INTERVIEW

As je iets mooi vindt, dan zoek je geestverwanten’

Maarten Mostert, artistiek leider van de Amsterdamse Cello Biënnale, is natuurlijk zelf ook cellist, met een lange staat van dienst. Hij is ook medeoprichter van Amsterdam Sinfonietta en docent aan het Conservatorium van Amsterdam.

Maarten Mostert: ‘Toen ik daar zelf studeerde, bij Anner Bijlsma, zei die: “Maarten, jij wordt later vast advocaat, of orkestdirecteur.” Ik zat altijd in besturen en leerlingenraden en zo. De organisatie van de Biënnale is eigenlijk een uit de hand gelopen hobby. Het is begonnen met het idee voor een concours. Concoursen hebben hun minder sympathieke kantjes – wie speelt er nou “het beste”? – maar ook heel goede: cellisten gaan er beter door studeren, harder door werken, en het hoort uiteindelijk toch bij het vak. Je moet altijd presteren. Er kan altijd een recensent in de zaal zitten, die je ophemelt of afkraakt. Er is voldoende voedingsbodem, er zijn veel goede jonge cellisten. En ik hou van het spelelement, de competitie. En als je iets mooi vindt, dan zoek je naar geestverwanten, althans ik. De een wordt politicus, de ander leraar, en ik voel me soms dominee Mostert, ik wil delen, uitwisselen. Vroeger had je in de IJsbreker de “accordeonweek”, een weeklang honderd accordeonfanaten bij elkaar, fantastisch! Uit het concoursidee volgde dat we masterclasses wilden houden, en dus ook concerten, en zo werd het een festival. Het moet een conferentieachtige ontmoeting zijn, met uitwisselingen tussen cellisten en publiek en tussen studenten en beroemde cellisten. De top van de Nederlandse cellowereld is er, Wispelwey, Viersen, Bijlsma zelf, en de top van de internationale cello-elite, zoals Natalia Gutman, de gebroeders Demenga en Jean-Guihen Queyras.’

Krijg je voor zo’n eerste concours meteen goede kandidaten?

‘We hebben er bewust voor gekozen de lat meteen zeer hoog te leggen, dan wordt het ook meteen echt serieus genomen. Bij andere concoursen mogen deelnemers vaak tussen stukken kiezen, wij wilden een puurdere vergelijking maken door ze allemaal dezelfde stukken te laten spelen. Het is een moeilijk programma, met zeer lastige stukken. Wie pas een half jaar geleden is begonnen met studeren haalt het niet, dat heeft meer oefening nodig. Daarom zijn er deelnemers afgehaakt. Dat betekent wel dat die tien die nu meedoen écht heel goed zijn.’

Is er in Nederland een goede cellotraditie?

‘Een echte celloschool komt in Nederland niet voor, maar we leveren wel weer veel internationaal bekende cellisten: Bijlsma, Wispelwey, Viersen, die zijn in het buitenland veel beroemder dan in Nederland. En wij hebben zo’n fenomeen als Ernst Reijseger. Die is onder andere cellisten misschien niet zo bekend, maar ze zouden hem hier allemaal moeten horen. Reijseger heeft erg weinig innerlijke blokkades. Hij improviseert, hij speelt, hij kan alles; hij maakt muziek zo vrij. Het kijken naar een vrij mens is het mooist. Cellisten zijn hoe dan ook anders. Ze hebben meestal een warm karakter, niet van die ellebogerige types. Door de klank van de cello alleen al zijn cellisten relaxtere types. Ze hebben een dienende, sturende, dirigerende functie. Violisten hebben altijd maar dat hoge harde piepgeluid vlak bij hun oor.’

Is er wel voldoende interessant cellorepertoire?

‘Meer dan genoeg! Haydn, Elgar, Dvorak, Walton, maar ook moderne stukken, Goebaidoelina, Hosokawa, ik kan zo de komende vijf Biënnales vullen. Natuurlijk ben ik blij dat de Bach-suites er zijn, en de concerten van Haydn, en natuurlijk is er Schubert, Beethoven, Sjostakovitsj.

Voor de Biënnale hebben we een relatief vooruitstrevend programma. Dat past ook bij het Muziekgebouw aan het IJ. Neem, bijvoorbeeld, het concert op maandagavond, met de première van Lux Aeterna, van Knaifel. Dat is een soort kathedraalmuziek, heel sfeervol, een beetje Pärt-achtig, de muzikanten zingen er ook bij. Misschien passen we de akoestiek van de zaal wel aan, om een kerkgalm te krijgen. Dat is niet iets wat je al tien keer eerder hebt gehoord. Die gebroeders Demenga, Patrick en Thomas, dat is op zichzelf al iets wat ik heel graag hoor, een zeer goed op elkaar ingespeeld duo. Daar is niet veel repertoire voor, en live optredens van die twee zijn uitzonderlijk. Maar ik ben ook trots op het concert waarin nieuwe cello’s van elf cellobouwers worden gepresenteerd. Daar kun je luisteren naar instrumenten die net af zijn, de verschillen horen, vergelijken. En standjes met vioolbouwers, dat hoort ook bij een festival.’

Met dank aan Francine Wildenborg