Asielplukkers

WOENSDAGMIDDAG. Een stoptrein uit Roosendaal nadert het eenvoudige station van het Zeeuwse plaatsje Krabbendijke. Op de parkeerplaats wacht in een witte jeep met draaiende motor fruitteler Theo Vogelaar.

‘Ze hebben vaak wel drie of vier namen’, zegt hij. 'De achternaam is bij hun de voornaam. Een heleboel heten Achmed. Ik heb speciaal naar Koerden gezocht. Die weten van aanpakken. Somaliërs heb ik niet zo graag. En Marokkanen zijn in de regel te agressief. Bovendien ligt in zuidelijker gelegen gebieden het werktempo lager. Irakezen en Turken zijn ook wel goed. Alleen kun je ze nooit bij een Koerd in het perceel zetten. Koerdistan claimt een deel van hun land, dat weten die mensen ook allemaal.’
Uit de trein stroomt een twintigtal Koerdische mannen. 'Daar zul je ze hebben’, zegt Vogelaar. Hij wenkt. 'Welkom mannen. Goede reis gehad? Leg de bagage maar achterin.’ Hij wijst de Koerden de kortste weg naar zijn bedrijf en vertrekt in de jeep. De groep zet zich in beweging. Nieuwsgierige Krabbendijkers houden de gordijnen opzij als het gezelschap door de straten trekt.
Het is begin september en het fruit op de vaderlandse velden smeekt om geplukt te worden. Vroeger kon een boer rekenen op hulp van scholieren, huisvrouwen of langdurig werklozen. De laatste jaren hebben ze in de fruitteelt steeds grotere moeite met het vinden van plukkers.
Vogelaar: 'Ik heb ze meegemaakt, de mensen die je kunt krijgen via de sociale dienst of het arbeidsbureau. Die komen met tegenzin. Gaan ze naar de wc, blijven ze een half uur weg. Met een beetje regen rennen ze gelijk naar de schuur. En een trammelant in de boomgaard. Een keer rende er een vrouw naakt doorheen. En zo vaak als er perengevechten uitbraken, niet mooi meer. Meer dan eens stond ik op het punt de politie te bellen om de kavels te laten ontruimen.’
Volgens de Nederlandse Fruitteelt Organisatie (NFO) heeft haar branche de afgelopen vijf jaar door personeelsgebrek een miljoenenschade opgelopen. Fruit dat te laat geplukt wordt verliest direct de veilingwaarde, om af te zakken naar industrieprijsniveau. Het levert dan nog geen kwartje per kilo op en wordt uiteindelijk verwerkt tot moes of babyvoeding. Het is dat schrikbeeld dat Vogelaar door het hoofd spookt.
'Dat nooit meer, dacht ik. In 1993 bestelde ik dertig Polen bij een bureau. ’s Zaterdags kwamen ze aan. Twee dagen later stond de vreemdelingenpolitie op het erf. Bleek dat de Polen alleen beschikten over een toeristenvisum. Ik kreeg een proces-verbaal wegens het plegen van een economisch delict. Ondertussen zat ik met de oogst. De peren zouden overrijp in de koelcellen komen te liggen. Ik ben direct naar het asielzoekerscentrum in Goes gereden. Ik kreeg er tien mee en heb ze gelijk de boomgaard in gestuurd. Uiteindelijk had ik door al dat gedoe vier ton schade. Maar aan die asielzoekers, wist ik, heeft het niet gelegen.’
Achteraf kreeg Vogelaar nog een hoop problemen met zijn initiatief. Werkvergunningen voor asielzoekers werden in die tijd niet zomaar afgegeven. De Arbeidsvoorziening was bang dat asielzoekers de reguliere werkzoekenden in de weg zouden zitten. Toestemming om asielzoekers te werven kreeg een teler pas als er niet één dienstwillige werkloze meer te vinden was. Vaak was het dan al te laat, het fruit al zacht van binnen.
Landbouworganisatie LTO Nederland en het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) zagen wel brood in het plan van Vogelaar. Met de werkloosheid op een dieptepunt en met uitpuilende opvangcentra is de asielzoeker op het land helemaal zo gek nog niet. Dat vonden ook de paarse partijen. Er werd een afspraak over gemaakt in het regeerakkoord. Vorige week besloot het kabinet de regeling maar direct van kracht te laten gaan. Een meevaller voor de telers. Behalve over asielzoekers met een voorwaardelijke verblijfsstatus kunnen zij deze oogst nog beschikken over documenten voor asielzoekers zonder status.
'KOERDISTAN wordt door vier landen aangevallen’, zegt Awni Khoshnaw op weg van het station naar het perenbedrijf van Vogelaar. 'Turkije, Iran, Irak en Syrië. In Hawler, waar ik woonde, heeft het Iraakse leger vijfduizend mensen vermoord. Een aantal is levend begraven. Ik heb gediend in het bevrijdingsleger van de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK). Ik heb gevochten tegen die vuile Irakezen. Ik weet niet hoeveel ik er afgemaakt heb. Mijn naam stond hoog genoteerd op zwarte lijsten. Na diverse bedreigingen ben ik gevlucht. Het heeft me zesduizend dollar gekost om in Nederland te geraken. Mijn vrouw en wat familie zijn achtergebleven. Ik voel dat ze leven, maar ik weet het niet zeker. Ik zit nu een jaar in het opvangcentrum van Burgh Haamstede. Ik wil graag werken. Een Koerd houdt niet graag zijn hand op.’
Op het erf van Vogelaar Fruits BV staan zesduizend lege kisten huizenhoog opgestapeld. De komende vier weken moeten ze stuk voor stuk tot aan de rand met peren worden gevuld. Zeven caravans vormen de slaapvertrekken voor een deel van de groep. In een schuur staan nog eens twaalf stapelbedden. En lange houten tafels met mandjes brood en met pindakaas, hagelslag, stroop of salamiworst. In een hoek staat een televisie met oude fauteuils eromheen. Vogelaar legt de Koerden uit dat ze in de avond gebruik mogen maken van het rummikubspel, de pingpongtafel en de sjoelbak.
Tijdens de broodmaaltijd knoopt Vogelaar een gesprekje aan met zijn nieuwe rekruten. 'Zeg, hoe heet die stad ook weer, waar Saddam zo huisgehouden heeft met dat zenuwgas?’ vraagt hij. 'Hebben jullie daar gewoond? Echt?’
VANWEGE de politieke bijval vorige week hebben bijna alle drieduizend fruitteeltbedrijven in Nederland direct een aantal asielzoekers aangevraagd. Er zijn de komende weken negentienduizend arbeidskrachten nodig om de oogsten binnen te halen. De NFO schat dat 'enkele duizenden’ plaatsen door asielzoekers ingenomen zullen worden.
Conform de cao betaalt Vogelaar zijn manschappen 11,50 per uur. Ze werken veertig uur in de week. Vogelaar: 'In de opvangcentra vervelen ze zich dood. Ze staan te springen om te helpen met de pluk. Die mensen willen in Nederland wonen, het is dan toch logisch dat ze de handen uit de mouwen steken. Ze voelen zich zelfs verplicht dat te doen, ze kosten de Nederlandse maatschappij een hoop geld. Bovendien verdienen ze er een leuke cent bij en bevordert het de integratie. De kans dat ze crimineel worden is ook een stuk kleiner. Zij kunnen het werk doen waar de rest van Nederland zogenaamd te goed voor is.’
'Ik ben opgegroeid in Kefri, een middelgrote stad in Iraaks Koerdistan’, vertelt Dachti Fadek ’s avonds. 'Ik was taxichauffeur. Taxichauffeur in een land waar 182.000 mensen worden vermist. Er zijn duizenden en nog eens duizenden doden gevallen in de strijd tegen de Iraakse veiligheidstroepen. Ik was politiek actief voor de PUK. Toen een partijlid gearresteerd werd, ben ik gevlucht. Eerst naar Istanbul met hulp van een gids. Ik landde op Schiphol zonder dat ik ook maar iets bij me had.
Ik verblijf nu twee jaar in AZC Waddinxveen. De kamer deel ik met drie anderen. Het AZC zit vol met mensen die compleet zijn doorgedraaid. Ik heb dit werk aangenomen om er aan te ontsnappen. ’s Nachts doe ik geen oog dicht. Ik denk aan vrouw en kinderen die nog in Koerdistan zijn. Ik heb ze in gevaar gebracht door te vluchten. Telefoneren is haast onmogelijk. Saddam heeft de kabels doorgesneden. Bellen per satelliet is duur. In het centrum krijg ik 86 gulden per week. Met het geld van de perenpluk kan ik vaker bellen.’
IN DE SCHUUR verheft Vogelaar zijn stem. 'Jullie gaan morgen de conférence-peer plukken. Een soort die goed gedijt in Zuidwest-Nederland. Ze moeten er binnen vier weken af zijn. Het suikergehalte ligt al op twaalf. Het hoeft maar elf te zijn. We hebben te maken met internationale markten die hoge eisen stellen.’
Voor het slapen gaan roept Vogelaar de Koerden een voor een bij zich. Ze mogen een paar laarzen uitzoeken en krijgen een kanariegeel regenpak aangemeten. In de capuchon wordt een nummer aangebracht. Op Vogelaars bureau ligt een formulier van de Arbeidsvoorziening. Daarop staan de namen van degenen voor wie hij een werkvergunning heeft ontvangen. Na een tijdje blijkt dat er meer Koerden in de schuur zitten dan er namen op de lijst staan. 'Vroeger nam ik dan de gok en hoopte ik maar dat er geen inspectie kwam. Die angst is nu weg. Morgen bel ik even naar de Arbeidsvoorziening en wordt het meteen in orde gemaakt.’
Om tien uur gaat het licht uit. In een van de stapelbedden ligt Nouri Mustafa Rebwan. 'Ik woonde in Sulaimaniya. Ik verkocht er schilderijen. Ik spioneerde voor de PUK. In 1996 viel het Iraakse leger de stad binnen. Ik ben naar Tikrit uitgeweken met geheime informatie. In Tikrit verbleef ik bij sympathisanten. Bij een inval werd een medelid gearresteerd. Ik wist dat ik moest vluchten. De martelpraktijken van het Iraakse regime zijn vreselijk. Je kunt je mond niet houden. Ze brandmerken je, laten honden op je los en trekken je nagels uit. Mijn vader en broer hebben me naar de grens met Iran gebracht. Via Iran ben ik naar Turkije gevlucht. Het heeft me zevenduizend dollar gekost om hier te komen. Mijn vrouw en dochter zijn nog daar. Ze vluchten van de ene plaats naar de andere.
Met het geld dat ik hier verdien kan ik wat door Nederland reizen. Reizen is goed voor me. Ik heb psychische problemen. Ik kan niet lang op een plek blijven. Dan word ik gek. Ik zit in AZC Heerenveen. Daar deel ik een bungalow met zeven anderen. Ik heb dit werk genomen zodat ik niet doordraai. Als ik werk denk ik niet na.’
ZES UUR IN de ochtend. Klei zuigt aan de laarzen. De wind, zilt van de Oosterschelde, waait in het gezicht. In hun gele pakken horen de Koerden Vogelaars instructies aan. 'We plukken ieder aan een kant van de boom. We plukken van onder naar boven. We plukken de peren waar we bij kunnen. Kunnen we er niet bij dan pakken we een trap. Niet van boven peren in de kist gooien. Erg belangrijk is dat de steeltjes eraan blijven. Anders gaat de peer rotten in de kist. Wij zeggen altijd: geen meisjes plukken. Begrijpen jullie dat?’
Medewerkers Adriaan en Jos brengen aan de kop van elk perceel twee Koerden in stelling. Als Vogelaar het signaal geeft, vliegen de Koerden op de boompjes af. 'Jongens kalm, rustig aan’, zegt Vogelaar. Maar de Koerden zijn niet te stoppen. Ze gaan als razenden door de boomgaard. De peren in de kist hopen zich snel op. Er wordt een tolk gehaald. 'Ze zijn te zenuwachtig’, zegt Vogelaar tegen de tolk. 'Er vallen te veel peren op de grond. Straks raken de bomen beschadigd. Dit zijn dure bomen, speciaal gekweekt. Kalmeer ze en zeg ze gelijk op te gaan. Dat ze als het ware een lijn vormen.’ In het Koerdisch schallen de instructies over het veld. Na een tijdje hebben de Koerden, volgens Vogelaar, het juiste ritme te pakken.
Om half tien is er pauze. Jos en Adriaan zijn ook tevreden: 'We werken liever met deze mensen dan met Nederlanders. Ze luisteren goed. Er zou op grotere schaal gebruik gemaakt moeten worden van asielzoekers. Er is zat te doen voor ze in de landbouw. En ze willen. Want verder hebben ze niets. Een Nederlander kan altijd weer een uitkering aanvragen.’
Vogelaar: 'De sociale dienst belde gisteren. Zeiden ze: we hebben wat werklozen voor je. Ik kon alleen de telefoonnummers niet krijgen, in het kader van de wet op de privacybescherming! Je moet zo veel moeite doen voor je die mensen op het land hebt. Dat is met deze mannen anders. Haji Kamiran, hun leider, zei gisteren tegen me: als je volgend jaar wil dat we met honderd man komen, dan regel ik dat.’
Om vijf uur verlaten de mannen het veld. Ze kloppen de laarzen schoon en trekken de gele pakken van het bezwete lijf. Met heftrucks halen Jos en Adriaan liefst tachtig volle kisten van het veld.