groen

Augustus

Het is 1 augustus als ik dit schrijf, twee dagen na vrijdag, de dag waarop ik gewoonlijk mijn column doormail. De zon schijnt. Gisteren regende het de hele dag, werkelijk vanaf het moment dat we in de tuin kwamen tot we de tuin verlieten. Al twee dagen zeg ik: ‘Ik heb nog geen column, daar moet ik iets aan gaan doen’, zonder me overigens veel zorgen te maken. Gisteren, in al die nattigheid (die je trouwens vanaf het moment dat je doorweekt bent eigenlijk niet meer opmerkt), keek ik scherp om me heen; luisterde ik naar tuinmaat Han die sprak met de bazen of met mijn vader, die - nieuwsgierig als ze altijd zijn, in tegenstelling tot mij - langskwam met mijn zus, zwager en neef; probeerde ik ook eens een zacht 'au’ op te vangen van een afgezaagde berkentak of de berkenboom zelf, maar het mocht niet baten: er was simpelweg niets. Er was in de hele dag geen haakje waaraan ik iets zou kunnen ophangen, geen zin waarop ik kon voortborduren, geen brandnetel die in gedempt kermen uitbarstte.
Afgelopen week was ik twee dagen in het uiterste zuiden van Brabant, in een groot huis aan een weg die voor het huis overging in een zandpad. We fietsten en liepen ook door het Hageven, waar de Dommel stroomt. Padvinders kanoden op het vlietende water, overal groeiden gagel en koningsvarens. En verder was er niets, geen haakje, geen zin. Behalve de kinderboekenschrijver, die onder aan de ladder stond en telkens wanneer er een dikke beukentak omlaag stortte 'au’ riep. Niet omdat hij die tak op zijn kop kreeg, nee, omdat hij wérkelijk dacht dat de beuk leefde. Er zijn zo veel momenten waarop mensen zeggen: 'Hier kun je leuk over schrijven.’ Waarop ik dan antwoord: 'Ja, nee, alleen als jij nu in een sloot valt of iets heel gedenkwaardigs zegt.’ Soms is er gewoon niets. Ik weet wel hoe het komt: het is 1 augustus, de eerste dag van de meest overbodige zomermaand. Ik wil hem verbannen, ik heb nu al zin in september. De zomer duurt altijd een maand te lang.