Artikel 137, of: heden Wilders, morgen jij of ik

De carrousel die Geert Wilders heet heeft opnieuw een zet gekregen. Hij kan weer minstens een jaar draaien dankzij de procureur-generaal bij de Hoge Raad, die besloot dat de PVV-leider alsnog moet worden vervolgd wegens aanzetten tot discriminatie en haat in de zin van artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht.

Wilders blij. Zijn advocaat Moszkowicz blij, zijn juridische tegenstander Spong blij. Journalisten en columnisten blij, zijn aanklagers tevreden, zijn volgelingen door het dolle heen. ‘De vrijheid van meningsuiting is voor mij heilig. Ik zal vechten om die vrijheid terug te krijgen’, aldus het Kamerlid dat de Koran wil verbieden, geen moslimmigranten wil toelaten en hem onwelgevallige gebedshuizen wil sluiten.
Het begint er werkelijk op te lijken dat het Nederlandse publieke debat nog jaren zal worden beheerst door de schermutselingen van onze pseudo-Voltaire en zijn pseudo-multiculturele tegenstanders. Is er een zinlozer gevecht denkbaar dan tussen partijen die elkaar de mond willen snoeren in naam van de vrijheid van meningsuiting? Is er een achterlijker discussie denkbaar dan tussen erfgenamen van hoogontwikkelde beschavingen die elkaar voor achterlijk verslijten? Een onproductievere ‘gedachtewisseling’ dan tussen schreeuwlelijken die zichzelf een bunkercomplex hebben aangepraat?
Jazeker, niet alleen Wilders lijdt aan een bunkercomplex. Dat geldt ook voor een Jörgen Raymann, stand-up comedian met een nationaal bereik, die naar de rechter stapt in plaats van op het podium Wilders aan te pakken. Hoeveel zelfrespect heb je dan als kunstenaar, hoeveel lef als satiricus? Het geldt ook voor Gerard Spong, die altijd heeft verkondigd dat hij ‘liever dood zou willen zijn dan tot het establishment te behoren’ en die nu van datzelfde establishment eist dat het Wilders het zwijgen oplegt.
Het gevolg van die schijngevechten in de rechtszaal is dat Nederland niet meer praat over Wilders of de Koran, maar over de vraag wat een ander erover mag zeggen. De juridisering van de vrije meningsuiting is een sijpelend gif. Rappers, cartoonisten, satirische programmamakers en straks wellicht romanschrijvers lopen het risico van hun bed te worden gelicht, zogenaamd omdat ze een medelander in zijn of hare tere zieltje hebben geraakt, maar in werkelijkheid omdat ze de Haagse politieke consensus doorprikken of belachelijk maken.
Artikel 137 is een politiek instrument waarmee de meerderheid zich ontdoet van afwijkende standpunten en ongewenste uitingsvormen. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat dit artikel in 1996 werd gebruikt om Hans Janmaat te bestraffen voor uitspraken die nu ongestraft door Wouter Bos, Jan Peter Balkenende of Mark Rutte worden gedaan. Het maakt niet uit of die standpunten verstandig zijn. Van groter belang is de generieke strekking: hetzelfde wetsartikel kan tegen ieder van ons worden ingezet, ook als het gaat om een heel ander standpunt of een heel andere kwestie. Heden Wilders, morgen jij of ik. Dat geldt voor schrijver dezes, maar ook voor een zeventienjarige die op zijn kamer een soundtrackje met heftige tekst in elkaar zet. Er zit maar één ding op: schrap dat artikel. Dan kunnen we in dit land van gedachten wisselen zonder de slechte adem van Geert Wilders, Gerard Spong en de politie in onze nek te voelen.