De genocidezaak tegen Myanmar

Aung San Suu Kyi richtte zich in Den Haag vooral tot haar thuisfront

Het was wereldnieuws dat Aung San Suu Kyi acte de présence gaf bij het Internationaal Gerechtshof (ICJ) in Den Haag. De Nobelprijswinnares ontkent genocide, luidde de strekking van de berichten.

Gambia vroeg de rechters vast te stellen dat Myanmar genocide pleegt jegens de moslimminderheid de Rohingya, en verzocht om voorlopige maatregelen ter bescherming van de bedreigde bevolkingsgroep.

Het schouwspel in de stijlvolle ambiance van het Vredespaleis bevatte evenveel shakespeareaans drama als wrange ironie. Toen Aung San Suu Kyi op 10 december in haar traditionele thamei (sarong) de zaal met kroonluchters en gebrandschilderde ramen binnenstapte, was het de dag van de mensenrechten, de datum waarop echtgenoot Michael Aris en hun twee jonge zoons in 1991 haar Nobelprijs voor de Vrede in ontvangst namen terwijl Suu Kyi in huisarrest verkeerde in Rangoon. Het ICJ, het belangrijkste rechtsorgaan van de Verenigde Naties, waarborgt de universele juridische principes die haar jarenlang inspireerden. Er ging vrijwel geen speech of interview voorbij zonder dat Suu Kyi het belang van de rechtstaat en de rechtsorde benadrukte om haar land na decennia van dictatuur in democratischer vaarwater te krijgen.

Met knipperende ogen en zichtbaar vermoeid luisterde ze naar de gruwelijkste verhalen over moordpartijen, martelingen en verkrachtingen van de grotendeels stateloze Rohingya-bevolking door de Tatmadaw (het leger) en milities. Terwijl schuin achter haar de twee Rohingya-vrouwen Hamida Khatun en Hasina Begum als zwijgende getuigen toehoorden, kwam Suu Kyi hun in haar verdediging niet verder tegemoet dan met de zinsnede: ‘Maar een ding raakt ons allemaal op dezelfde manier: het lijden van de vele onschuldige mensen wier leven uiteen werd gerukt als gevolg van de gewapende conflicten van 2016 en 2017, in het bijzonder degenen die hun huizen moesten ontvluchten en die nu in kampen in Cox’s Bazar leven.’

Het uitblijven van erkenning van de massale verkrachtingen was misschien wel de pijnlijkste en de wreedste omissie in Aung San Suu Kyi’s betoog. In 2011 verklaarde ze nog in een videoboodschap dat de strijdkrachten verkrachting gebruikten om etnische minderheden te intimideren en verdeeldheid te zaaien onder de bevolking. Tegenover de rechters kenschetste ze het geweld dat in 2016 en 2017 duizenden levens kostte en ruim 700.000 Rohingya naar Cox’s Bazar en omstreken in Bangladesh verdreef als een intern gewapend conflict. Van genocide kon volgens haar geen sprake zijn, maar de oorlogsmisdrijven die de juristen van de tegenpartij gedetailleerd ter sprake brachten, benoemde noch ontkende ze expliciet op een enkel voorbeeld na.

In haar delegatie bevonden zich geen militairen, die keken vanuit Myanmar over haar schouder mee. In de dagen voorafgaand aan haar vertrek naar Den Haag gonsden er nerveuze geruchten door een deel van hun gelederen. Wat zou Suu Kyi gaan zeggen? Ze werden uit de wind gehouden en tegelijkertijd ook weer niet helemaal.

Met haar komst naar Den Haag gaf ze aan de zaak die Gambia bij het Internationaal Gerechtshof inbracht serieus te nemen. Hoezeer ze ook de vroegere internationale prijzen en ander eerbetoon apprecieerde, het was nooit haar belangrijkste prioriteit om zich te verantwoorden tegenover de internationale gemeenschap. ‘Ik werk voor de bevolking van Myanmar’, zei ze dan.

Ook haar optreden in de rechtszaal was in de eerste plaats bedoeld voor het thuisfront. Door zich als beschermvrouwe van een aangevallen Myanmar op te werpen, vergroot ze in de aanloop naar de verkiezingen haar populariteit. Ze versterkt vermoedelijk ook haar positie ten opzichte van het leger, nu ze het niet is afgevallen en de kooltjes uit het vuur haalde terwijl niet alleen bij het ICJ maar ook bij het Internationaal Strafhof (ICC) een zaak loopt. Het kan haast niet anders of haar keuze om in Den Haag te verschijnen maakt deel uit van een strategie om aan de machtsbalans te morrelen zodat het leger op termijn onder civiel bestuur komt.

Die erfenis zou de voltooiing zijn van een missie die haar vader voortijdig werd ontnomen. Vader des vaderlands Bogyoke (‘grote generaal’) Aung San was de oprichter van de Burma Independence Army, de voorloper van het huidige leger de Tatmadaw, en had verklaard dat hij een leger wilde dat zich niet bemoeide met politiek. Hij werd in 1947, enkele maanden voordat de Birmese vlag omhoog ging, door een politieke rivaal vermoord. Zijn voortijdige dood vormde Suu Kyi meer dan zijn leven ooit had kunnen doen. Het leger moet weer een leger worden zoals mijn vader dat gewenst had, zei ze bij de historische toespraak aan de voet van de Shwedagon-pagode toen ze in 1988 te midden van massale burgerprotesten tegen het wanbeleid en de onderdrukking van de militairen op het politieke toneel verscheen.

Ze harnaste zich en doorstond de drie dagen in de Haagse rechtszaal als haar vaderlandse plicht, met de blik gericht op de politieke toekomst van het land in plaats van op gerechtigheid voor de Rohingya. Het was dezelfde doelgerichte houding en volharding waarmee ze ruim vijftien jaar huisarrest als een levende martelaar doorstond. Deze keer deed het haar in de ogen van de wereld aan de verkeerde kant van de geschiedenis belanden.

Als het aanpassen van een grondwet mede een reden was voor haar komst naar Den Haag, speelt ze een riskant schaakspel met de militaire top terwijl morele principes opgeofferd worden. Het is nog maar zeer de vraag of het zal gaan lukken een democratischer grondwet voor elkaar te krijgen. Voor een wijziging in de constitutie is meer dan 75 procent van de stemmen in het parlement nodig. Het leger bezit een kwart van de zetels. Al sinds de Tatmadaw de macht greep in 1962, beschouwt het zichzelf als de onbetwiste hoeder van de natie. Om die cruciale rol weer eens te benadrukken kwamen de aanvallen van de militante moslims in de Rakhine-staat in 2016 en 2017 de militairen niet slecht uit.

En er spelen meer risico’s. Terwijl de wereld geschokt naar haar optreden in de rechtszaal keek, vonden buiten het Vredespaleis verontrustende taferelen plaats die exemplarisch zijn voor de sfeer duizenden kilometers verderop in Myanmar. ‘May Suu, yababade’, lang leve moeder Suu, waaide het door de gure decemberlucht. Haar vroegere lijfwacht, dissidente veteranen en ex-politieke gevangenen met een lange en moedige staat van dienst in de strijd voor een vrijer en democratischer land, mengden zich met tientallen anderen die uit hun vaderland en van heinde en ver gekomen waren. Met spandoeken met daarop: ‘Wij staan achter Aung San Suu Kyi’ en de nationale vlag van Myanmar in de hand trotseerden ze urenlang de kou.

Zij zagen geen vrouw die de zwaar vervolgde Rohingya bevolking in de steek liet. Ze zagen vooral hun aanbeden leidster die het hoofd bood aan de internationale kritiek die volgens hen de opperbevelhebber van de strijdkrachten Min Aung Hlaing zou moeten treffen. Zij zagen ook een internationale aanval op hun land over een conflict waarbij buitenstaanders “de andere kant” van het verhaal weigeren te zien: dat een militante moslim beweging grensposten aanviel, eigen mensen uitmoordde en hindoedorpelingen onthoofdde en zo een confrontatie met het leger uitlokte in de hoop op internationale aandacht, financiering en nieuwe rekruten voor de strijd.

Deze van nationalisme doordrenkte percepties beschouwen veel inwoners van Myanmar als de onwrikbare waarheid en ze verdringen elke compassie met de zwaar vervolgde Rohingya burgers.

Hun opvattingen zijn het resultaat van decennia van dictatuur, een dieet van propaganda waarbij de Birmaans boeddhistische meerderheid als superieur wordt beschouwd, en geïnstitutionaliseerd vijanddenken. De angst voor het islamitische gevaar en de ontmenselijking van de Rohingya werd de afgelopen jaren verder aangejaagd met haatcampagnes op Facebook en speeches van fanatiek nationalistische monniken, terwijl moreel tegengas van politieke en maatschappelijke leiders uitbleef.

Met de trauma’s uit het verleden en een ongewisse toekomst in het verschiet voelt terugvallen op de eigen identiteit een stuk veiliger dan het streven om van Myanmar een inclusieve natiestaat te maken, zoals enkele moedige organisaties en individuen nog steeds bepleiten.

Buiten het Vredespaleis demonstreerden ook Rohingya om gerechtigheid te eisen. Andere minderheden zoals Kachin, Chin en Karen hadden zich bij hen gevoegd in hun traditionele kleding. ‘Solidariteit is belangrijk. Het leger dat Rohingya vervolgt, is hetzelfde leger dat ook al zestig jaar straffeloos oorlog tegen ons voert’, zeiden ze. Hun vertrouwen in het centrale gezag is tot een minimum gedaald.

Het vredesproces met de etnische minderheden dat Aung San Suu Kyi tot prioriteit verklaarde, liep sinds het aantreden van haar regering in 2016 alleen maar klappen op. In de westelijke Rakhine staat waaruit de Rohingya grotendeels verdreven werden, is de situatie de afgelopen twee jaar nog complexer geworden. Een nationalistische beweging van de lokale etnische minderheid de Rakhine is verder opgeleefd en eist net als andere minderheden gelijke rechten binnen een federale staat. Een gewapende tak levert zware gevechten met de Tatmadaw en duizenden burgers zijn ontheemd. Ook in de rest van het land zijn conflicten de afgelopen tijd weer opgelaaid.

Met de boodschap om in deze dagen van internationale kritiek achter Suu Kyi te staan en de eenheid in het land te bewaren, wordt een spook van Birmaans-boeddhistisch nationalisme door het land gejaagd dat de kloof met religieuze en etnische minderheden nog verder vergroot.

‘Het is hier een grote reünie, maar we staan tegenover elkaar’, constateerde een bekende dissident met een nerveus en ongemakkelijk lachje terwijl hij de verschillende groepen voor het Vredespaleis overzag.