Paul Verhaeghen, Omega Minor

Auschwitz-kitsch

Paul Verhaeghen

Omega Minor

Meulenhoff/Manteau, 614 blz., € 22,50

Wat je niet allemaal van schrijvers tegen kunt komen: klein geneuzel, oeverloos geklets, eindeloos gejammer, handen gewring, het houdt maar niet op. De een legt zijn ziel en zaligheid in een minutieuze en steeds maar uitdijende beschrijving van de herinneringen die opdoemen wanneer hij zich de smaak van een bepaald type koekje herinnert. Een ander neemt een uitputtende beschrijving van de jacht op walvissen als model van menselijk streven en falen. En een derde beschrijft in pakweg 240 bladzijden de kamer van zijn zojuist gestorven moeder. Allemaal pogingen om het menselijk theater met middelen van taal en verlangen in kaart te brengen en lezers de gelegenheid te geven zichzelf, zolang de lezing van het boek duurt, een flinke hoeveelheid illusies over het beschrevene aan te praten, of die illusies juist eens lekker onderuit te halen. Het gaat literatuur nooit om werkelijkheid, maar altijd om de illusies die lezers bij zichzelf daarover plegen op te roepen en die ze keer op keer, vaak tegen beter weten in, wensen te omarmen of te haten. Een schrijver heeft dus altijd iets van een hoerenmadam omdat hij lezers gelegenheid biedt in de peeskamertjes van hun verbeelding illusies over hun bestaan te koesteren of juist te verwerpen.

Paul Verhaeghens roman Omega Minor is een boek van het meer hemelbestormende soort. Bij hem geen details over theekopjes of witte walvissen of kiezelstenen, maar een groot bemeten beeld van enkele highlights uit de westerse geschiedenis van 1925 tot 1995. De Jodenvervolging, de Atoombom en De Bouw van de Muur: deze drie. Hij probeert deze «gebeurtenissen» in een daverend epos, dat trilt van de grote gebaren en de grote woorden, met elkaar te verbinden. Wanneer je zin hebt in een mooi Complot waarin alles met alles samenhangt kun je bij dit boek terecht: niets is zoals het op het eerste gezicht lijkt en je weet toch steeds zeker dat het alleen maar literatuur is. De verteller in deze roman laat over dat laatste geen enkele twijfel bestaan. «Spoelen wij de romantijd even terug», staat bijvoorbeeld op pagina 76. En dan volgt: «Was u míj vergeten, op die vrijdagavond dat Donatella droomde, de sabbatsavond waarop Jozef de Heer zijn verzen prevelde, de weekendnacht waarin de slapende Goldfarb zich binnen in een ingebeelde zigeunerin ontlaadde. […] Hier volgt hoe het mij verging, op die vooravond die mijn leven op slag (zeg dat wel) zou veranderen.»

De verteller zet hier de roman even stil, vat het voorafgegane kort samen en blikt alvast vooruit. Hij wordt inderdaad even later in Berlijn door neonazi’s in elkaar geslagen en dan ontmoet hij in het ziekenhuis ene Jozef de Heer, jood en slachtoffer van de concentratiekampen. Waarmee de roman pas echt begint. Verhaeghen houdt van dergelijke ingrepen, vlak voor het einde staat er bijvoorbeeld : «En zoals dat gebruikelijk is in elke goede ouderwetse roman noire, ontmoeten we de hoofdrolspeler van onze potboiler nadat hij — bijna — alles verloren heeft.»

Hij benadrukt voortdurend het ongeloofwaardige van zijn project en maakt er zelfs grappen over. Dit boek is een farce en dat zullen we weten ook. Wat dit betreft sluit het inderdaad aan bij de traditie van de pot boiler. Zo’n boek dus waarin alles onwaarschijnlijk en overdreven is, waarin de held in het begin een onschuldig burger is, maar het duurt niet lang of hij is tegen zijn wil betrokken bij een verschrikkelijk complot dat alle Complotten in de schaduw stelt, waarbij hij niet meer weet wat goed of slecht is, een verhouding begint met een vrouw die later zijn zus blijkt te zijn en ten slotte in de Sahara eigenaar wordt van een diamantmijn en daar de verdwenen Heilige Graal uit handen van een boosaardige stam Duits sprekende chimpansees weet te redden. The Raiders of the Last Ark, zoiets, maar dan als boek. De potboiler moet het hebben van een ernstige vertelhouding waarbinnen alles echt lijkt, maar die toch overdreven is, zodat je er geen slapeloze nachten van hoeft te hebben en er bij nader inzien zelfs over in de lach kan schieten. De ware potboiler is in de grond altijd vrolijk.

Bij Verhaeghen is van vrolijkheid geen sprake. Hij zet Grote Gebeurtenissen uit de twintigste eeuw op een rij, verknoopt ze met een stel romanfiguren en bakt uit deze ingrediënten een verhaal waarbinnen hij geen enkele moeite doet de schijn op te houden van wat literatuur zou kunnen zijn: hij zet ons gewoon regelrechte kitsch voor. Literatuur dus die geen moeite meer doet de onechtheid voor echt te verkopen, maar alles, zelfs de ergste verschrikkingen, opklopt en uitvent tot een aantrekkelijk verhaal waarbinnen leed ineens alleen nog maar ingrediënt is voor een leuk verhaal. Neem de toon van het verhaal. Alles is groot en gezwollen: de seksscènes, de beschrijvingen van Berlijn, de vechtpartijen, de Auschwitz-herinneringen. Verhaeghen leunt zwaar op grote woorden, op generaliserende beschrijvingen die bol staan van de personificaties en op opgewonden mooischrijverij. «Buiten de stad woedt de Grauzone. De regen valt traag en statig. Zo grijs zijn de gebouwen dat ze lijken op te lossen in de meteorologische omstandigheden. Deze stad leeft in een eeuwige mist, in een eeuwig tussenseizoen zonder naam. Geen wonder dat de onsterfelijkheidsmythen van deze stad, de wagneriaanse drama’s in de opera nog steeds de massa aantrekken, log zijn, log en topzwaar.» Je hoeft niet lang naar meer voorbeelden te zoeken van dit soort pitbullproza: sla een willekeurige pagina op en de generaliserende opblaasstijl galmt je tegemoet. Steeds vaker deed hij me denken aan de plechtige stem en toon van Philip Bloemendaal die vroeger de Polygoon filmjournaals van ironisch commentaar voorzag. Bij hem kon je erom lachen, bij Verhaeghen is het een gewoonte. Natuurlijk hoort dit bij wat Verhaeghen voor ogen stond, hij doet niet maar wat: hij zoekt doelbewust de clichés op van de pulp literatuur, omdat hij een pulpverhaal wil vertellen. Zie bijvoorbeeld ook de vele beschrijvingen van seks: steeds op dezelfde uitgekauwde toon van de slechtere erotische kioskroman waarbinnen lust en onlust tegelijkertijd de aandacht vast proberen te houden. Verhaeghen schrijft geen literatuur maar kitsch.

Ook de organisatie van het verhaal geeft te denken. De hoofdpersoon maakt in 1995 kennis met kampslachtoffer Jozef de Heer. Meer dan de helft van de roman is besteed aan de zeer gedetailleerde vertelling van de belevenissen van deze figuur. We maken via zijn ogen de nazi-opkomst mee — hij is dan nog jong —, zijn vlucht in de Berlijnse illegaliteit, het verraad door joodse lotgenoten, de verschrikkingen van de kampen en de uiteindelijke bevrijding. In deze figuur brengt Verhaeghen een uitvoerige rij verhalen bijeen die we wel kennen uit bekende kampliteratuur, De Heer vertelt ze alsof het zijn eigen geschiedenis is. Alles passeert de revue: de aankomst op het station bij Auschwitz, de keuze bij de gaskamers, het vervoer van de lijken, Mengele. Overal was hij bij, maar, zoals het hoort in dit type roman, tegen het einde blijkt niets meer te zijn zoals het lijkt: alles is door De Heer uit de bestaande literatuur over de kampen gehaald en aaneengesmeed om zijn eigen hachje te redden. Hij was een nazi en fungeert in de rest van het boek ook nog als de architect van De Muur en als de organisator van skinheads in Berlijn. Kampliteratuur is in deze roman een literair middel om een verhaal een nieuwe draai te geven, het is nodig voor de ontwikkeling van het plot. Het gaat niet om die kampliteratuur maar om een aantrekkelijke verwerking daarvan. Het gaat om literaire kitsch: zwelgen in leed om een verhaal spannend te maken en aan de gang te houden.

Verhaeghens boek maakt een potje van historische gebeurtenissen, alles wat hij vertelt is al bekend uit bestaande literatuur: hij gooit er via een stel personages een sausje van samenhang overheen. Dit kun je hem natuurlijk niet verwijten, in literatuur mag je, kun je, een loopje nemen met alles, ook met verschrikkingen. Het maakt hem niet uit of die kampliteratuur «waar» of «niet waar» is, «verschrikkelijk» of «niet verschrikkelijk». Daar gaat het bij literaire kitsch niet om en Verhaeghen wil maar één ding: leed aantrekkelijk maken. Geen vervreemding of dolle humor, maar dodelijke ernst.

Ik moet er misschien nog maar eens wat langer over peinzen, maar ik zou denk ik niet snel kampliteratuur gebruiken om mijn verhaal nog een beetje lekkerder «noire» te krijgen.