Marokkanen in West, vijf jaar na de explosie

August Allebépleinvrees

Als ergens in Amsterdam-West een Marokkaanse jongen zijn stem verheft, trekt de mediakaravaan nog altijd naar het August Allebéplein. Wat is er sinds de rellen in 1998 rond dit plein eigenlijk gebeurd? Een reconstructie van vijf jaar ketenbenadering, zelforganisatie, idealisme en doorzettingsvermogen.

In de zomer en herfst van 2003 wordt het nieuws in Amsterdam bepaald door de criminele Marokkanen uit West. Ze knopen poppen op die politieagenten moeten voorstellen en beroven Hollandse bejaarden tehuisbewoners. Ze demonstreren tegen zinloos politiegeweld en richten vervolgens vernielingen aan. «De maat is vol» en: «We konden het in 1988 allemaal al zien aankomen» koppen de kranten. Bij elk incident bellen journalisten automatisch stadsdeel kantoor Slotervaart/Overtoomse Veld plat en zwermen ze uit over het August Allebéplein. Daar kwam het vijf jaar geleden immers tot die legendarische «veldslag» tussen Marokkaanse jongeren en politie. Maar anno 2003 is er op het plein weinig te merken van de terreur die de stad in zijn greep houdt.

Stadsdeelvoorzitter Henk Goettsch heeft aanvankelijk geen oren naar een interview: «Ik word al vijf jaar gestalkt over Marokkaanse jongeren en het Allebéplein. Wat kan ik nog zeggen? We pakken de harde kern aan. En dan zijn er nog de jongens die er tegenaan hangen. Die volgen we overal en voortdurend, om te voorkomen dat ze crimineel worden. Het probleem wordt opgelost. Meer nieuws heb ik niet.»

Ton Smakman en Natasha Los zijn de buurtregisseurs (sinds 2000 is dat de officiële benaming voor de wijkagent) van Overtoomse Veld, de wijk rondom het Allebéplein. Ze wijzen er fijntjes op dat het uitgestrekte Amsterdam-West, met zijn 160.000 inwoners, verdeeld over de stadsdelen Osdorp, Geuzenveld/Slotermeer, De Baarsjes en Slotervaart/Overtoomse Veld, vergelijkbaar is met een stad als Hilversum. Hun suggestie: probeer het wat de poppen betreft eens in Osdorp; het bejaardentehuis bevindt zich in Geuzenveld. Ze willen de problemen in hun eigen Overtoomse Veld allerminst bagatelliseren, en de rellen vijf jaar geleden waren een tragisch dieptepunt. Maar, zeggen ze, in de afgelopen vijf jaar hebben we hier grote vooruitgang geboekt. Ze zijn niet de enigen. Regelmatig wordt gezegd dat de rellen van 1998 uiteindelijk een blessing in disguise zijn gebleken.

Na de rellen, die tot in Den Haag na-echoden, gingen alle belanghebbenden en betrokkenen, van de minister tot de vertegenwoordiger van de Marokkaanse gemeenschap, rond de tafel zitten. Hoofdvragen: hoe heeft het zo ver kunnen komen, en hoe voorkomen we dat het nog eens gebeurt? Het zogenoemde flitspuntmodel kwam op tafel, gebaseerd op analyses van Engelse rassenrellen in de jaren tachtig en Amerikaanse rellen begin jaren negentig.

Het beschrijft een vast patroon: een ogenschijnlijk onnozel incident, meestal een arrestatie, werkt als een lont in het kruitvat en leidt tot grootschalige ongeregeldheden. Aan het incident zelf gaat een incubatietijd vooraf waarin de relaties tussen burgers en politie geleidelijk onder druk komen te staan. Territoriale aanspraken en wederzijds wantrouwen liggen daaraan ten grondslag. Beide partijen voelen zich al langer geprovoceerd en getart. Het incident zelf volgt altijd op kleinere incidenten en klachten van bewoners. Is de beer eenmaal los, dan werken pogingen de gemoederen te bedaren nog slechts averechts.

Precies zo was het gegaan.

Het ging slecht met Overtoomse Veld in de tweede helft van de jaren negentig. Jongeren hadden ruzie met buurtregisseur Jerry Prins. Over en weer werd er getreiterd. Elke agent die langskwam, werd demonstratief de rug toegekeerd. Welzijnsorganisatie Impuls bereikte de opstandige jongeren ook niet. De topzware organisatie lag met zichzelf overhoop en voerde een beleid van pasjessystemen en camera’s, waarmee het de doelgroep eerder wegjoeg dan aantrok. Stadsdeelbestuur, politie en de talloze verzuilde bewonersorganisaties vormden los drijvende eilanden die nauwelijks met elkaar communiceerden. De politie voerde een inconsequent zero tolerance-beleid; de willekeurige samenscholings verboden zaaiden onvrede. Als er in de buurt een auto uitbrandde, nam niemand de moeite om de politie te bellen. Elk weekend werd ingebroken in scholen. Op het plein werd zelfs tol geheven: een geeltje om over te steken. Binnen de Marokkaanse wereld wemelde het van de organisaties — liberaal, religieus, ruraal, Berbers, Arabisch. Ze maakten onderling ruzie en voelden zich miskend door de overheid. De veenbrand smeulde al een jaar of vier.

Op 23 april 1998 arresteerde de gehate wijkagent een jongen die naast een brandende prullenbak stond. Het was de verkeerde. De vader van de jongen protesteerde, maar werd niet gehoord. Aangezien het een van de eerste warme lenteavonden was, hingen er veel jongeren rond op straat. Al snel stonden tientallen vaders en 150 Marokkaanse jongeren te demonstreren tegen de politie. De eerste steen vloog door de lucht, de ME kwam erbij, knuppels werden getrokken, de zaak escaleerde. AT5 deed er live verslag van. Diep in de nacht kwam de buurt min of meer tot bedaren. Er waren vier arrestanten, elf gewonde politieagenten en enkele gewonde buurt bewoners. En vooral: veel politieke scherven.

Hier was dus sprake geweest van het flitspuntmodel. Maar dan? Het model leert je ook de typische kenmerken van «flitspunten» te onderkennen, waardoor je kunt voorkomen dat lastige contacten tussen politie en burgers uit de hand lopen. Flitspunten in de kiem smoren — de preventieve aanpak moest voortaan weer een belangrijk deel van het beleid worden.

Henk Goettsch is afkomstig uit het Noord-Hollandse dorp Petten. De PvdA’er is van huis uit bedrijfseconoom en omschrijft zichzelf als «links conservatief». Op 23 april 1998 is hij net een week stadsdeelvoorzitter. Goettsch moet dus eerst gaan puinruimen. Enthousiast zet hij een tweesporenbeleid in. Aan de ene kant repressief. Geen onnodig machtsvertoon in de trant van «de wijk blauw verven», maar wel zo veel mogelijk aanhoudingen om de criminaliteit naar landelijke proporties terug te brengen. Aan de andere kant moet de dialoog worden hersteld met alle fracties in de wijk. Veel praten, nog meer luisteren, maar dan niet op de geitenwollen-sokkenmanier van de jaren tachtig. Want Goettsch is niet van pappen en nathouden. Hij hoeft, zegt hij, niet de baas te zijn, maar hij is wel rechtdoorzee, bot als dat nodig is. Hij staat voor de combinatie van harde hand en zachte hand. Ingrijpen maar ook een alternatief bieden. Een situatie creëren waarin iedereen wint.

Na een jaar geeft hij het sein «brand meester». Het stadium van de symptoom bestrijding is nog niet achter de rug, maar de criminaliteitscijfers zijn gestabiliseerd. In 2002 is het aantal aangiftes zelfs teruggebracht tot het landelijke gemiddelde (113 per 1000 inwoners). In twee jaar tijd daalt het aantal meldingen van straatroof met maar liefst 44 procent naar 7,4 per 1000 inwoners in 2002. Goettsch is er trots op.

Over de criminaliteit in zijn stadsdeel zegt hij: «Het is onacceptabel als een groep van 150 man een hele wijk in gijzeling houdt. De grote winst van de afgelopen vijf jaar is dat we de harde kern hier bijna weg hebben. Wij winnen deze strijd wel. Je moet je van die jongens ook weer niet te veel voorstellen. Als ze nou aan bendevorming deden, maar nee, er is geen structuur. Voor een tientje trappen ze een oud vrouwtje in de rug, en tot voor kort deden ze dat dan ook nog in hun eigen wijk. Daar worden ze nu dus hard voor gepakt.»

Goettsch voelt zich vaak de burgemeester van het dorp. Op straat valt op hoeveel mensen hij kent — «Hé Ahmed, je trekt met je been!» — en hoe gemakkelijk hij communiceert. Hij gelooft, zegt hij, in de kleine dingen. Zoals projecten die de buurtbewoners zelf opzetten. De Buurtvaders bijvoorbeeld: «Die subsidiëren we met een bescheiden negenduizend euro per jaar. Hoewel ik het best graag zou willen, kan ik niet in cijfers uitdrukken wat het oplevert. Als ze ruziemakers op straat tegenkomen, halen ze die uit elkaar. Als het rustig is, zoals de laatste tijd, doen ze feitelijk niets. Maar er gaat wel een preventieve werking van uit. Als ze op woensdagmiddag in de bibliotheek zitten, bespaart me dat een dure beveiligingsbeambte. We toetsen globaal: wat vinden de buurtregisseurs en welzijns werkers? Levert het ons ook goede informatie op? Op die manier. Het is een beetje houtje-touwtje-beleid. Maar het werpt vruchten af.»

Goettsch komt veel op straat. Voor de buurtregisseurs Los en Smakman geldt dat in nog hogere mate. Het politiedevies «kennen en gekend worden» wordt op een ongedwongen manier in praktijk gebracht. Ogenschijnlijk tenminste. Want als Smakman, prominent aanwezig, door de straten van Overtoomse Veld loopt, mag zijn aandacht geen moment verslappen. «Onze prioriteit zijn de probleemjongeren. Het contact met hen is van levensbelang. Ik kan niet zomaar anoniem langslopen. Ik geef iedereen een hand, maak altijd een praatje. Ik moet daarbij telkens de balans behouden tussen gezag en sociaal contact.»

«Wij zijn de huisartsen van de politie», zegt Los.

Direct na de rellen verving Ton Smakman de beklaagde buurtregisseur Prins. Smakman is een gedreven politieman, zelf opgegroeid in de Van Beuningenstraat in de Staatsliedenbuurt en behept met de flair van een goocheme straatjongen. «Ik ken jullie, ik weet waar jullie vandaan komen» — dat is zijn houding en het maakt hem vooral bij de wat jongere jongens populair.

Natasha Los, sinds een jaar buurtregisseur, is net zo bevlogen. Tot zeven jaar geleden was ze advocate, maar ze koos bewust voor de politie. En voor deze zware wijk. «Met veel jeugd, want dat vind ik interessant.»

Onveilig voelt ze zich nooit. Iedereen kent haar en zij kent haar pappenheimers: «Met de meeste overlastbezorgers heb ik goed contact. Ik benader ze doodnormaal met respect en daardoor kan ik ze ook aanspreken op hun gedrag.»

Natuurlijk, geeft ze toe, met sommigen kun je echt helemaal niks: «Je stuit op een muur. Maar dan hebben ze aan mij een slechte. Als ze hun kans op een goede relatie niet pakken, of zich niet houden aan afspraken, dan zal ik de eerste zijn om ze bij een wetsovertreding te laten oppakken.»

Met hun manier van werken hebben Los en Smakman al menig flitspunt in de kiem gesmoord. Natasha Los: «Als het dreigt te ontsporen, pikken we enkele knapen uit de groep en die vragen we dan het probleem te helpen oplossen. Haal ze uit hun groep en spreek ze aan op hun individuele verantwoordelijkheid. Meestal lukt dat.»

Goettsch, Los en Smakman komen elkaar veel tegen. Niet alleen op straat maar ook in de sterk toegenomen hoeveelheid overlegstructuren. Eind jaren negentig is «keten benadering» het sleutelwoord voor beleids makers. In een ultieme poging de problemen van de multiculturele samenleving het hoofd te bieden, moeten politiek, politie, justitie en welzijn — de bloedgroepen die elkaar van oudsher wantrouwen en tegenwerken — hun stellingen verlaten en echt gaan samenwerken. Harde-kern-jongeren bijvoorbeeld zijn extreem bedreven in het tegen elkaar uit spelen van de instanties en ontspringen dan telkens halverwege de bureaucratische molens de dans. De ketenbenadering moet dat voorkomen. En niet alleen dat: door de gelijktijdige input van bijvoorbeeld politie, justitie en welzijn krijgt de overtreder een behandeling op maat.

In 1999 opent Justitie in de Buurt (JIB) een vestiging in de Piet Mondriaanstraat, de straat waar volgens de gemiddelde surveillerende agent de helft van de harde kern vandaan komt.

Het JIB, waarin alle bloedgroepen vertegenwoordigd zijn, heeft er twee jaar over gedaan om de harde en zachte handen op elkaar af te stemmen, de harde kern in beeld te krijgen en actie te ondernemen, vertelt coördinator Jack van Midden: «Sinds 2001 pakken we die harde kern ook echt met succes aan. We hebben een targetlijst met honderd jongeren die overal gevolgd worden, ook buiten de stad. Ons streven is om daarvan zestig procent in een passend traject te krijgen. Dat lukt. Onze boodschap nu is: justitie, politie, hulpverlening en zorg, kortom iedereen kent jou en heeft jou in de gaten. Dat is onze grote kracht.»

De ketenbenadering wordt ook toegepast door het vergelijkbare Jongeren Opvang Team (JOT) dat in 2001 van start ging en zich specifiek richt op de jonge tot zeer jonge first offenders. Er is ook Veilig In en Om de School (Vios), een samenwerkingsverband van scholen, politie en justitie. Er zijn nieuwe vormen van samenwerking met woningbouwverenigingen en tussen corporaties onderling.

Hoe groot de verbeteringen op het gebied van samenwerkende instanties ook zijn, de opmerkelijkste initiatieven worden niet op beleidsniveau geboren maar bij zelforganisaties.

Begin 1998 is Hicham Darif net getrouwd, zijn vrouw is in verwachting en hij volgt een opleiding tot buschauffeur. In zijn vrije tijd maakt hij zich sterk voor de komst van een jongerencentrum. Als de bom barst, denkt hij dat het er helemaal nooit meer van zal komen. Maar het tegendeel is waar. De nieuwe wethouder vraagt hem juist nu door te gaan met het project en creëert daarvoor voor Darif een Melkertbaan. In september 1998 wordt Oportuna geopend, niet gerund door professionele welzijnswerkers van buitenaf maar door de jongens uit de buurt zelf. Darif werkt er vier jaar als jongeren werker en stapt in 2002 over naar welzijns organisatie Nieuwe Perspectieven.

Redouan Daafi, die ooit droomde van een voetbalcarrière, werkte aanvankelijk als vrijwilliger in Oportuna maar is nu sinds een jaar betaald fulltimer. Volgend jaar gaat hij een hbo-opleiding cultureel-maatschappelijk werk volgen. Hij laat de soos zien: een jeugdhonk zoals er veel zijn. Met schilderingen van Tupac en Bob Marley aan de muur, een bar met discomeubel, tafelvoetbal en pingpongtafel. Door de ruimte schalt raïmuziek, aan de bar zitten Marokkaanse meisjes theedrinkend te kletsen. Straks gaan ze even samen dansen. Nee, natuurlijk niet met jongens, want in Oportuna zijn alle activiteiten bewust gescheiden. De meisjes zeggen dat ze er «absoluut geen behoefte aan hebben om een neef of broer hier tegen te komen» als ze hier zijn voor hun lol.

Daafi’s benadering van de jongeren komt grotendeels overeen met die van Los en Smakman: «Er komen hier gemiddeld veertig jongeren per avond. Onze strategie is: doorbreken van de groepsdynamiek, de anonimiteit wegnemen. We stimuleren de jongeren om mee te praten, eens een bardienst te draaien, zelf een voetbalteam samen te stellen. Maar als je kliert, ben je niet meer welkom. Zo raken ze betrokken en leren ze verantwoordelijkheid te nemen. Ze moeten hier allemaal Nederlands spreken, hun moedertaal accepteer ik niet. Oportuna is hun tweede huis geworden. Het is van hen.»

Op 16 april 1999 lopen negen buurtvaders hun eerste ronde door Overtoomse Veld. De essentie is dat deze ouders verantwoordelijkheid nemen voor het gedrag in de openbare ruimte. Het Marokkaanse Buurtvaderproject krijgt, behalve van Goettsch, meteen ook steun van de politie. De media geven er landelijke bekendheid aan en in 2000 nemen de vaders, na hard lobbyen door het stadsdeel, twee prijzen in ontvangst, waaronder de Europese Misdaadpreventieprijs. En niet te vergeten: wat ze doen blijkt te werken. Als er iets misgaat, zijn ze er meteen. Ze kennen iedereen, komen in de moskee en weten de weg naar de ouders. De methodiek wordt beschreven in een handzaam boekje en door heel Nederland geëxporteerd. Inmiddels lopen in vier andere Amsterdamse stadsdelen en de andere grote Nederlandse en Belgische steden ook buurtvaders rond. De vaders van Overtoomse Veld breiden hun activiteiten nu ook uit, bijvoorbeeld met voorlichting geven op scholen.

De naam zegt het al. Het project En Nu Iets Positiefs (Enip) is een reactie op de negatieve berichtgeving die de buurt in 1999 nog steeds teistert. Buurtvaders, Oportuna, stadsdeel, buurtregisseur, Impuls en de Albert Heijn op het plein steken spontaan de koppen bij elkaar en bedenken een onconventioneel, vrijwillig werkervaringsproject voor de risicojongeren in de buurt. Begin 2000 is een groep van dertig jongens geselecteerd, veelal schoolverlaters op de rand van een criminele carrière. In een ruimte in de buurt knappen ze, onder professionele begeleiding, gedurende drie maanden afgedankt meubilair op. Wie het traject afmaakt — en dat zijn er twintig — mag mee naar Marokko, om de materialen af te leveren bij een weeshuis en een ziekenhuis. Redouan Daafi herinnert zich de impact van de reis: «Ze werden geconfronteerd met leeftijdgenoten zonder enig toekomstperspectief. Ik heb harde straatjongens in huilen zien uitbarsten. Ze realiseerden zich plotseling hun eigen situatie, dat zij wél mogelijkheden hebben. En dat heeft zich naderhand doorgezet. De meesten werken nu. Een paar zitten nog op school.»

Ook dit project wordt vervolgd en geëxporteerd, mede dankzij drie ton subsidie van de centrale stad. Enip II begint net op gang te komen in Overtoomse Veld; volgend jaar gaat het ook van start in vier andere stads delen.

Oportuna, Buurtvaders en Enip zijn ini tiatieven voor en door de doelgroep. Dát is er het grote voordeel van. Daarnaast zijn ze doorgaans goedkoper dan wat volledig opgetuigde welzijnsorganisaties bedenken. Zijn het de dragers van het lokale sociaal beleid van de toekomst? Het is niet uitgesloten. «Vijf jaar geleden waren we het getto van Nederland. Nu laten we Nederland zien hoe het kan», zegt Darif.

Is alles nu dan koek en ei in Overtoomse Veld? Niet bepaald. Er wordt nog steeds geroofd en ingebroken. De schooluitval is onrustbarend. Wie het zich enigszins kan veroorloven, vertrekt uit de buurt, die in het kader van de stedelijke vernieuwing overigens zo goed als integraal moet worden gesloopt. Er staan te veel scholen en er komen te veel opgeschoten scholieren in de buurt. De oude Hollandse bewoners, die je soms schichtig langs ziet schuifelen, voelen zich, terecht, in de steek gelaten en zitten hun tijd uit in een wereld die niet meer de hunne is. Voor hun noden is bepaald minder aandacht dan voor die van een kleine groep rotjongens. En Smakman en Los mogen dan op goede voet staan met «hun jongens», dat geldt lang niet voor elke agent die hier surveilleert. Die kan met zijn botte optreden alles verpesten wat Los en Smakman aan goodwill hebben opgebouwd.

Overtoomse Veld kent overduidelijk zichtbare armoede. In straten als de Hart Nibbrigstraat en de Jan Makkesstraat ademt de treurigheid je uit de portieken tegemoet. En in zekere zin leeft het grootste deel van de bevolking hier in isolement. Illustratief is wat Daafi vertelt: «Je bent zestien en je moet een nieuwe broek kopen. Hier in de buurt heb je geen kledingwinkels. Dus je moet de stad in: onbekend terrein. Dus je neemt vijftien vrienden mee. In de winkels schrikken ze zich dood. En als iemand problemen krijgt met jou, krijgt-ie ook problemen met je vijftien vrienden. Zo gaat het mis. Dat praat ik niet goed. Het geeft wel de kern van het probleem aan: individueel voelen deze jongens zich niet veilig in de buitenwereld. Maar juist de groep waarin ze zich terugtrekken, wordt door die buitenwereld als bedreigend ervaren. Zulke vicieuze cirkels proberen wij te doorbreken.»

Vaak hebben die jongens weinig anders dan hun groep. Nu de politie ook probeert ouders meer te betrekken bij hun eigen kinderen, en bij ze over de vloer komt, is er een nieuw, kolossaal probleem aan het licht gekomen: de ouders zijn er vaak niet. Los: «Vaders of beide ouders blijken in Marokko te zitten en laten de zorg van de kinderen over aan de oudste zus, broer of buurvrouw. Daar ligt de oorzaak van heel veel ellende.»

Maar toch, vijf jaar Allebéplein toont aan dat beleid in de praktijk wel degelijk kan werken. Dankzij de ketenbenadering wordt er veel beter gecommuniceerd door instellingen die elkaar vroeger niet zagen staan. Dat heeft geleid tot een effectievere aanpak van de criminaliteit en tot sterk gedaalde misdaad cijfers. Met de combinatie van repressief en sociaal beleid heeft de politie succes. Er wordt vroegtijdig, snel, consequent, en waar nodig hard ingegrepen. Tegelijkertijd heeft de politie dankzij de buurtregisseurs hier ook veel krediet teruggewonnen. Ambtenaren op verschillende niveaus hebben ingezien dat je goede initiatieven van bewoners snel moet ondersteunen. Die initiatieven blijken succesvol en worden nu, in enigszins geformaliseerde vorm, geëxporteerd naar andere stads delen, steden en zelfs het buitenland. En: je kunt nog zulke goede beleidsplannen hebben, zonder uitvoerders die met hart en ziel en vooral doorzettingsvermogen te werk gaan, komt er niet veel van terecht. Die mensen moet je belonen.

Minister Remkes vindt dat de politie vooral repressief moet optreden. Minister Donner lijkt te willen bezuinigen op de reclassering, een dienst die, om recidive tegen te gaan, cruciaal is in de ketenbenadering. Ze zouden er goed aan doen om eens op de thee te gaan in Overtoomse Veld.