Kwame Agyeman: ‘Ik zie geen conflict tussen een christen zijn en een trotse Ashanti’

Als kind wist ik niet beter dan dat Ghanezen altijd christelijk waren. De meeste leeftijdsgenootjes met ouders uit Ghana kende ik van mijn methodistengemeente. Op de zondagsschool leerden we bidden en bijbelverzen begrijpen terwijl de volwassenen luisterden naar de preken in het Engels en het Twi. De Ghanezen die ik niet op zondag tegenkwam, bezochten doorgaans een andere Ghanese of multiculturele kerk in Amsterdam. De conciërge van mijn basisschool, een moslim uit Ghana, was in mijn ogen een uitzondering.

Tijdens een familievakantie in Ghana zag ik dat islamitische landgenoten geen zeldzaamheid waren. Sterker nog, de Wikipedia-pagina’s die ik vanaf mijn puberjaren las, vertelden me dat er al moslims in West-Afrika waren voordat de Europese missionarissen en zendelingen arriveerden. Jaren later was ik vaker in de universiteitsbibliotheek dan in de kerk. Niettemin dacht ik na over mijn geloofsachtergrond. Zo bekeek ik eens op de website van mijn kerk oude foto’s van een dienst die in het teken stond van de vijftigste Onafhankelijkheidsdag van Ghana. Wat vierden we eigenlijk? Dat de Britten vertrokken, maar hun religie bij ons bleef?

Deze verwondering onderzocht ik in mijn bachelorscriptie. Ik bevroeg jongeren uit mijn methodistengemeente over hoe zij zich voelden bij het feit dat onze voorouders niet altijd christelijk waren, maar wij nu wel. De conclusie van mijn scriptie Ghanees, geschiedenis, geloof luidde: mijn generatiegenoten in de kerk staan sporadisch stil bij het samengaan van de kerstening en de koloniale onderwerping. In hun identiteitsbeleving lijkt de huidige geloofsbelijdenis een prominentere rol te spelen dan de geschiedenis.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Stephan Sanders Dan Afrifa over zijn rondgang door de Nederlands-Ghanese gemeenschap. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

In 2021, anderhalf jaar verder, proef ik dat de jongeren om me heen, mede door Black Lives Matter, zich meer bewust zijn van en kritischer kijken naar het koloniale verleden. Daarom spreek ik af met Kwame Agyeman (18), op een zondag in maart twee weken voor Pasen. Ik ontmoet hem na een kerkdienst in Amsterdam-Oost. Kwame, om latere verwarring te voorkomen gebruik ik voornamen, was daar om naar het woord van God te luisteren én om te overleggen over een jeugdconferentie in december. Hij wil sporters en sprekers uit het bedrijfsleven uitnodigen om jongeren te motiveren. Is Kwame zelf niet wat aan de jonge kant? ‘Dat hoor ik wel vaker’, zegt hij. ‘Maar ik geloof niet dat je oud hoeft te zijn voordat God je inzet om anderen te helpen.’

Hij moet zo door naar de Bijlmer, voor de dienst van de Holy Ghost Revival Chapel International. In deze diverse kerkgemeente, met merendeels leden van Afrikaanse origine, is zijn vader een van de kerkoudsten en zijn moeder diaken. Kwame, woonachtig in Amsterdam-West, brengt daar de meeste zondagen van het jaar door en zo nu en dan staat hij er zelfs te preken, al is hij nog niet gewijd tot predikant. Snel stel ik een laatste vraag, over zijn kerkdienst van straks: staat hij er wel eens bij stil dat dat allemaal eigenlijk de erfenis van het kolonialisme is?

Volgens de meest recente cijfers van het cbs is Nederland 25.453 Ghanese inwoners rijk. Als je online op zoek gaat naar de mensen achter dat getal kom je gauw uit op krantenartikelen en nieuwsberichten die het beeld schetsen van een naar binnen gekeerde nieuwkomersgemeenschap, voor een groot deel samengeklonterd in Amsterdam-Zuidoost. Kwame Agyeman vertegenwoordigt de 10.498 Ghanese Nederlanders die, in cbs-termen, een tweede generatie migratieachtergrond hebben. Die geworteld zijn, omhoog groeien en bloeien in de Nederlandse samenleving.

Midweeks voor het kerkbezoek spreek ik Kwame al telefonisch. Hij videobelt vanuit de metro en is onderweg naar zijn oude roc om zijn mbo-diploma op te halen. Inmiddels studeert hij social work aan de Hogeschool Inholland, en dat werk brengt hij al in de praktijk. Samen met zijn beste vriend richtte hij drie jaar geleden The Rock Foundation op, een op christelijke leest geschoeide liefdadigheidsstichting.

‘Vorig jaar hielpen we bijvoorbeeld een islamitisch gezin met de boodschappen voor een hele maand’, vertelt Kwame met zijn karakteristieke diepe stem. Zijn medereizigers luisteren vast mee. ‘Jezus genas zieken, maar de bijbel zegt ook dat hij een groot hart had voor minderbedeelden. Dat is onze inspiratie.’ Kwame stemde bij de Tweede-Kamerverkiezingen op een partij die het dichtst bij zijn bijbelse principes komt. In diezelfde bijbel herkent hij elementen die zijn Ghanese identiteit versterken. Kwame: ‘In de bijbel lees je dat joodse priesters bij bepaalde rituelen een plengoffer brachten. In het traditionele geloof van de Ashanti zie ik dat terug.’

De Twi-sprekende Ashanti zijn het volk in Ghana waarmee Kwame en ik ons identificeren. Tot het einde van de negentiende eeuw heersten vanuit de hoofdstad Kumasi de opeenvolgende koningen van de Ashanti, de Asantehene, over een onafhankelijk rijk dat op zijn toppunt een groot deel van het huidige Ghana besloeg. Op Nederlandse sociale media wordt wel eens gerefereerd aan dit in tot slaaf gemaakte mensen handelende rijk, vaak om discussies over het slavernijverleden (en slavernijexcuses) plat te slaan. Maar de Ashantijnse geschiedenis is ook op zichzelf best interessant.

De Ashanti beleden een polytheïstisch geloof met het opperwezen Nyame als de schepper van de wereld, een eigen mythologie en het geloof in geesten. Ook massale mensenoffers bij begrafenissen van edelen hoorden hierbij. Na meerdere oorlogen maakte een Britse militaire expeditie in 1896 een einde aan de onafhankelijkheid. Agyeman Prempeh I, de toenmalige Asantehene, werd met familieleden en hooggeplaatsten verbannen naar de Seychellen, aan de andere kant van Afrika.

Emmanuel Kwaku Akyeampong, hoogleraar geschiedenis aan Harvard University, beschrijft in zijn werk hoe Agyeman Prempeh I in ballingschap een transformatie onderging, mede om zijn loyaliteit aan zijn gevangenhouders te bewijzen. Hij liet zich dopen en in de praktijk betekende dit onder andere de omarming van de christelijke monogamie. Agyeman Prempeh I stuurde twee van zijn drie vrouwen terug naar huis, inmiddels verworden tot een Britse kroonkolonie. Desondanks stonden de Britten pas in 1924 repatriatie toe.

Kritische passanten vragen Kwame waarom hij het geloof van 'the white man' aanhangt en het woord van een koloniale god verspreidt

In zijn nieuwe rol als ondergeschikte vorst, Kumasihene in plaats van Asantehene, zag Agyeman Prempeh I zich geconfronteerd met een uitdaging: zijn nieuwe christelijke identiteit tegenover oude ‘heidense’ gebruiken. Hoewel hij mensenoffers afschafte, met succes de verspreiding van het christendom en westers onderwijs aanmoedigde en van bovenaf liet doorsijpelen, deed Prempeh ook weer een beroep op polygamie, om de traditionele machtsverdeling tussen de adelfamilies in stand te houden. Een christelijke pragmaticus, aldus historicus Akyeampong.

‘Dit heb ik ooit wel geleerd’, geeft Kwame aan. Hij is bijna bij zijn halte als we deze geschiedenis in een notendop bespreken. Kritische passanten confronteren Kwame met soortgelijke verhalen als hij op straat evangeliseert. Dan vragen ze waarom hij het geloof van the white man aanhangt en het woord van een koloniale god verspreidt. In 2015 nam de Ghanese popartiest Mzbel het christendom onder dezelfde loep, tot nationale ophef in Ghana. In een tv-interview gaf ze aan niet meer te geloven in Jezus, en later riep ze haar landgenoten op om zelf historisch onderzoek te doen, om in te zien dat het christusverhaal een instrument was van de kolonisator. Steun kreeg Mzbel onder meer van de Humanist Association of Ghana (hag).

Zes jaar na haar uitspraken onderstrepen de Ghanese humanisten, die onder meer safe spaces creëren voor landgenoten die overstappen op agnostische of atheïstische overtuigingen, de boodschap nog steeds. ‘Een van de expliciete doelstellingen van de Scramble for Africa was om het licht van het evangelie naar het donkerste Afrika te brengen. Zo verkregen de politieke krachten de goedkeurig van de kerk’, vertelt hag-voorzitter Michael Osei Assibey (33) mij via een videoverbinding vanuit Accra. ‘Bovendien manifesteerden de kolonisten het narratief dat de kolonisator de dominante kracht in deze wereld was en bleef: “Als ze ons kunnen verslaan, zijn onze goden, en in feite onze gewoonten, inferieur, dus moeten we hun superieure overtuigingen overnemen.” Het christendom bereikte ons door het filter van de kolonisator.’

Kwame Agyeman ziet het anders dan de Ghanese humanisten en de mensen die hem op straat aanspreken: ‘De Ethiopische orthodoxe kerk bestond bijvoorbeeld al ver voordat de meeste Europeanen van de bijbel hadden gehoord. Als ik met een bredere blik naar de geschiedenis kijk, zie ik dat het christendom niet alleen via de koloniale wegen in Afrika terechtkwam en dat het niet per se een geloof van the white man is.’

Vlak voordat hij uit de metro stapt en we ophangen, geeft Kwame aan dat de besproken geschiedenis hem geenszins in een geloofs- of identiteitscrisis stort. ‘Het is nou eenmaal op die manier gegaan, het weerhoudt mij er niet van te geloven dat mijn geloof puur is. Ik zie geen conflict tussen een christen zijn en een trotse Ashanti. Dankbaar voor de heer Jezus die voor ons stierf aan het kruis én trots op Agyeman Prempeh I die zijn ballingschap doorstond.’

Een aantal dagen later hang ik aan de lijn met Crystalina Agyeman-Prempeh (22). Anekdotes over vakanties in Ghana gaan heen en weer en Crystalina vertelt over het warme welkom dat haar meestal wacht bij aankomst op het vliegveld van Accra. ‘Dan controleren de douanebeambten mijn paspoort en roepen ze allemaal dingen in het Twi die ik niet versta’, zegt ze lachend. Ze heeft wel een vermoeden waar het dan over gaat. ‘Volgens mijn moeder zijn we op de een of andere manier verwant aan de koninklijke familie van de Ashanti. Maar er zijn vele familielijnen en koning Agyeman-Prempeh had meerdere vrouwen.’

Crystalina Agyeman-Prempeh: ‘Het koloniale verleden is nog zichtbaar in eurocentrische schoonheids­idealen’

Met haar moeder, vader en drie broers woont Crystalina in Rotterdam. Haar vader staat daar aan het hoofd van de pinkstergemeente Christian Family International. In die kerk vertaalde Crystalina vroeger de Engelse preken van haar vader naar het Nederlands en tegenwoordig zingt ze vooral op de zondagen. Ook doordeweeks is ze veel met het geloof bezig. ‘God, mijn geloof, is het eerste waar ik aan denk als ik aan mijn identiteit denk. Ik bid dagelijks en ik probeer elke ochtend even mijn bijbel te lezen. Verder put ik veel trots uit het Ghanees-zijn.’

In Crystalina’s kindertijd was die trots minder vanzelfsprekend, want om haar heen werd Afrika vooral geassocieerd met stereotypen rondom armoede en oorlog. Rond haar vijftiende kantelde dat beeld. ‘In Ghana kwam het muziekgenre Azonto op en dat ging de hele wereld over’, vertelt ze. Dit wakkerde een zelfbewustzijn aan. ‘Die klanken riepen vragen in me op die ik stelde aan mijn moeder. Dan spraken we ook over de traditionele Ashanti-dansen en legde ze me de non-verbale betekenis achter elke beweging uit. Ze probeerde me de dansen zelfs te leren, tevergeefs. Maar ik heb het in ieder geval gevraagd’, lacht ze.

De kneepjes van de journalistiek onder de knie krijgen, gaat haar beter af. Sinds januari volgt de pas afgestudeerde master internationaal publieksrecht een traineeship bij een nieuwsredactie in Hilversum. Presenteren en verslaggeven op tv is haar droom. Op de lange termijn zou ze graag een mediacarrière in Ghana willen. Werkervaring deed ze daar al in 2019 op, toen ze stage liep bij de Nederlandse ambassade in Accra.

‘In de eerste twee weken dacht ik: Crys, wat doe je jezelf aan? Alles was er zo anders’, herinnert ze zich. Maar gaandeweg omarmde ze de situatie en dompelde ze zich onder in het lokale leven. ‘Ik nam de trotro (minibus – da) naar het werk en las uit de blik van mijn medepassagiers dat ze doorhadden dat ik enigszins anders was. Engels sprak ik met een bepaald accent en over mijn Twi moet ik niet eens beginnen’, zegt ze met zelfspot. ‘Ik begreep goed dat ik er niet helemaal thuishoorde, evenmin in Nederland, maar mijn Ghanese identiteitsbesef is in die periode van zo’n dertig procent naar de zeventig geschoten.’

Die identiteit viert ze normaal gesproken op 6 maart, wanneer Ghana memoreert dat het in 1957 onafhankelijk werd, als eerste land in sub-Sahara Afrika na Zuid-Afrika. Vanwege de coronamaatregelen zat een familiefeestje met lekker eten er dit jaar niet in. Stilstaan bij het ‘terugnemen van onze power’ deed Crystalina alsnog. ‘De restanten van het koloniale verleden zijn nog steeds zichtbaar in de vorm van eurocentrische schoonheidsidealen. Dan heb ik het over de voorkeur van een lichtere huidskleur boven een donkere en dat mijn haar mooier zou zijn wanneer ik het stijl maak. Daar ga ik niet zo goed op.’

‘De kolonisten besloten van ons haar tot onze kleren wat gepast was en wat niet. Een goede christen kreeg betere toegang tot onderwijs en dus tot rijkdom’

Humanist Michael Osei Assibey draagt zijn dreadlocks als protest tegen dergelijk postkoloniaal denken. Hij vertelde me over missiescholen in Ghana die studenten afwijzen vanwege deze ‘onfatsoenlijke’ haardracht. ‘De kolonisten besloten van ons haar tot onze kleren wat gepast was en wat niet. De zendelingen koppelden dit aan het zijn van een goede christen en een goede christen kreeg betere toegang tot onderwijs en dus tot rijkdom.’

Op haar beurt vindt Crystalina het hand in hand gaan van de kerstening en de kolonisatie erg jammer, want het evangelie is volgens haar op zichzelf overtuigend genoeg. Zo sterk dat het prima samengaat met inheemse culturen, merkt ze opgewekt op. ‘Ghanese bruidsparen kiezen vaak voor een traditionele verloving op de ene dag en op een ander moment trouwen ze in de kerk. Dus je hoeft je Afrikaanse cultuur niet te verliezen om christen te zijn.’ Deze eclectische benadering ziet ze terug in het levenspad van haar befaamde achternaamgenoot. ‘Niet dat ik polygamie steun, maar ik vind het mooi hoe koning Agyeman Prempeh I voor zichzelf een combinatie maakte van het geloof en traditie. At least he didn’t lose his identity in the process.’

De volgende keer dat Crystalina in Ghana is, brengt ze zeker een bezoek aan het Manhyia-paleis in Kumasi, waar Agyeman Prempeh I na zijn ballingschap woonde. Ze was daar als kind voor het laatst, en de tijd heeft lopen knagen aan haar herinneringen.

Richard Aborah (26) herinnert zich zijn paleisrondleiding maar al te goed. Het was in de zomer van 2019 en hij was met zijn vriendin in het moederland. ‘Ik kreeg daar een boek over de geschiedenis van de Akan, de etnische groep waar de Ashanti onder vallen’, vertelt hij. ‘Volgens het boek zijn we lang geleden vanuit Egypte dieper Afrika in getrokken. Zulke verhalen boeien mij meer dan de onafhankelijkheid van Ghana in 1957, dat is maar een klein stukje van ons grotere verhaal.’

Richard Aborah: ‘Ik geloof dat alle religies waardevolle lessen leren’

Met zijn ouders en drie broers groeide Richard op in de Bijlmer en tegenwoordig is hij meestal te vinden bij zijn vriendin in Amsterdam-Oost. Daar zit hij ook tijdens ons videogesprek, dat hij tussen twee studeersessies door voert. Hij rondt zijn studie commerciële economie af en het is hem nog niet duidelijk wat er daarna in het verschiet ligt. Zeker is wel dat Richard de toekomst tegemoet treedt met een eigenzinnige levensfilosofie: ‘Ik geloof dat alle religies waardevolle lessen leren. In mijn levensstijl probeer ik die te combineren met het voorbeeld van menselijke excellentie dat Jezus Christus stelde.’

In die levensstijl staat in contact staan met je innerlijke zelf centraal. Tot hij een jaar of zestien was, deed Richard dat vooral biddend op zondag, hij was kind aan huis in dezelfde Ghanese methodistengemeenschap als ik. Tegenwoordig vindt hij de kerkbezoeken niet noodzakelijk en mediteert hij geregeld thuis. Aan die omslag ligt een inzicht ten grondslag. ‘Denk aan het spel waarbij iemand een boodschap in je oor fluistert en jij dat weer doorgeeft aan de persoon naast je. Aan het einde van de rij heb je een heel ander verhaal. Zo is de bijbel door de jaren heen op verschillende manier vertaald en zijn er uiteenlopende stromingen binnen het christendom ontstaan. De heilige status van de bijbel staat voor mij niet ter discussie, maar toen dit tot me doordrong, betwijfelde ik of mijn geloofsbelijdenis wel dé manier was.’

Die zelfbewuste kijk stamt uit een persoonlijke migratiegeschiedenis. Op tweejarige leeftijd trok Richard met zijn ouders naar Ghana en als zesjarige was hij weer in Nederland. Eenmaal terug in de Bijlmer, nota bene op een basisschool met kinderen die op hem leken, besefte hij dat hij anders was. Rekenen had hij al in Ghana onder de knie, maar door de onmacht over het Nederlands waande hij zich een buitenstaander tussen leeftijdsgenoten. Vanaf dat moment begreep hij dat identiteiten even veranderlijk zijn als omgevingen.

Zijn Ashanti-achtergrond is daarentegen absoluut. Richards ouders vonden het belangrijk dat de kinderen Twi spraken en verstonden, en ooms en tantes praatten voornamelijk met ze in die taal. Niet alles werd met de paplepel ingegoten. ‘Niemand vertelde me bijvoorbeeld dat ik geen dingen mocht aannemen met mijn linkerhand’, lacht hij. ‘Dat begreep ik pas toen ik het een keer deed en goed op mijn donder kreeg.’ Deze culturele bagage vult hij nog steeds aan, bijvoorbeeld door af en toe in het boek te bladeren dat hij in het Manhyia-paleis meekreeg. Over Asantehene Agyeman Prempeh I hoef ik hem dan ook niets te vertellen.

Vooral zijn kerstening blijft Richard verwonderen. ‘Sinds Agyeman Prempeh zijn christelijke identiteit omarmde, is Ghana er alleen maar christelijker op geworden. Volgens mij is meer dan de helft van Ghana christelijk. Het gaat in ieder geval om een groter deel van de samenleving dan hier in Nederland of in Engeland. Alsof de kolonisator de bijbel bracht en vergat mee terug te nemen.’

De verwondering sloeg vroeger wel eens over in vertwijfeling, zegt Richard. Dat waar hij zoveel inspiratie uit putte, was onlosmakelijk verbonden met het soevereiniteitsverlies van zijn voorouders. Uiteindelijk bood hij die gewetenskwestie het hoofd. ‘Wat zegt het christendom echt? Dat vroeg ik me af. En ik kwam tot de conclusie dat het christendom alles te maken heeft met de boodschap en minder met de boodschappers.’

Wat meehielp, was dat in Richards wereldvisie de globalisatie onvermijdelijk was. ‘Je moet het zo zien: al die verschillende continenten en culturen zouden niet voor eeuwig gescheiden van elkaar blijven. We zouden hoe dan ook naar elkaar toe groeien en kennis maken met elkaars geloof.’

In mijn gesprek met hag-voorzitter Michael Osei Assibey, zelf schipperend tussen het atheïsme en het agnosticisme, kwamen wereldvisies ook ter sprake. Ik vroeg of hij verwacht dat een groeiend besef van het koloniale verleden af zal doen aan de populariteit van het christendom in Ghana en onder Ghanezen. ‘One will wish it was that simple. Een groot deel van de bevolking is niet via de rede tot hun overtuigingen gekomen, dus het zal een hele opgave zijn om ze via de rede te bereiken. Maar we blijven consequent de informatie beschikbaar stellen voor wie die handvatten zoeken.’

Op paaszondag sta ik op het plein van het Bindelmeer College in Amsterdam-Zuidoost. In de uitgedoste gymzaal van deze vmbo-school houdt de Holy Ghost Revival Chapel zijn diensten. Ik heb een plekje voor de middagdienst gereserveerd. Kwame Agyeman loopt voorop naar waar de drummuziek vandaan komt. Zijn oom verzorgt de vurige paaspreek en in zijn adempauzes vertaalt een jonge vrouw de Engelse boodschap naar het Nederlands. Tussendoor krijgen de mondkapjes dragende en op anderhalve meter zittende kerkgangers een fragment te zien uit The Passion of the Christ, de expliciete verfilming van Jezus’ lijdensweg.

Vandaag lijkt niet de dag om te twijfelen aan het christendom. Toch kom ik terug op de vraag die ik twee weken geleden al aan Kwame stelde: of hij om zich heen kijkend denkt aan de koloniale oorsprong van het christendom in Ghana, aan Agyeman Prempeh I, zijn ballingschap en zijn kerstening. Kwame antwoordt eerlijk: ‘Hier denk ik vooral aan Jezus.’