende seconde gespeeld - een hoerenloper die van de trap wordt gegooid - in De kassiere van Ben Verbong. Daarna wilde ik geen acteur meer worden.
Ik heb nog gewerkt bij theatergroep Huis aan de Amstel. Daarna kreeg ik een opdracht van het Amsterdams Fonds voor de Kunst om een toneelstuk te schrijven. Tussendoor werkte ik als jongste bediende bij een adresboekenuitgeverij. Ik werd daar ontslagen omdat ik een Sinterklaasgedicht had geschreven over mijn collega’s.

Uit een combinatie van wanhoop en vlucht naar voren ben ik toen Uitgeverij Kasimir begonnen. Ik had ooit een boekje uitgegeven in eigen beheer, in een oplage van 27 exemplaren. Ik vond boeken uitgeven heel mooi, dus dacht ik: ik ga naar de Buchmesse, kijken hoe dat is. Daar gebeurde me hetzelfde als met het toneel: het was het walhalla. Ik dacht: elk gezond jong mens wil uitgever worden. Hier moet je bij horen, dit is het geluk. Ik heb vijf boeken uitgegeven, maar ik ben er mee gestopt vanwege financiele problemen.
Er is een Poolse schrijver die ik heel graag lees, Marek Hlasko. Een van zijn boeken heb ik ook zelf uitgegeven. Ik houd van zijn boeken vanwege zijn hardheid, zonder dat hij cynisch wordt, zijn vlucht uit de werkelijkheid, zijn ontgoocheling en de hoop dat het beter zal worden. Dat is een hoop die eigenlijk nergens op is gestoeld. Mijn eigen boek lijkt niet op zijn werk. Ik ben niet Hlasko, ik heb een ander leven geleid. Maar alles wat je mooi vindt en zelfs alles wat je niet mooi vindt, beinvloedt je.’

'HET IS FRAPPANT dat niemand het tot nog toe met mij over de hoeren in het boek heeft gehad. Misschien is het wel gene. Aan de ene kant ben ik blij dat ik niet er gens geportretteerd word als hoerenloper of weet ik veel, maar aan de andere kant wordt er al te omzichtig mee omgegaan en worden bepaalde verbanden niet gelegd. Bijvoorbeeld als ik schrijf dat de moeder in het boek zegt dat ze het koninginnetje van Mauthausen was.

De bezoeken van de escortvrouwen kwamen voort uit wanhoop en een behoefte om het leven wat draaglijker te maken. Uiteindelijk zijn de uren gevuld. Er is het verlangen naar seks en spanning, er is de wanhoop en de behoefte om toch iets te doen en niet werkeloos te blijven zitten, al is het dan maar iets waarvan je had gehoopt dat je het nooit zou doen. Het is een onderstreping van de werkelijkheid. Soms kan de werkelijkheid erg voelen en dan moet hij ook maar erg zijn.
Soms is het zo erg dat je je er niet meer bewust van wilt zijn. Je gaat een grens over. Maar op het moment dat je het nummer draait, is het al niet meer zo naar. Ik heb nooit een escortbureau gebeld zonder een fles wijn in mijn bloed, anders durfde ik het gewoon niet. Als je het echt meemaakt is het veel absurder dan wanneer je er over denkt in je fantasieen.

Ik had het gevoel dat ik hierover wel openhartigheid kon betrachten. Ik heb over iets geschreven wat mijn leven raakt. Ik had het al wel aan een paar mensen verteld, maar er rust toch een groot taboe op. Ook als mannen onder elkaar zijn. Maar het was niet mijn inzet om een taboe te doorbreken; mijn boek gaat ook niet alleen over hoeren.

Het meest troosteloze vind ik ’t altijd als mensen van 27 tegen mij zeggen: “Je bent zo boos, ik ben allang niet meer boos.” Je bent niet boos op de wereld of over Bosnie, dat vind ik zo'n cliche. Je bent boos om dingen die veel dichter bij je liggen. Je hebt vaak de behoefte om dingen draaglijk te maken, maar paradoxaal genoeg moet je dat soms omdraaien. Je kunt niet alles reduceren tot het snot uit je neus. Soms moet je zeggen: dit is ondraaglijk. Met deze pijn ga ik niet sjacheren.

Emoties van je af schrijven heeft geen zin, dan kun je beter in je neus peuteren of aan een muggebult krabben. Uiteindelijk voel ik best tederheid voor mensen. Ik heb wel de behoefte dingen te zeggen die ik niet durf te zeggen als ik tegenover iemand zit. En die eerlijkheid is misschien hard. Ik zou het op een bepaalde manier jammer vinden als mijn boek medelijden zou oproepen, want dan maak je het ongevaarlijk. Als de mensen zouden denken: “Het is toch een joodse jongen, het gaat niet over ons”, vind ik dat onterecht. Iets wat goed is, moet je toch het gevoel geven dat het over jou gaat.’

'AL DIE HOEREN laten mijn moeder verder koud. Zij is vooral geinteresseerd in de stukken waar zij zelf in voorkomt. Ze is geraakt door het boek, meer dan ik ooit had bedoeld. Uiteindelijk wilde ik niemand fileren, hoogstens mijzelf. Soms is de enige op wie je je agressie kunt richten jijzelf. Dingen maken je boos, maar je bent niet boos op anderen, want wat kunnen die eraan doen? Ik denk niet dat dat iets te maken heeft met de tweede generatie. Kurt Cobain was toch ook niet van de tweede generatie? Ik denk wel dat het iets te maken heeft met deze tijd.
Schrijven is voor mij variete-artiest zijn. Ik schrijf om te vermaken. Ik voel me een soort mannetje op een grote eenwieler, die voorbij komt fietsen. Maar nog nooit was mijn leven zo vluchtig als nu. Er is geen reflectie, het is pats-pats allemaal achter elkaar en daarna is het weer weg. Ik ben tevreden, want de eerste druk is uitverkocht. Maar ik heb het gevoel dat ik het al weer afgerond heb. Laatst vroeg iemand me: “Loop je nu door de stad met het gevoel dat je een kleine meester bent?” Dat is niet zo. Er verandert niets. Het is een moment van vreugde, en daarna komt de melancholie.’