Artsen zijn geholpen met wetgeving over euthanasie

De arts spreekt van euthanasie. Het Openbaar Ministerie spreekt van moord. De Haagse arts, gespecialiseerd in ouderenzorg, handelde in 2016 in de overtuiging te voldoen aan een wens die de vrouw had uitgesproken voordat ze zwaar dement was, dat laatste wilde ze niet, dan wilde ze dood. Het OM handelde in de overtuiging dat de arts de euthanasiewet niet zorgvuldig heeft nageleefd, door niet meer met de demente vrouw in gesprek te gaan over haar eerder gedane euthanasiewens.

Voor de arts was het een laten sterven op verzoek van de betrokkene. Voor het OM was het een laten sterven van een demente vrouw met voorbedachten rade, daarom de aanklacht moord.

Het is de eerste keer sinds de euthanasiewet in 2002 werd ingevoerd dat deze week een arts die euthanasie pleegde voor de rechter moet verschijnen. Dat moet zwaar zijn voor de 68-jarige Haagse arts. Ze handelde destijds naar eer en geweten. Ook het OM twijfelt daar niet aan. De officier van justitie eist dan ook geen straf. Hij heeft ook nadrukkelijk aangegeven dat het hier niet om een moord in de gangbare betekenis gaat.

Er is al een oproep om de betrokken arts een lintje te geven

Maar hoe zwaar het ook is voor de arts, evenals voor de familie van de overleden vrouw, het is goed dat het Openbaar Ministerie de euthanasiepraktijk toetst aan de wet. Zo kan er jurisprudentie ontstaan die in de toekomst ook, of zelfs juist, artsen helpt als hun patiënten vragen om te mogen sterven. Zeker als het om mensen met dementie in een vergevorderd stadium gaat, moet uiterst zorgvuldig met een euthanasieverzoek worden omgegaan. Zodat daar geen druk vanuit de naaste omgeving, een verpleeghuis of de maatschappij op komt te liggen.

In deze casus was er al een euthanasiewens voordat de vrouw dement werd; ze had het ziekteproces bij haar eigen moeder gezien en dat wilde ze niet voor zichzelf. Maar toen ze eenmaal zelf dement was en ze haar eigen man niet meer herkende, gaf ze dat niet altijd meer zo nadrukkelijk aan, vaak zei ze dood te willen, maar daarnaar gevraagd wilde ze dat laatste zetje niet.

En juist dat is een vereiste in de wet: degene die het euthanasieverzoek doet, moet dat ook herhalen als het moment dat hij of zij vooraf zei niet meer mee te willen maken daar is. Mensen kunnen van gedachte veranderen. Al is dat bij dementie moeilijk vast te stellen.

Er is al een oproep om de betrokken arts een lintje te geven. Juist dat maakt van deze casus een ongewenste strijd, alsof wat uit mededogen wordt gedaan niet toch aan de wet moet voldoen. En juist zo moet tegen deze rechtszaak niet worden aangekeken. Het is eerder te hopen dat de betrokken arts en de familie de rechtszaak uiteindelijk kunnen zien als een positieve bijdrage aan de Nederlandse euthanasiepraktijk. Een zaak die mogelijk kan helpen om aan te geven of en zo ja hoe een euthanasieverzoek preciezer geformuleerd kan worden. Zodat als het moment dat het gevreesde lijden daar is, maar dit door de betrokkene juist als gevolg van die dementie niet meer zelf kan worden aangegeven, toch het euthanasieverzoek kan worden ingewilligd. Met zorgvuldigheid omkleed.