Hoofdcommentaar

Astronauten zijn overbodig

Met een behouden terugkeer naar de aarde heeft de space shuttle Discovery de droom van bemande ruimtevaart voorlopig weer veiliggesteld. En dat zegt meer dan op het eerste oog lijkt. Het Nasa-ruimteprogramma draait namelijk om die droom. Dat de Amerikanen erin geloven, betekent dat de regering bereid is er geld in te steken. Alle andere overwegingen komen op de tweede plaats, zoals wetenschappelijk nut, technische vooruitgang, economische neveneffecten of militaire toepassingen. Al die doorgaans in hoog dramatische woorden beschreven hoekstenen van het Amerikaanse ruimteprogramma worden geofferd aan datgene wat het zaakje werkelijk draaiende houdt: het sprookje van de held die het onbekende ontdekt.

Het huidige ruimteprogramma heeft drie centrale doelstellingen, in januari 2003 door president Bush afgekondigd onder de naam «Nieuwe visie voor ontdekking van de ruimte»: een nieuw ruimtevaartuig ontwikkelen en in gebruik nemen in 2008, daarmee tussen 2015 en 2020 astronauten naar de maan brengen om te oefenen voor het sluitstuk: het sturen van astronauten naar Mars. Dat alles is prijzig. Het jaarbudget van de Nasa is ruim zestien miljard dollar (zeg maar grofweg wat Nederland uitgeeft aan volksgezondheid, welzijn, huisvesting en landbouw bij elkaar) en daar bovenop zouden de kosten voor een missie naar Mars komen.

Steven Weinberg, winnaar van de Nobelprijs voor natuurkunde, becijferde in The New York Review of Books van april vorig jaar dat de prijs voor zo’n Marsmissie rond de biljoen dollar zal zijn (ter vergelijking: circa honderd jaarbudgetten van een land als Bulgarije). Dat is ruim tien maal zo duur als de missies waarbij de robots Spirit en Opportunity naar Mars werden gestuurd. En wat zouden astronauten dan méér kunnen doen op Mars dan robots? Weinberg kan niets verzinnen. Wel zijn er talloze extra problemen: astronauten moeten eten, drinken en ademen, ze moeten worden beschermd tegen straling en zonnedeeltjes en ze moeten terugkeren op aarde, een bijzonder gecompliceerd onderdeel van ruimtereizen. De Nasa kan alles al wat nodig is voor onderzoek op Mars, behalve astronauten daarheen brengen. Daar moet de Nasa de komende jaren dus alle onderzoek en geld in gaan stoppen. Waarna de astronauten mogen doen wat robots al decennia voor hen deden.

Het behoeft geen betoog dat het wetenschappelijk nut van zo’n bemande missie naar Mars verwaarloosbaar is. Hetzelfde geldt voor de missies die astronauten de afgelopen jaren hebben uitgevoerd, en voor wat zij doen in het internationale ruimtestation ISS. Van die missies is al lang bekend dat de enige inbreng van astronauten in wetenschappelijke proeven het aan- en uitzetten van meetapparatuur is. En zelfs daarmee zijn zij een storende factor, omdat hun lichaamswarmte en bewegingsenergie de resultaten kunnen beïnvloeden. «Veel van het ‹wetenschappelijke› programma dat astronauten moeten uitvoeren in de spaceshuttle en het ruimtestation smaakt naar projecten voor de wetenschapsprijs op een middelbare school», schrijft Weinberg dan ook. Over het algemeen, stelt hij, «zijn astronomen en andere wetenschappers sceptisch over de waarde van bemande ruimtevluchten en zijn zij vaak bitter over hoe die wetenschappelijk onderzoek doorkruisen. Nasa-bestuurders, astronauten, luchtvaartbedrijven en politici vinden het juist prachtig.»

Dat is een invloedrijke groep, en dat zij het prachtig vinden is logisch: ze profiteren er allemaal van. Het is een typische voedselketen in het Amerikaanse politieke landschap. De basis wordt gevormd door overweldigende publieke steun voor bemande ruimtemissies. Zelfs na het ongeluk met de Columbia in 2003 lag die nog boven de tachtig procent. Dat betekent dat politici ermee kunnen scoren. Verschillende presidenten hebben dat dan ook gretig gedaan. Ze beloven extra geld voor iets aansprekends in de ruimte, het publiek vindt het mooi, Congresleden vechten om de aanbesteding, de bedrijven die de opdrachten krijgen lobbyen voorts weer terug om nieuwe investeringen.

De Nasa vaart wel bij de logica van dat spel. De organisatie doet in ruimtevaart, niet in iets anders, en dat wordt wel eens vergeten. Wetenschap is niet hun hoogste doel, en hetzelfde geldt voor andere doelen die Nasa’s bestaan zouden rechtvaardigen. Voor alle doelen geldt dat bemande ruimtereizen weinig tot niets toevoegen. Wat het militaire nut betreft heeft het ruimteprogramma de Verenigde Staten weliswaar veel opgeleverd – zoals intercontinentale raketten en satellieten die de basis vormen van de huidige Amerikaanse hightech-oorlogvoering – maar daar komt geen astronaut aan te pas. En de veel bezongen technologische spin-off van ruimtevaart is in werkelijkheid gering. Veel onderzoek, ook het leeuwendeel ervan in de komende decennia, betreft het ontwikkelen van mid delen om mensen in de ruimte te brengen en in leven te houden in omstandigheden die op aarde niet bestaan. Ongetwijfeld zeer ingeni eus, maar wat kan er nu door naar de winkel?

Bemande ruimtevluchten hebben geen enkele toegevoegde waarde boven onbemande vluchten, maar kosten wel een smak meer. Waarom doet de Nasa zijn astronauten niet gewoon weg? Het simpele antwoord is: omdat de Amerikanen ze willen zien. Een astronaut die zijn leven riskeert, zich in het gewichtsloze begeeft voorbij de volgende frontier om te ontdekken en zijn voeten te planten waar nog niemand zich begaf, dat is avontuur, dat fascineert zoals een zielloze robot nooit zou kunnen doen, welke ontdekking die ook doet. En zo’n avontuur mag best wat kosten.

Een mooi verhaal en niemand die er bij verliest. Maar als een land zulke gaten in zijn sociale vangnet, medische zorg en onderwijs heeft, is bemande ruimtevaart toch moeilijk rationeel te verdedigen. Als een robot alles doet voor een tiende van de prijs en decennia eerder, zou je wensen dat het geld anders wordt besteed.