Asscher bestrijdt het monster uit Ankara

Afgelopen week stuurde minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid eindelijk het langverwachte rapport Turkse islam, over de invloed van Turkse religieuze stromingen en organisaties in Nederland, aan de Tweede Kamer. Hij is niet tevreden. De zorgen die hij had over het ontbreken van transparantie bij deze Turkse bewegingen zijn niet weggenomen. Hij vindt dat ‘onacceptabel’.

Medium 40 groene commentaar lange 20arm

Aanleiding voor het onderzoek waren twee incidenten. Een Rotterdamse ambtenaar ontdekte vorig jaar op de zolder van een Turkse moskee matrassen en stapelbedden voor 120 meisjes. Asscher hamerde er daarna op dat deze zogenaamde moskee-internaten de integratie niet in de weg mogen staan; kinderen moeten niet opgroeien ‘met hun rug naar de Nederlandse samenleving’. ‘Wie zich daar niet aan houdt, kan de boel sluiten’, zei hij ferm. Eerder, begin 2013, ging het over het negenjarige jongetje Yunus. ‘Turkije moet zich niet bemoeien met de pleegzorg in Nederland’, stelde Asscher resoluut. Inmenging van dat land in de plaatsing van Yunus bij lesbische ouders noemde hij ‘volstrekt ongepast’ en ‘aanmatigend’. Leven Turkse Nederlanders in een ‘parallelle gemeenschap’? was de vraag die Asscher daarom aan twee onderzoekers van de Vrije Universiteit en de Universiteit Utrecht stelde. De studie richt zich op de aan de Turkse overheid -gelieerde moskee-organisaties van Diyanet, de nationalistische islamitische Milli Görüs, de mystiek conservatieve Süleymanli en de vooral op onderwijs gerichte Gülen-beweging. De conclusie is genuanceerd: de Turkse organisaties zorgen inderdaad voor een sterke onderlinge ‘bonding’, maar tegelijkertijd ook voor ‘bridging’ naar de Nederlandse samenleving. De bewegingen wijzen bovendien de seculiere rechtsorde en de ‘kernwaarden seksegelijkheid, zelfbeschikkingsrecht, individuele keuze- en gewetensvrijheid’ niet af.

De toon van de begeleidende Kamerbrief van Asscher is een stuk alarmerender. De organisaties dragen wellicht bij aan maatschappelijke participatie, zo schrijft hij, maar dit lijkt vooral gericht op het verwerven van macht en invloed ten behoeve van ‘de eigen groep’. Alle onderzoeken bevestigen, zo stelt de minister, het beeld van een gebrek aan transparantie. Als Turkse Nederlanders door organisaties uit hun herkomstland ‘voortdurend worden aangezet tot oriëntatie op waarden die kunnen wringen met de kernwaarden van de democratische rechtsstaat in Nederland’ staat dat volgens Asscher succesvolle integratie in de weg. Hij wil drastische maatregelen, zoals meer onderzoek naar waardenoriën-taties van etnische groepen in Nederland, verder onderzoek naar financiering van moskeeën en meer dialoog met leiders uit de organisaties. Asscher bestrijdt het veelkoppig monster uit Ankara dat zijn lange grijparm naar ‘onze’ Turkse Nederlanders uitstrekt.

Asscher heeft gelijk: het is goed om krachtig op te treden tegen ongeoorloofde inmenging van een andere staat, om religieus-nationalistische beïnvloeding te bekritiseren en transparantie te verlangen. En het is goed dat politici zich bewust zijn van de politieke en religieuze achtergrond van de Turkse bewegingen in Nederland. Maar de onderzoekers zelf lijken in hun conclusie toch een stuk minder ongerust dan de minister. Opvallend is een vergelijkbare studie in Duitsland, eveneens vorige week gepubliceerd, door het Centrum voor Turkije Studies en Integratieonderzoek in Essen. Dat wijst uit dat de meerderheid van de Turkse Duitsers zich in Duitsland thuis voelt, Duitse vrienden heeft en niet in Turkije wil leven. Het weerlegt volgens de wetenschappers de vrees die ook in Duitsland leeft dat Turkse Duitsers ‘parallelle samenlevingen’ vormen. Het zou zomaar kunnen dat Turkse Nederlanders zich hier ook gewoon thuis voelen.