Etnisch geweld in Birma

‘Aung San Suu Kyi heeft haar geloofwaardigheid verspeeld’

Hervormingen in Birma hebben niet kunnen voorkomen dat het geweld tussen boeddhisten en moslims weer is opgelaaid. Vooral in Rakhine-staat is de tragedie compleet. ‘De moslims zijn in aantocht!’

Het kleine appartement kijkt uit op een oer-Amsterdams tafereel. De roodstenen gevel van het Eden Hotel en rijen afgejakkerde fietsen tegen het hek. Maar binnen staat de verwarming tropisch hoog en uit de keuken komt de geur van oosterse kruiden.

De drieënhalfjarige Rizwana laat haar vader goudkleurige eikenbladeren zien, maar Sazaat Ahammed reageert afwezig op zijn dochtertje. Zijn aandacht is bij de laptop die de verbinding vormt met zijn thuis in Rakhine, een staat in West-Birma. Toen daar eind oktober de spanning tussen de islamitische Rohingya’s en de boeddhistische bewoners tot een nieuwe uitbarsting kwam, sloeg ook een deel van de familie van Sazaat en zijn vrouw Sophia halsoverkop op de vlucht.

Na een ‘Salam aleiku __m_ ’_ klinken de stemmen uit de computer allengs smekender. ‘We hebben niets meer. We hebben voedsel, kleren en medicijnen nodig. Stuur dat alsjeblieft’, zegt een vrouw. Sazaat belooft dat hij zal doen wat hij kan om die hulp te zenden. In een volgend telefoontje meldt een zwager van Sazaat: ‘Ik wil naar India vluchten.’ ‘Naar India?’ reageert Sazaat. Hij grijpt met een zucht naar zijn voorhoofd. ‘Met vier kinderen. Hoe wil je dat gaan doen?’

Na drie gesprekken leunt hij achterover op de bank en laat de wanhoop van zijn familie op zich inwerken. ‘Ze huilen met hun hart.’ Hij vouwt zijn handen op zijn kortgeknipte haar. ‘Ik voel me machteloos.’

Normaal gesproken is Sazaat een energieke goedlachse man met jongensachtige gebaren, maar nu is zijn gezicht boven de trui met rode, grijze en blauwe strepen ouder dan zijn 43 jaar en zijn bewegingen hebben iets vermoeids. Al wekenlang beheerst de situatie in zijn vaderland het kleine huishouden in Amsterdam. De onrust begon toen in juni een boeddhistische jonge vrouw door drie moslims werd verkracht en vermoord. Uit wraak doodden boeddhisten tien islamitische pelgrims. Het geweld breidde zich uit en er vielen minstens negentig doden. De noodtoestand werd afgekondigd en de regering stuurde extra militairen, maar het conflict bleef voortwoekeren en laaide half oktober weer op. Daarbij kwamen volgens officiële cijfers ruim honderd burgers om, maar het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk veel hoger. In de golf van paniek zijn overal vermisten en minstens 110.000 mensen zijn de afgelopen maanden ontheemd geraakt. Het geweld richt zich vooral tegen de achthonderdduizend Rohingya’s. Terwijl Sazaat en Sophia via internationale nieuwszenders en beelden op internet zagen hoe huizen in vlammen op gingen en een stroom vluchtelingen op gang kwam, probeerden ze tevergeefs te achterhalen hoe hun familieleden eraan toe waren. Toen na dagen van onheilspellende stilte verlossende telefoontjes kwamen, bleek dat de gezinnen per boot gevlucht waren naar een eiland voor de kust van de provinciehoofdstad Sittwe. Daar bivakkeren de mannen in een overbevolkte moskee, de vrouwen logeren bij families in huis. Tot nog toe hebben humanitaire organisaties slechts minimale toegang tot het gebied omdat de autoriteiten hulp aan de ongewenste minderheid zo veel mogelijk weren.

Sazaat plaatst de berichten die hij ontvangt uit Rakhine-staat op de website van Rohingya­blogger. Hij belt en mailt voortdurend met anderen in de diaspora, die ongeveer een miljoen Rohingya’s telt, om te overleggen hoe het lot van zijn landgenoten onder de aandacht van politici en publiek te brengen is. In zijn laptop zit het ontwerp van een folder die hij binnenkort bij tienduizenden wil verspreiden. Het is een noodkreet. ‘Red de overgebleven Rohingya’s’ en ‘Genocide Noodsituatie’ staat er tussen foto’s van lijken en burgers die wegvluchten uit dikke rookwolken.

Sazaat stamt uit een familie van politici. In de jaren vijftig had zijn grootvader een zetel in het parlement onder de eerste democratische regering van president U Nu. Ook zijn vader is een bekende politicus. Als middelbare scholier was Sazaat actief in de jongerenpartij van de Rohingya’s. Het kwam hem op tien maanden gevangenisstraf te staan.

Na zijn vrijlating bleef hij een verdachte voor de autoriteiten. Toen in 2000 na ontsnapping aan een nieuwe arrestatie zijn gezicht op een poster ‘Gezocht’ verscheen, besloot hij te vluchten.

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (ind) had nauwelijks informatie over de onderdrukte stateloze minderheid en Sazaats asielaanvraag liep traag. Maar na die slepende aanloop vond hij zijn draai in Nederland. Toch was de politieke situatie in zijn vaderland nooit ver weg. Regelmatig probeerde hij met anderen uit de Birmese vluchtelingengemeenschap, die in de loop der jaren aangroeide tot een paar honderd mensen uit verschillende delen van Birma, de terreurdaden van de generaals in Nederland onder de aandacht te brengen. Hij vroeg zich af of er ooit iets ten goede zou veranderen. Maar toen vorig jaar een door ex-militairen gedomineerde civiele regering enkele hervormingen begon door te voeren en oppositieleidster Aung San Suu Kyi haar plekje innam in het parlement durfde hij voorzichtig hoop te koesteren. Maar thuis waarschuwde zijn vader: ‘Het voelt niet goed hier.’ Als boosaardige duiveltjes staken die woorden in Sazaats hoofd regelmatig de kop op.

Nu ligt zijn prille hoop aan scherven. Somber vervolgt hij: ‘Ik heb steeds tegen mijn landgenoten thuis gezegd: “Geweld is nooit een oplossing. Jullie moeten geduld hebben.” Maar vanwege alles wat er nu gebeurt weet ik niet meer wat ik moet zeggen.’ Met een frons staart hij naar de website met alarmerende informatie over nieuw geweld en van hogerhand georganiseerde campagnes om de Rohingya’s te verdrijven. Al zijn die berichten verder niet te verifiëren, voor hem verdichten ze tot één waarheid: ‘Het is het doel van lokale extremisten om de Rohingya’s uit te roeien, en de hardliners in de regering en het leger spelen met hen onder een hoedje.’ Op boze toon: ‘Vandaag gaan híer vijf Rohingya’s dood, morgen dáár tien. Net zo lang tot er geen meer over zijn.’

Sophia vertelt dat ze teleurgesteld is in Aung San Suu Kyi. De oppositieleidster noemt de situatie in Rakhine-staat een internationale tragedie en ze pleit voor verzoening, maar verder houdt ze zich op de vlakte, vermoedelijk om haar boeddhistische achterban niet van zich te vervreemden met de algemene verkiezingen van 2015 in het vooruitzicht. ‘Ze heeft wat mij betreft haar geloofwaardigheid verspeeld.’

De 24 jarige Sophia kwam op haar veertiende naar Nederland. Ze zet haar dochtertje in een roze stoeltje bij de flatscreen waar het Sinterklaasjournaal verschijnt. Op haar schoot spartelt de drie maanden oude Sabir. Al redderend zegt ze ernstig: ‘De boeddhisten zijn bang dat wij moslims hun cultuur en religie gaan overheersen.’

De zandweg naar de moskee van de wijk Aung Mingala in Sittwe, de hoofdstad van Rakhine-staat, ligt er verlaten bij. Aan het eind van het pad bemannen politie en soldaten wegversperringen met een slagboom en prikkeldraad. Toen het geweld in juni begon besloot de regering om de Rohingya’s te scheiden van de boeddhistische Rakhine-bevolking. Een groot deel van de moslimgemeenschap is overgebracht naar vluchtelingenkampen buiten de stad. De rest leeft samengeperst in het centraal gelegen Aung Mingala. Het is de laatste moslimwijk die na het geweld nog ongeschonden overeind staat.

Het is vrijdag en het kleine gebedshuis is tot de nok toe gevuld met oude mannen en jongens in lange hemden met witte kalotjes op. Het is de enige moskee die nog bereikbaar is voor de Rohingya’s. Er hangt een zware, droeve sfeer. De radeloosheid valt duidelijk af te lezen aan de gezichten van de mannen.

Enkelen hebben rode henna-baarden, een donkere huid en het scherpe profiel van een Zuid-Aziaat, anderen lijken met hun lichtgroene ogen op Pakistani of Afghanen. Maar de meeste moslims zijn in het dagelijks leven, op de in niqaab gehulde vrouwen na, niet te onderscheiden van de boeddhistische Rakhine.

Niemand mag de wijk uit. Niet om te werken of om voedsel te kopen, zelfs niet om naar het ziekenhuis te gaan. Twee verse graven in de tuin van de moskee zijn de stille getuigen van het gettoleven: in het ene ligt een vrouw die bezweek in het kraambed, in het andere een meisje dat overleed aan leukemie doordat ze geen medicijnen meer kon krijgen.

Veel van de jonge mannen zijn gevlucht. Er doen hardnekkige geruchten de ronde dat sommigen hun heil hebben gezocht aan de andere kant van de grens, in Bangladesh, waar trainingskampen van al-Qaeda hen zouden opleiden tot moedjahedien. Via diezelfde netwerken zouden wapens naar Birma gesmokkeld worden. De berichten zijn niet te controleren, maar diverse deskundigen menen dat er wel enige waarheid in schuilt. Ook in het verleden doken in het gebied islamitische strijders op.

Niet ver van de moslimwijk woont Aung Zan, een gepensioneerde leraar en geschied­kundige die gespecialiseerd is in de historie van de Rakhine. De boeddhistische minderheid van de staat, die ongeveer vijf procent van de zestig miljoen Birmezen vormt, stamt uit het koninkrijk Arakan. Het gebied werd aan het eind van de achttiende eeuw door Birma ingenomen. De Rakhine hebben niet alleen een moeizame relatie met de moslimbevolking, ze staan ook op gespannen voet met het door de Birmaanse meerderheid gedomineerde gezag.

‘De recente aanvallen hebben de verhoudingen in de staat op scherp gezet en verzoening moeilijker gemaakt’, zegt Aung Zan. >

Hij zit aan een grote houten tafel met boeken en pamfletten. Aung Zan heeft geen computer of internet, maar hij luistert naar de radio en is geabonneerd op Reader’s Digest. Hij is net begonnen aan een lang relaas over de geschiedenis van Arakan als een van zijn voormalige studenten binnenloopt. De man komt uit de plaats Mrauk U ten noordoosten van Sittwe en stelt zich voor als Mister Rocky. Hij lijkt met zijn lange haar, oranje T-shirt met afgeknipte mouwen en grote zonnebril met oranje getinte glazen op een oude rockster. Hij studeerde in de jaren zeventig voor ingenieur in Rangoon totdat hij deelnam aan een grote demonstratie tegen het regime en zijn studie niet mocht afmaken. Nu werkt hij als toeristengids en filmmaker. Maar zijn grote passie is de geschiedenis van Arakan. Trots haalt hij een stapel handgeschreven A4’tjes te voorschijn. Het blijkt een racistisch getinte polemiek waarin hij betoogt dat de Rohingya’s geen etnische groep maar illegale Bengalese immigranten zijn die het Rakhine-gebied in een islamitische staat willen veranderen. Rocky’s visie is niet uniek. De meeste Birmezen, inclusief de niet-Birmaanse minderheden, vinden dat de Rohingya’s als etnische groep niet bestaan.

Aung Zan en Rocky zijn lid van de Rakhine Nationalities Development Party. De ultra­nationalistische boodschap van de partij leverde bij de verkiezingen van 2010 de meerderheid van de zetels in het lokale parlement op. ‘Wij Rakhine zitten klem tussen de birmanisatie en de islamisering’, zegt hij. ‘De Birmese meerderheid heeft ons vijftig jaar onderdrukt en verwaarloosd. Corrupte Birmese ambtenaren hebben Bengalezen lucratieve deals gegeven. Nu leggen ze samen met de Chinezen grote infrastructuurprojecten aan waarvan onze mensen ook niet beter worden. En ondertussen pikken de Bengalezen (een discriminerende term, Rakhine weigeren het woord ‘Rohingya’ te gebruiken) ons land in en stelen onze vrouwen.’ Aung Zans grote hoofd loopt rood aan als hij op dreef raakt over de lange geschiedenis van achterstelling van zijn bevolkingsgroep. De prille hervormingen in Birma geven mensen als Aung Zan een platform. Een paar jaar geleden zou hij nog in de gevangenis zijn beland voor het ventileren van kritiek, nu grijpt hij net als veel andere Rakhine de kans om zijn woede en frustratie te ventileren. Hij trekt het tijdschrift Paccima Zone, de oude naam voor het noorden van de Rakhine-staat, uit de stapel papieren. De redacteuren zijn academici, lokale regeringsfunctionarissen en monniken. Het blad roept op tot het testen van het dna van de Rohingya’s om te bewijzen dat zij Bengalezen zijn en tot het uitzetten van de illegale immigranten uit het noordelijk deel van de Rakhine-staat.

Het fanatieke nationalistische relaas van Rocky en Aung Zan maakt duidelijk dat de Rakhine zichzelf beschouwen als verdedigers van het boeddhisme in een gebied dat de frontlinie vormt tegen de islamisering.

Ook een deel van de monniken steunt die gedachte, zo blijkt in het grote Dhetkhaung-klooster, het zenuwcentrum van de monnikenorde in Sittwe. De abt Khe Masara zit in de grote gebedshal en wordt omring door jonge monniken. De blik van de forse monnik is argwanend. De meeste Rakhine vertrouwen westerse journalisten in deze gespannen tijden niet en ook hij is op zijn hoede. ‘Wij monniken haten de moslims niet’, verklaart hij plechtig. ‘Maar we zijn bang voor de radicale moslims die door terroristische groepen gesponsord worden. Zij willen in het noorden een onafhankelijke staat stichten.’ Een van de jongere monniken laat een pamflet zien met een oproep aan de boeddhisten om alle contacten met de Rohingya’s te verbreken en hulp en handel te stoppen. Dat dit kan betekenen dat moslimdorpen zonder bron van inkomsten en zonder voedsel komen te zitten, wuift hij geïrriteerd weg. ‘Het is de enige manier om het geweld een halt toe te roepen.’ Ook op andere manieren bemoeien de monniken zich actief met de situatie. Ze posten op markten en bruggen om te voorkomen dat de Rakhine handel drijven met de Rohingya’s. Humanitaire hulp aan de moslimminderheid proberen ze zo veel mogelijk tegen te houden. Ze organiseerden demonstraties tegen de VN en hulporganisaties als Artsen zonder Grenzen en na een protest van enkele duizenden ging de opening van een kantoor van de Organisation of Islamic Cooperation (oic) in Noordwest-Rakhine-staat niet door. Monniken, die als de zonen van Boeddha worden beschouwd, genieten traditiegetrouw veel aanzien. Hun intolerantie wakkert de spanningen flink aan.

Terwijl in Sittwe de vlam in de pan sloeg, leek de strijd aanvankelijk voorbij te gaan aan andere plaatsen. Het landelijke Mrauk U vormt een sprookjeslandschap van glooiende heuvels, kanalen en rijstvelden met daartussen ­rood­stenen pagodes die duizenden historische boeddha’s herbergen. Maar al snel blijkt hoe explosief ook in dit toeristen lokkende decor de situatie is.

In het theehuis aan de voet van een van de meest vermaarde pagodes ontstaat een opgewonden stemming als boven een groene heuvel in de verte een dikke zwarte rookwolk opstijgt. ‘Er staat een moslimdorp in brand’, zegt een oude man in gebroken Engels. Twee vrouwen rennen schreeuwend binnen: ‘De moslims zijn in aantocht!’ Haastig worden de plastic stoelen en toeristische snuisterijen in veiligheid gebracht. Een vrouw trekt uit haar boodschappenmand een portret te voorschijn en zegt dat de boeddhistische man gedood is door de Rohingya’s. Terwijl de foto de ronde doet, zwaait een van de klanten vervaarlijk met een zwaard. De vrouwen moedigen hem aan. ‘We vechten vandaag zodat we morgen kunnen slapen’, legt een van hen uit.

Uit omliggende huizen verschijnen mannen met een arsenaal van middeleeuws wapentuig: kruisbogen, zwaarden, kapmessen, katapulten, sikkels, hooivorken en hier en daar een molotovcocktail. In kleine groepjes trekken ze te voet of op (motor)fietsen en tuktuks in de richting van de brand. Op de vraag waar ze heen gaan maken enkelen een onmiskenbaar gebaar: ze trekken aan een denkbeeldige baard en strijken met een vlakke hand langs hun nek.

Birmese soldaten met machinegeweren die een strategische brug bewaken, houden een paar auto’s tegen, maar ze doen geen poging om de kruistocht tegen de Rohingya’s te stoppen. Ook de rest van de dag zitten ze onder de bomen sigaretjes te roken en thee te drinken.

Tegen zonsondergang komen de mannen terug. Ze zijn in een euforische stemming. Langs de kant van de weg bereiden vrouwen rijst in grote woks en onthalen de strijders op een ­maaltijd. Ondertussen verschijnt via dezelfde route een zwijgende stoet van ­vrouwen en ­kinderen met grote balen en tassen op hun ­hoofden. Uitgeput van de lange voettocht ­zakken ze voor de deur van een klooster neer. De nieuwe ­ontheemden vertellen dat moslims hun huizen uit revanche in brand gestoken hebben.

Het geweld begon met enkele incidenten. De Rohingya’s die als landarbeiders voor Rakhine rijstboeren werkten zitten zonder inkomsten nu ze vanwege het beleid om boeddhisten en moslims van elkaar te scheiden hun dorpen niet uit mogen. De handelsboycot van de boeddhisten maakt het extra moeilijk om aan rijst te komen. Nadat een gezin slaande ruzie had gekregen vanwege het gebrek aan voedsel ontstond in alle commotie ook een gevecht met een nabijgelegen Rakhine-dorp. Een meute Rakhine raakte zo opgehitst dat ze zelfs een dorpsgenoot die ervan beschuldigd werd dat hij honderden zakken rijst aan Rohingya’s wilde verkopen, en twee van zijn metgezellen, doodsloegen.

Zo greep het geweld als een veenbrand om zich heen. Lokale ooggetuigen spreken van gruwelijke slachtpartijen, ook onder vrouwen en kinderen. De meeste slachtoffers zijn Rohingya’s.

De recente spanningen hebben hun wortels in een lange geschiedenis van etnische conflicten en bloedige strijd tussen boeddhistische koninkrijken en islamitische sultanaten. De complexiteit nam nog eens toe toen Britse koloniale overheersers vanaf het begin van de negentiende eeuw tienduizenden koelies en landarbeiders uit India overbrachten om in de havens en op de rijstvelden te werken. Het toenemende tekort aan land onder de snel groeiende bevolking zet de slechte verhouding tussen de twee groepen verder onder druk.

Zowel de Rohingya’s als de Rakhine zetten die tumultueuze geschiedenis simplistisch naar hun hand. De Rohingya’s verzwijgen dat zij in de Tweede Wereldoorlog, toen de Britten hen in de strijd tegen de Japanners bewapenden, een aantal boeddhistische dorpen uitmoordden en aansluiting bij Pakistan wilden afdwingen. De Rakhine op hun beurt maken geen melding van de stelselmatige discriminatie van de islamitische bevolkingsgroep. De Verenigde Naties noemen de stateloze Rohingya’s een van de zwaarst vervolgde minderheden ter wereld. Ze hebben volgens een wet van 1982 geen recht op staats­burgerschap. Zelfs voor vanzelfsprekendheden als een huwelijk, verdere scholing of een reis buiten hun woonplaats hebben zij speciale vergunningen nodig die bovendien vaak kostbaar zijn. Ze staan voortdurend bloot aan dwang­arbeid en andere mensenrechtenschendingen.

Tijdens de decennialange dictatuur vluchtten honderdduizenden desperate Rohingya’s in wrakke boten naar buurlanden, waar ze ook niet welkom zijn. Bangladesh herbergt ongeveer dertigduizend Rohingya’s in kampen, maar de omstandigheden zijn erbarmelijk en tien­duizenden anderen leiden een illegaal bestaan.

Bangladesh heeft na het recente geweld de grens gesloten en duwt boten vol vluchtelingen terug de zee in.

In een theehuis in de voormalige hoofdstad Rangoon geniet een groepje moslimmannen van hun ontbijt van vers naanbrood met een curry van kikkererwten. Aan een andere tafel werken boeddhisten kommetjes met noedels en varkensvlees naar binnen. In het centrum van de miljoenenstad Rangoon is dit een alledaags tafereel. Moslims, hindoes, boeddhisten en christenen wonen door elkaar. In het netwerk van nauwe, overbevolkte straten staan tussen de verwaarloosde huizen pagodes schouder aan schouder met moskeeën, kerken en hindoe-tempels.

De eigenaar van een theehuis, een goed geïnformeerde man, wuift de bezorgdheid over het risico van religieuze rellen in de vroegere hoofdstad weg. ‘Het conflict tussen moslims en boeddhisten in Arakan wordt aangestookt door een kleine groep van extremisten’, meent hij.

Maar de onderlinge tolerantie in deze wijk is lang niet overal vanzelfsprekend. De junta voerde decennialang een verdeel-en-heers­strategie die bevolkingsgroepen tegen elkaar uitspeelde en het boeddhisme als een superieure religie propageerde. Zo vlamde hier en daar regelmatig geweld tegen moslims op.

In de Birmese diaspora heeft de situatie in Rakhine-staat al tot scherpe verdeeldheid tussen moslims en boeddhisten geleid. Zelfs op duizenden kilometers afstand van het conflict zegt een groepje Birmese ballingen in een bovenhuis in Breukelen op verbeten toon: ‘Rohingya’s zijn geen etnische minderheid in ons land.’ Ook op internetfora van de diaspora die wereldwijd miljoenen Birmezen telt klinkt die mening. ‘De haat is verschrikkelijk’, zegt Khun Saing, een prominente Birmese vluchteling die vanuit Engeland probeert een weerwoord te bieden tegen de ­giftige berichten die zich via de elektronische snelweg verspreiden. Hij is een van de weinigen die zich inzetten om de brand te blussen. Hij maakt zich zorgen dat militaire ­tegenstanders van de hervormingen de situatie zullen ­gebruiken om weer meer macht naar zich toe te trekken. Mogelijk poken ze zelfs het vuurtje op.

Sinds het geweld oplaaide heeft Sazaat geen contact met de Birmezen met wie hij vroeger nog wel optrok of protesten voorbereidde. Hij reageert met bitterheid op de vraag of verzoening nog mogelijk zal zijn. ‘Verzoening? Met wie dan?’ antwoordt hij honend terwijl hij zijn rode Volkswagen Polo behendig over de drukke snelweg naar Den Haag stuurt. Op het dashboardkastje ligt een envelop met de petitie die hij namens de ongeveer dertigkoppige Birmese Rohingya Gemeenschap Nederland gaat aanbieden in de Tweede Kamer. Voor de zoveelste keer vertelt hij hoe er dagelijks vluchtelingen aan ziekte en ondervoeding sterven in hun nieuwe getto’s, terwijl de vruchtbare rijstvelden op een steenworp afstand liggen. Wanhopig zegt hij: ‘Er moet met spoed een VN-vredesmacht komen en een VN-gezant met een breed mandaat voor humanitaire hulp.’

In de entree van het gebouw van de Tweede Kamer biedt hij Harry van Bommel (sp) en diens collega’s van de pvda en GroenLinks de petitie aan. Hij luistert beleefd naar hun belofte de kwestie onder de aandacht te brengen van de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken. Maar als hij even later achter een kop koffie zit, krijgt zijn frustratie weer de overhand. Met een grimmig handgebaar naar de hal zegt hij: ‘Als ze niets doen ga ik hier in mijn nakie staan totdat er actie komt.’

Thuis bespreekt hij met Sophia het historische bezoek van president Barack Obama aan Rangoon. Het Amerikaanse staatshoofd benadrukte dat de regering meer moet doen om het conflict op te lossen. De Birmese president Thein Sein heeft beloofd een onderzoek door de mensenrechtencommissie van de VN toe te staan. Het is een opmerkelijke stap voor een land dat voorheen internationale rapporteurs de voet dwars zette. ‘Obama zei in zijn toespraak precies de juiste dingen over de rechten en de waardigheid van de Rohingya’s’, zegt Sazaat. ‘Maar ik denk niet dat zijn boodschap tot de Birmezen doordringt.’


Lappendeken

Birma is met zijn ongeveer zestig miljoen inwoners een complexe lappendeken van etnische groepen. De overheid noemt 135 ‘nationale rassen’, maar etnologen houden het meestal op enkele tientallen. Birmanen vormen een meerderheid van ongeveer zestig procent. De grootste minderheden, de Mon, Karen, Karenni, Shan, Kachin, Chin en Rakhine, wonen voornamelijk in de grensgebieden. Na decennia van oorlog over gelijke rechten en meer zelfbestuur sloten de meeste gewapende minderheden staakt-het-vuren-akkoorden met het centrale gezag, maar het politieke probleem van meer autonomie sleept nog voort. In de Kachin-staat in het noorden wordt nog wel gevochten en ook in de oostelijke Shan-staat en de Karen-staat is de oorlog nog niet voorbij.

Ongeveer negentig procent van de Birmezen is boeddhist. Christenen, hindoes en moslims wonen verspreid door het land. De grootste concentratie moslims, waaronder achthonderdduizend Rohingya’s, woont in Rakhine-staat.