Over de liefde als illusie

Attenborough en de aantrekkingskracht

Donderdag 18 juni werd de Jan Hanlo Essayprijs Klein uitgereikt in Pakhuis de Zwijger. Het winnende verhaal van Miriam Rasch staat deze week in de Groene, de andere genomineerde essays verschijnen deze week op de site. Vandaag: Jeroen Hopsters ‘Attenborough en de aantrekkingskracht.’

Het hekje langs de van Vollenhovenlaan was ruim een meter hoog. Ideaal voor een zijwaartse sprong, met één hand op de railing en de benen er zwaaiend achteraan. Het was mijn favoriete sprong, en ik was er goed in. Van jongs af had ik me erin bekwaamd, eerst over de boarding langs het voetbalveld, later over het hek van de voortuin. Aanleg speelde een rol, maar het was vooral een kwestie van durf – de extra centimeters telden. Een korte aanloop, niet meer dan twee meter, anders leek het aangekondigde oefening. Achteloosheid deed het beter.

Ik had mijn suède schoenen aangetrokken en mijn lange zwarte jas met paarse revers: de verschijning van een gentleman. Het was februari en op de van Vollenhovenlaan, waar zelden een auto reed, lag een dun laagje sneeuw. Philine had haar hondje meegenomen, zo’n kleine witte, speels en energiek. Lola heette ze. In mijn jaszak hield ik een tennisbal geklemd, die ik te voorschijn haalde toen we het hekje benaderden.

‘Ga maar, Lola!’

De bal stuiterde door de sneeuw, het beestje deed als opgedragen.

‘Braaf Lola, kom maar hier!’

Hond met bal kwam terug. En andermaal:

‘Ga, Lola, ga!’

De bal vloog door de lucht, week af naar links, rolde door twee spijlen van het hekje en lag stil aan – voor Lola – de verkeerde kant.

Dat was het moment. ‘Oei!’ gilde Philine, terwijl ze de bal afwachtend nastaarde. Ik stapte rustig verder, langs het tracé van de bal, met lichte afwijking hekwaarts. De suède schoenen lieten scherpe sporen achter in de februarisneeuw, de jas wapperde statig langs mijn achterlijf. De blik van Philine volgde. Daar was het hek, twee passen versnelling en hup: ik zweefde omhoog, mijn benen schoten naar links en de tijd vertraagde, de wereld verschoot van kleur, een nachtegaal hief zijn lied aan. In volle breedte vloog ik over het hek, dat slechts werd gekust door de flappen van mijn jas. Als evenwichtskunstenaar landde ik in de maagdelijke sneeuw; de aura van mijn gracieuze sprong gloeide na. Ik hoefde niet eens om te kijken om de betovering op Philine’s gezicht te herkennen. De dans was begonnen.

***

Paringsrituelen in het dierenrijk vormen een oeverloze bron van verbazing. Niet lang geleden had de mannelijke kogelvis een wereldprimeur, door aan de camera toe te vertrouwen hoe hij vrouwtjes met onweerstaanbare zandtuinen het hof maakt. Op de cadans van David Attenborough’s stemgeluid glijdt het visje naar de zeebodem, wrijft met zijn buik door het zand en herhaalt die oefening met nauwkeurige regelmaat, totdat er een groot oppervlak van symmetrische ingekerfde cirkels ontstaat. Een neergedwarreld schelpje wordt onmiddellijk uit de zandtuin verwijderd. De kogelvis geeft om details.

Eigenlijk is verbazing niet het goede woord: het is verwondering die door het kogelvisje wordt gevoed. Dat dieren een talent hebben voor symmetrische architectuur valt ook aan een bijenkorf af te zien; dat een zorgvuldig aangelegde tuin wel eens een voorbode kon zijn van goede seks was ons reeds van de prieelvogel bekend. Niet dát ze het doen, maar wát ze doen tart de verbeelding. Het vernuft om leden van de andere sekse te verleiden, manipuleren en bespringen hebben alle soorten die zich seksueel voortplanten gemeen. Maar het bijbehorende strijdplan kent eindeloze variaties.

De paringsdans van futen behoort tot de esthetische pronkstukken. Attenborough neemt ons mee naar Oregon, waar Clarks futen in de lente neerstrijken op grote zoetwatermeren. Het vrouwtje plukt in haar verendek en kijkt schalks opzij naar haar partner. Het mannetje volgt haar voorbeeld, pikt een visje uit het water en reikt het haar aan. De hypnose treedt in werking: de futen verliezen oog voor de wereld en zien alleen nog elkaars bewegingen, die zij met liefdevolle precisie nabootsen. Hun motoriek versmelt; een laatste blik in elkaars rode ogen en ze beginnen synchroon te rennen over het waterdek, om hun paarband te beklinken.

‘Gekke futen’, denkt de BBC-kijker, die het baltstafereel vanuit de woonkamer gadeslaat. Terwijl hij, met een bord op schoot, een hap neemt van het visje dat zijn partner zojuist heeft gebakken.

***

Wat is romantische liefde, anders dan biologisch paargedrag?

Romantische liefde is de zoektocht naar doorbroken vervolmaking. Het is de belofte om je leven een anker te geven: de herkenning van een vaste bestemming, houvast in een wereld in flux. Liefde is een drastisch geloof in de ander, het afwerpen van je egocentrische harnas, de onweerstaanbare aandrang om niet te nemen en slechts te geven. Het besef dat niets ertoe doet behalve de dans die je samen opvoert. De ultieme eenwording, met verdubbeling van plezier en halvering van verdriet. De bereidheid om voor hem of haar te sterven. Liefde is verwarring.

Maar wat is romantische liefde, anders dan biologisch paargedrag?

***

Over de liefde kun je zingen. Je kunt erop dichten, erom huilen. Ernaar zoeken. Erover twijfelen. Maar kun je de liefde ook begrijpen? Ontleden? Blootleggen op de snijtafel van de wetenschap, om de waarheid en de onwaarheid ervan te scheiden?

De romanticus denkt van niet. Ware liefde is een gevoelde waarheid, die niemand van buitenaf kan betwisten: je kunt die waarheid alleen van binnenuit ervaren. Een neurofysioloog kent de werking van ons hormonale verkeer, een gedragsbioloog snapt onze voortplantingsstrategieën, maar liefde, dat is toch echt iets anders. Liefde vraagt niet om reductie, maar om evocatie. Niet om statistiek, maar om lofzang op de onherhaalbaarheid. Kennis van de liefde is geen wetenschappelijke kennis, maar ervaringskennis.

Als we de liefde uitleveren aan de wetenschap, vreest de romanticus, dan verliezen we haar essentie: de essentie van een beleefde werkelijkheid. Wetenschappers hebben immers een track record om de beleefde werkelijkheid te willen vervangen door een andere. Neem sociobioloog E.O. Wilson, die in de jaren zeventig verkondigde dat de moraal een illusie is, aan ons voorgespiegeld door onze genen. Of neuropsycholoog Victor Lamme, die de vrije wil onlangs diagnosticeerde als ‘illusie van onze kwebbelbox’. Welk lot zal de liefde beschoren zijn? Niets dan zinsbegoocheling van onze genen, in hun oeverloze strijd om reproductief succes? Confabulatie van een bronstig brein, dat een passende fabel zoekt bij een overdaad aan hormonale prikkels?

Maar de romanticus heeft niet goed naar Attenborough geluisterd.

***

Birds do it, bees do it. Alle soorten die zich geslachtelijk voorplanten, zijn onderhevig aan dezelfde wetmatigheid: de aantrekkingskracht. Met een arsenaal aan kleuren, geuren en geluiden wekken zij bij soortgenoten een onweerstaanbare aandrang op tot lichamelijke toenadering. Een pauwhaan hypnotiseert de andere sekse met de ogen op zijn staartveren. Vrouwelijke guppies laten zich verleiden door mannetjes met fel oranje tinten. De Californische kreeft lokt haar partners door hen een straaltje urine toe te spuiten. De Californische man en vrouw doen iets soortgelijks, met een luchtje in hun nek.

Niet alleen birds and bees, maar ook the Dutch in old Amsterdam, folks in Siam, and Argentines without means do it. De aantrekkingskracht oefent invloed uit op alle soorten, mens incluis. Welke feromonen je afgeeft, hoe je je baard trimt, welke spijkerbroek je draagt: het kan net het beslissende voordeel geven in het spel van seksuele selectie. Onwillekeurig. Of juist doordacht. Of een beetje van beide.

Onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam bekeken eens welk gedragspatroon de beste indicator vormt van een succesvolle speeddate. De lach op het gezicht? De hand op elkaars schouder? Het bleek de manier waarop de proefpersonen zich ten opzichte van elkaar bewogen: hoe vaker de dates naar elkaar toe schoven, des te groter was de kans dat ze aan het einde van de avond telefoonnummers uitwisselden. Aantrekkingskracht in zuivere vorm: een kromming in de vectorruimte van het liefdesspel, de gravitatiebeweging van twee menselijke deeltjes.

Zulk onderzoek verklaart echter niet waarom juist deze twee mensen elkaar aantrekken. Waarom begint de hormonale dans wel bij het ene, maar niet bij het andere koppel? Hoe kunnen we de aantrekkingskracht, behalve in zijn wetmatigheid, ook in zijn details begrijpen?

***

De oude Grieken hadden een rijk vocabulaire om verschillende vormen van liefde mee te onderscheiden. Romantische liefde, eros, was aantrekkingskracht in de meest extreme vorm: de dolle drift om lichamelijk met een ander te versmelten. Philia: de innige genegenheid die ontstaat in een afhankelijkheidsrelatie, zoals tussen moeder en kind. Pragma was liefde die niet werd gedreven door lichamelijke behoeften, maar door geduld en verdraagzaamheid, zoals bij het lange samenzijn van een oud echtpaar. Agapè beperkte zich niet tot één uitverkorene, maar strekte zich uit naar de hele gemeenschap.

In onze dagdaagse woordkeuze gaan we vaak aan de subtiliteiten van liefdestaal voorbij. Een schattig hondje (‘Lief!’), attent gebaar (‘Lief van je’) en wilde seks (de liefde bedrijven) kunnen we met één en dezelfde term benoemen. Liefde is, zo bezien, een nogal behoeftig begrip: een verzamelnaam zonder nuances. Maar biologen hebben die nuances wel ontwikkeld, en interessant genoeg sluiten ze aardig aan bij de Griekse liefdestaal. Philia? Een vorm van genetisch altruïsme. Agapè? Het gevolg van indirecte reciprociteit. Pragma? Een monogame paarband.

En Eros? In een beroemde dialoog in Plato’s Symposium legt zieneres Diotima aan Socrates de betekenis van liefde uit. Liefde, verklaart Diotima, wordt in de laatste plaats gedreven door voortplanting. ‘Voortplanting is voor sterfelijke wezens de dichtste benadering van het eeuwige leven, onsterfelijkheid’, stelt zij met karakteristieke voorzienigheid. Een biologische waarheid, gehuld in de begrippen van de menselijke betekeniswereld.

***

Terwijl Attenborough ons begeleidt naar het regenwoud van Papoea-Nieuw-Guinea laat hij zijn gedachten varen over de gelijkenissen tussen de pluimen van paradijsvogels en de ornamenten van de mens. ‘Deze vogels lijken, net zoals wij, te beschikken over een esthetisch zintuig.’ En over de baltsplaats van prieelvogels merkt hij op: ‘Dit is geen nest, maar een kunstgalerie.’

Parallellen tussen dierlijke en menselijke gebruiken trekt Attenborough wel vaker – soms legt hij ze er wat te dik bovenop. Maar behalve expliciet vergelijken, doet Attenborough nog iets anders: hij gebruikt menselijke begrippen om in de geest van zijn hoofdrolspelers te kruipen. Attenborough’s dieren hebben indrukken en intenties; ze zijn zenuwachtig, vinden dingen mooi, elkaar sexy. Dat lijkt misschien evident, maar in de ethologie, met haar behavioristische wortels, waren zulke beschrijvingen lange tijd atypisch.

Wat Attenborough niet doet is de dierlijke belevingswereld verbannen naar het rijk der illusies. ‘Het lijkt alsof de kogelvis grote waarde hecht aan een goed onderhouden zandtuin, maar eigenlijk doet het visje niets anders dan het signaleren van zijn genetische fitness.’ Of: ‘De watertrappelende futen ogen verliefd, maar in wezen testen ze slechts de betrouwbaarheid van hun partner.’ Woordjes als ‘eigenlijk’, ‘in wezen’ en ‘niets anders dan’ klinken in zijn vertellingen niet terug.

De natuur die Attenborough zijn kijkers voorschotelt is geen wereld van schijn en fantasie, van dieren die denken dat zij een esthetisch meesterwerk vervaardigen, maar in wezen worden begoocheld door hun genen. Integendeel: het is een natuur van betekenisvolle signalen en conventies. Van dierlijke hoofdrolspelers, die actief betrokken zijn bij het schrijven van het script. De doelen en voorkeuren die Attenborough hen toedicht, bestaan niet alleen in het hoofd van de verteller: het zijn hún doelen en voorkeuren, hún belevingswereld die hen tot handelen aanzet. En die belevingswereld kan niet zomaar uit het script worden geschrapt, zonder de logica van het verhaal te verliezen.

***

De aantrekkingskracht is een wetmatigheid, maar dan in evolutionaire zin: een terugkerend thema met eindeloos veel variaties, details en wonderlijke eigenaardigheden. Precies die eigenaardigheden zijn onontbeerlijk voor ons biologische begrip. Neem nog eens de guppies, met hun voorliefde voor fel oranje tinten. Waarom voelen de vrouwtjes zich tot oranje mannetjes aangetrokken? Het evolutionaire leidmotief – omdat die tinten blijk geven van goede genen – verklaart veel, maar niet alles: waarom oranje, niet geel? De ene kleur is niet intrinsiek beter, functioneler, adaptiever, dan de andere.

Maar in de guppywereld gaat het niet om de kleur an sich: het is de kleur für mich die telt. Vrouwtjes voelen zich tot fel oranje aangetrokken, omdat zij over een belevingswereld beschikken: die kleur vinden ze opwindend! Volgende generaties van guppymannetjes investeren daarom in fraaie oranje tinten: wie goede genen heeft, slaagt daarin doorgaans het beste. Vervolgens wordt de vrouwelijke voorliefde voor oranje – signaal van goede genen – verder versterkt, en zo ontstaat een zichzelf versterkende dynamiek. De vrouwelijke voorkeur is een selffulfilling prophecy op evolutionair niveau: haar kleurconventie groeit uit tot een gerichte selectiedruk.

Dat is het trucje van de evolutie. Met blinde intenties heeft het proces van natuurlijke selectie een rijk van soorten geschapen, wier intenties lang niet altijd blind zijn. Soorten met een belevingswereld, soorten met behoeften en verlangens: soorten die niet louter een speelbal zijn van hun genen, maar tot op zekere hoogte de auteur van hun eigen lotsbestemming en dat van hun nageslacht. Partners in crime bij het selectieproces. En daarover volkomen onwetend, één soort daargelaten.

***

Illusies zijn vreemde verschijnselen: ze suggereren een wereld van schijn, maar sorteren tastbare effecten. Ze lijken niet te bestaan, maar eigenlijk doen ze dat toch – alleen niet op de manier die we ons eerst voorstelden. Wie iets als illusie bestempelt, die is vooral geïnteresseerd in de onwerkelijkheid ervan: de manier waarop iets niet bestaat, de context waarin het verschijnsel ons voor de gek houdt. De schijnwereld, die we moeten ontmaskeren om helderder zicht op de werkelijkheid te krijgen.

Als een schijnwereld bedriegt en misleidt is het zinvol om haar illusoire karakter te benadrukken. Maar niet alle inbeelding is bedrieglijk, niet alle beleving misleidend. Een gedeelde voorkeur kan veranderen in een betekenisvolle conventie, een verbeelde liefde tot een gevoelde waarheid. Is een waterdans werkelijk een teken dat je je partner trouw zult blijven? Is een straaltje urine heus opwindend? Allicht niet voor iedereen, maar wel in de belevingswereld van een fuut en een Californische kreeft. Is fel oranje écht aantrekkelijker dan vaal geel? Wel in de guppywereld – de wereld die er, voor het begrijpen van guppies, toe doet.

En die overrompelende aantrekkingskracht, die iemand bereid maakt om huis en haard te verlaten, de wereld te vergeten en een geliefde tot de verste uithoeken na te volgen? Is zijn of haar blik werkelijk wat jouw leven betekenis geeft? Wel in de beleefde werkelijkheid van een hopeloos verliefde persoon. De werkelijkheid die er, in de mensenliefde, toe doet.

***

Ik wist wel dat Philine niet voor het hekje zou zwichten. Dat haar grote ogen niet priemden in mijn rug, maar al lang waren afgedwaald naar speelse Lola, die tevergeefs probeerde om zich tussen de spijlen door te wurmen naar de bal. Dat onze aantrekkingskracht op inbeelding berustte, romantische dwaasheid waarmee ik mijzelf bij elke ontmoeting voor schut zette. Dat ik niet meer was dan een curiositeit in het kabinet van Attenborough, die zijn beheerste verwondering uitsprak over de suède schoenen in de sneeuw, de gemanipuleerde worp richting het hekwerk, de grandioze sprong.

Ik wist wel dat ik harteloos zou worden afgewezen, maar bevangen was door die vreemde aandrang, die in mij een verrukkelijk genoegen schiep om een verloren strijd te vechten. Om mij met open ogen onder te dompelen in een blinde passie, de bron van hopeloze treurnis.

Ik wist wel dat de liefdestaal tekortschoot. En toch twijfelde ik even toen ik haar mijn richting op zag staren, bal in mijn hand, hond aan mijn voet.

‘Lief!’