Artikel 137

Flink wat jaren geleden zat ik tegenover de toenmalige minister van Justitie te soebatten over artikel 137c of d. Toen wist ik vast en zeker nog precies welke letter omdat ik toen erg in het thema zat. Inmiddels is het vertroebeld.

Het ging over groepsbelediging. Op basis van allerlei zaken. Ras, geaardheid. Maar ook geloof en levensovertuiging. Die laatste twee zaken waren wat mij betrof meningen. Geen aangeboren zaken, dus daar mocht een burger op aangesproken worden. Desnoods met scherpe spot. Of dat beleefd was, was iets anders, maar het mocht wat mij aanging. Wat de meeste Nederlanders aanging, waarschijnlijk.In het kabinet lagen de zaken wat anders. Niet elk kabinet is een afspiegeling van de bevolking.

Binnen het toenmalige kabinet wilde de PvdA de wet op de godslastering afschaffen. De twee christelijke coalitiepartners wilden dat niet.
De toenmalige leider van de PvdA stuurde mij bij de minister op het dak: ‘Jij zit in die materie en kunt het beter uitleggen. Er moet wat wantrouwen weggenomen worden. Leg uit dat we het niet alleen maar willen om gelovigen te pesten.’ Die indruk hoefde ik niet weg te nemen, dat begreep de minister wel. Hij legde de term ‘de maatschappelijke vrede’ op tafel als argument voor zijn kant van de zaak. Ik zag dat als kortetermijndenken.

We agreed to disagree en gingen in goede sfeer uiteen. Op weg naar de uitgang van het etablissement stuitten we op het trio Holman, Teeuwen en wijlen Pierre Vinken. Die raadden in één keer waarover we al die tijd achter in de zaak hadden gesproken en gokten raak over onze patstelling. De minister ging, het drietal groetend, en ik bleef nog wat biertjes hangen.
De oude Vinken rekende nog even op een bierviltje uit waarom God wiskundig gezien niet kon bestaan.

Vele jaren later dus. Wilders staat voor de rechter. Het artikel waarover toen gesteggeld was en waar een zeer onduidelijke component was blijven hangen is nu in het geding.
Mijn inzet was destijds om onderscheid te creëren in de rechtspraak over wat iemand is en wat iemand doet. Geloven doet iemand. Wit of zwart is iemand. Het ene is een handeling, het andere niet. Gelovig zijn is voor velen ook een identiteit, maar dat is het voor weer andere burgers het fan zijn van Ajax of Feyenoord. Met evenveel passie.

Wilders had het over Marokkanen. Er volgde een onmogelijke discussie over de vraag of nationaliteit een ras is. Bij Japanners of Hongaren zou je snel zeggen van wel. Bij Amerikanen of Brazilianen weer niet. Bij Nederlanders of Marokkanen zit dat er tussenin. Maar dat is allemaal niet waar het om zou moeten gaan.
Het is geen fraai plaatje. De voorbedrukte aangiftebiljetten. Een man die onder zware beveiliging leeft in het verdachtenbankje. Maar de tettertaferelen op de bewuste avond met de gepreconstrueerde ‘minder, minder’-chant was ook niet fraai. Het geeft allebei de stand van het land op pijnlijke wijze weer.

Het is niet ondenkbaar dat een flink deel van onze burgers bij ‘Marokkanen’ en dat het ‘minder minder’ zou worden geregeld zich daar onprettig onder voelde. Zacht gezegd. Het heeft net zozeer de klank van deportatie als dat het voor andere oren slechts over migratiebeperking zou gaan.
Het enige goede dat uit dit bizarre proces zou kunnen komen is dat er een onderscheid zou kunnen worden neergelegd tussen zijn en doen.
Het verbaal aanvallen van geloofssystemen is legitiem en belangrijk. Het minder, minder van Wilders valt daar in ieder geval niet onder. De officier van justitie liet deze kans liggen door wederom geloof op hetzelfde niveau als ras of geaardheid te noemen.

Van huis uit heb ik geleerd dat wanneer je spot of scheldt, je dat dan moet doen tegen de macht. Nooit tegen de machteloze. Geloof en de priesterkaste zijn net zozeer de macht als de staat of de koning. Een burger is kwetsbaarder.
Trap alleen naar boven, nooit naar beneden. Met die mores ben ik de wereld in gestuurd.

Respect voor Wilders dat hij de wereldlijke ambities van een geloofssysteem confronteert. Een dikke min voor het geroep over het regelen van minder Marokkanen.
De rechter zou het bij een niet mis te verstane berisping moeten laten en een symbolische boete. Vervolgens zou ze heel duidelijk het verschil tussen zijn en doen als jurisprudentie neer moeten leggen. Bij deze helderheid is de rechtsstaat gebaat. Helaas is artikel 137 als gevolg van coalitiebelangen een juridisch gedrocht geworden.

Ik roep de volgende Kamer dan ook op om weer eens kritisch naar het wetsartikel te kijken.
Met het artikel in de huidige vorm heeft de rechter weinig houvast en komen we er niet uit. Zo blijft dit thema een speelbal van radicalen van alle kanten die misbruik maken van deze begripsverwarring. Er wachten ons nog vele rechtszaken. Zonde van de tijd. Schadelijk voor de sociale samenhang.