Bezuinigingen Niet de Rijksakademie maar Rembrandt

Aufklärung von Oben

De regering-Rutte brengt de rijksbijdrage aan kunst terug met een derde. Hoe strookt dat met de liberale opvattingen over Bildung en cultuur? Cultuurbeleid is paternalisme: weg ermee.

WELKE COLUMNIST heeft nog niet geschreven dat de cultuursector verdeeld, terughoudend of anderszins tandeloos reageert op de aangekondigde bezuinigingen van staatssecretaris Halbe Zijlstra? Op Facebook wemelt het zozeer van de J'accuses, de smaad-, smeek- en beroepsschriften dat mensen zich bij voorbaat al verexcuseren voor het cross posten. Of anders stuit je op een andere protestactie, eentje waar als je even verkeerd met je muis klikt er een zwart kruis over je profielfoto wordt geplaatst, om maar eens aan te geven hoe monddood de burger wordt gemaakt.
Het zijn begrijpelijke, soms nobele, vaak solidaire maar uiteindelijk krachteloze en misplaatste initiatieven, gericht aan dovemansoren. Het vervelende van de bezuinigingen op cultuur is dat het geen bezuinigingen zijn. Bezuinigingen zijn maatregelen die worden getroffen omdat er minder geld is. Het zit tegen, afgaand tij, pech op de beurs, een vergissing van de bank in uw nadeel, kan gebeuren, dus helaas, we kunnen niet alle afspraken nakomen. De remedie is dan de broekriem aanhalen, een boterham met tevredenheid smeren, en wachten op betere tijden. Het advies van de Raad voor Cultuur laat zich geheel verklaren uit die opvatting: laten wij het allemaal een paar jaar lang met dertig procent minder doen en aldus overleven. De reducties van staatssecretaris Zijlstra komen echter voort uit een geheel andere realiteit: dit kabinet vindt de gesubsidieerde sector te groot. Per definitie.
Een sterke teruggang van het subsidiesysteem hing al in de lucht. In november 2009 nam de Kamer met steun van CDA en D66 een motie van VVD en PVV aan waarin de toenmalige minister werd opgeroepen cultuur niet bij voorbaat uit te zonderen van bezuinigingen. Dat was een breuk: tot dan toe werd cultuur in Den Haag door bijna alle partijen ontzien. De perikelen van vandaag zijn dus niet een ongelukkige fluctuatie in een systeem waarvan de intrinsieke waarde door iedereen wordt erkend. Dit is een stap naar de beëindiging van zo'n systeem. Die waarde zelf staat ter discussie.
De gevolgen zijn absurd. Op donderdag reikte de staatssecretaris aan Pilvi Takala de door de Rijksakademie georganiseerde Prix de Rome uit - een prijs uit 1807, nog opgericht door vazal-koning Louis Napoleon, in ere gehouden door Willem I. Bij deze gelegenheid prees de staatssecretaris de winnares, het ondernemerschap van de academie die haar sponsors (KPN en SNS Reaal Fonds) weet te engageren, de internationale context waarin de academie werkt en de steady output van topkunstenaars die ze voortbrengt. Wie de eindpresentaties op de Rijksakademie ziet, weet wat er op de volgende Biënnale van Venetië zal hangen.
Op vrijdag maakte de staatssecretaris met een pennestreek bekend dat hij niet vindt dat de staat de Rijksakademie moet subsidiëren en dat de Prix de Rome ander onderdak zal moeten zoeken. Kwaliteit, internationale uitstraling, externe financiering, partners, traditie: geen argument voor behoud. Zulke organisaties zouden niet meer de verantwoordelijkheid moeten zijn van de staat. Als je het werk van Pilvi Takala kent, weet je dat dit bijna een van haar wrang ironische films zou kunnen zijn.

WAT ZIJN dan nog wél de verantwoordelijkheden van de staat? In de traditie van de subsidiëring van cultuur in Nederland lopen allerlei draden dooreen, nationalistische, communautaire, zedelijke, educatieve, hedonistische. De regeringen van Willem I t/m III verbonden cultuurbeleid met de vormgeving van de natie zelf, het nieuwe koninkrijk, dat zijn eigen dichters en schilders nodig had. Vervolgens werd cultuur deel van de burgerlijke emancipatie, wat leidde tot de oprichting van talloze schouwburgen, concertzalen, wandelparken, dierentuinen - openbare voorzieningen, nadrukkelijk vormgegeven als sieraden voor de steden waar ze verrezen. Daarna droeg de verzuiling haar steentje bij aan de totstandkoming van de culturele infrastructuur, bijvoorbeeld door oprichting van de omroepen. Ten slotte werd kunst ingezet om eerst de arbeider, daarna de vrouw (feministische golf) en daarna de allochtoon (multiculturele samenleving) ‘erbij te betrekken’.
Dit ging verder, in zijn ideologie, dan alleen maar de 'verheffing’ van achtergestelde segmenten van de bevolking; er zat ook een gedachte achter over de ontplooiing van de individuele burger, die door het aanbod van hoogwaardige cultuur zijn menselijke capaciteiten verder zou kunnen ontwikkelen. Cultuur gold zo als politiek instrument, een middel waarmee de geesteshouding van de individuele mens gevormd, of gecorrigeerd, kon worden. Vijftig jaar geleden was dat nog overzichtelijk. Hoge cultuur was nog een paleis, waarin Vondel en Beethoven op de troon zaten; om die cultuur te verbreiden kreeg elk dorp een bibliotheek en elke provinciehoofdstad een symfonieorkest. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor het onderwijs: overal in het land kwamen universiteiten met een compleet profiel.
Wat verheffing vandaag betekent laat zich moeilijk uitleggen middels een close reading van Zijlstra’s nota - daarvoor is het te grillig (zie de Rijksakademie). Wel formuleert Zijlstra duidelijk welke waarde kunst voor de staat heeft: 'de Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw’ openen 'deuren in de buitenlandse politiek’, schrijft de staatssecretaris onder het kopje 'cultuurdiplomatie’, waar hij een specifieke lijst landen geeft waarin culturele samenwerking ondersteunend kan zijn aan verder buitenlands beleid. Ook de keuze om de topinstellingen te behouden kun je vanuit dit perspectief zien: het Rijksmuseum, de Nederlandse Opera, het Nationale Ballet - daar neemt de koningin bezoekende staatshoofden mee naartoe, daar kom je dus niet aan.
Toch ontkomt ook Zijlstra niet aan het verheffingsideaal dat aan cultuurbeleid is verbonden. In Meer dan kwaliteit schrijft hij, onder het kopje cultuureducatie: 'In een wereld die steeds internationaler wordt en waarin we ons steeds meer moeten kunnen verplaatsen in anderen, vervult cultuur een belangrijke rol. De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist.’ Het is een van de weinige onderwerpen waar de staatssecretaris (na, dat wel, eerst de huidige staat van de cultuureducatie te hebben gekapitteld) kunst als een essentieel goed behandelt, iets dat de mensch onherroepelijk vormt. Hij gaat zelfs zo ver dat hij wil investeren in een nieuwe infrastructuur en lesprogramma’s die kinderen en jongeren directer in aanraking kunnen doen komen met de 'rijkdom aan cultuur’ en hun 'historisch bewustzijn’.
We hebben het hier over Bildung. Natuurlijk is dat het liberale dilemma pur sang: hoe kan en hoe mag de, zo klein mogelijke, overheid effectief optreden in zoiets persoonlijks als zelfontplooiing? De afgelopen jaren bezon het wetenschappelijk bureau van de VVD, de Teldersstichting, zich herhaaldelijk op dit onderwerp. Zo publiceerde in december vorig jaar wetenschappelijk medewerker Fleur de Beaufort een interessant artikel over het Bildungsliberalismus van Wilhelm von Humboldt (1767-1835), linguïst, historicus, oprichter van de naar hem vernoemde universiteit in Berlijn en aartsliberaal. Humboldts verzet tegen 'Vielregiererei’ van zijn overheid komt in de 21ste-eeuwse kraam goed te pas, schrijft De Beaufort: 'Der Bürger is nicht Diener des Staats (…) sondern der Staat hat die Aufgabe die grösstmögliche Entfaltung der Persönlichkeit zu fördern und zu sichern.’
Het bevorderen van die 'ontplooiing van de persoonlijkheid’ wordt bij uitstek liberaal genoemd. Het is de basis voor de verdediging van het boerkaverbod, dat de VVD voorstaat. Je zou kunnen zeggen dat het ingrijpen van de staat in de persoonlijke opvatting van een individuele gelovige per definitie onliberaal is, maar het tegendeel geldt: een boerka is een ontoelaatbare vorm van vrijheidsberoving die verhindert dat de dragers, of ze het ermee eens zijn of niet, hun eigen individualiteit voluit kunnen ontwikkelen. De bevrijding wordt van bovenaf opgelegd. Von Humboldt vond die afgedwongen verlichting, die 'Aufklärung von oben’, een contradictio in terminis, schrijft De Beaufort. De ontwikkeling van je individualiteit is per definitie 'Selbstbildung’; aangezien de staat alleen algemene, uniforme regels kan hanteren, en geen rekening kan houden met het unieke individu, is staatsinmenging in die Bildung per definitie schadelijk. Daarin is een parallel te zien met de houding die spreekt uit de cultuurparagraaf in het regeerakkoord en Zijlstra’s beleidsstuk. Cultuurbeleid is paternalisme: weg ermee. Het 'subsidie-infuus’ is ongewenst omdat de overheid daarmee de burger zou voorschrijven wat goed en niet goed voor hem is. In dezelfde paragraaf spreekt de regering zich echter uit over sport. Dat is andere koek. 'Het kabinet steunt de kandidatuur van Nederland en België voor de organisatie van het WK voetbal in 2018/2022 en wil de Olympische Spelen 2028 en de Paralympische Spelen in Nederland. Kinderen en jongeren kunnen zich dankzij sport gezonder en socialer ontwikkelen. Sport in alle wijken is goed voor de gezondheid, maar ook voor de veiligheid.’
Ook nogal wat liberale denkers zien die paragraaf als een merkwaardige tegenstelling. Kinderen worden gezonder van sport, zeker - maar moet de staat erop toezien dat zij gaan voetballen? Moet de staat het bezoeken van korfbalwedstrijden bevorderen, omdat dat goed is voor de sociale ontwikkeling van de jeugd, maar het bezoeken van theatervoorstellingen niet? Je kunt het Rijksmuseum of De Nederlandse Opera zien als Olympische Spelen - het geeft internationale status, heeft een commerciële insteek - maar tegenover sport in de wijk, als kleinschalige plaats voor jong talent, staat niets. Broedplaatsen als de Rijksakademie verdienen immers geen subsidie. Fleur de Beaufort schrijft: 'Hoe kan een liberaal verdedigen dat de staat de financiering van sportaccommodaties in iedere wijk op zich moet nemen, terwijl ons cultureel erfgoed en onze tradities te grabbel worden gegooid?’
In het vorige verkiezingsprogramma van de VVD kreeg de kunst en de bescherming van het cultureel erfgoed grote aandacht, al was het alleen al omdat het belang daarvan voor identiteitsvorming werd onderkend. Nu vindt men dat overheidsinvloed en subsidies 'verstorend’ werken. Maar dus niet overal. Het sportbeleid van OCW lijkt gebaseerd op de ferme opvatting dat subsidiëring van sport gewenst is, omdat de overheid de burger moet leren wat 'gezond’ en 'sociaal’ is. Culturele instellingen die 'met de knip naar de overheid staan’ worden daarvoor nu publiekelijk beschimpt. Doen betaald-voetbalverenigingen dit, dan knijpt de overheid een oogje toe. Het is dit soort flagrante inconsistenties over geestelijke ontplooiing dat de weldenkende burger tot wanhoop drijft. Het is niet dat de regering 'rechts’ is, of een 'rechts beleid’ voert. Wás de regering maar 'rechts’. Wás er maar een consistent idee over wat 'cultuur’ in een 21ste-eeuwse context betekent.
Om het buitenland te tonen dat wij een land zijn dat waarde hecht aan 'spontaniteit en verbeelding’ - als brandstof voor innovatie, bedoelt de staatssecretaris daarmee - kiest Zijlstra niet voor de Rijksakademie, maar voor Rembrandt. Een goede schilder, daar niet van, maar al 350 jaar dood. Met de levende verbeelding weet hij geen raad.