Austen en Eliot als houvast

Cynthia Ozick
Erfgenamen van een glinsterende wereld
Vertaald door Rob Kuitenbrouwer
Houtekiet, 302 blz., € 24,95

Al vanaf haar debuutbundel The Pagan Rabbi (1971) onderhoudt de Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick (1928) een ingewikkelde relatie met de literatuur. Want mogen joden wel verhalen vertellen? Die bezigheid is immers een overtreding van het tweede gebod, het geloof in afgoden, idolatrie? Literatuur is een magische kunst, schrijft Ozick in de inleiding van haar tweede bundel Bloodshed and 3 Novellas (1976). De verteller is wel bang voor de verbeelding maar wordt er toch door meegesleept. Ozick zit daar mee: ‘Waarom verlustig ik, die bang is voor het kannibalistische trekje van verhalen vertellen, mij meer en meer in verhalen?’ Inderdaad, er is geen ontkomen aan, je kunt de verbeelding wel willen indammen, maar zodra je je overgeeft aan het alfabet, een bibliotheek opzet en de pen op papier zet, schep je een wereld die nog niet bestond. De fantasie duikt juist daar op waar de nuchtere realiteit lijkt te heersen. Iedere jood gelooft in wonderen, zelfs de afgedwaalde (The Pagan Rabbi).
Die wonderwereld is bij Ozick vaak een boekenuniversum vol dode literaire of religieuze geesten. Een hoogtepunt in haar oeuvre is De messias van Stockholm (1987), een in alle opzichten fantastische roman waarin de geest van de door de SS vermoorde Poolse schrijver Bruno Schulz als een literaire hersenschim rondwaart. In het pas vertaalde Erfgenamen van een glinsterende wereld (2004) is het de godsdiensthistoricus Rudolf Mitwisser die zich omringt met een zeldzame bibliotheek van ‘loochening en muiterij’. Deze joodse vluchteling uit het Berlijn van 1933 naar Amerika is verweesd en ontheemd, en vervreemd van de woeste wereld om hem heen. ‘Zijn grond was het alfabet, zijn hemel perkament.’ Hij koestert zijn karaïeten van duizend jaar geleden, voor hem geboren scheurmakers en ware ketters die alle interpretatie van de Schrift afwezen als onzuiverheid. Deze lettervereerders en bewuste buitenstaanders deden alle commentaren, analyses en uitlegdrift van rabbijnen af als ‘borduurwerk en bedrog’. Alleen de letters telden, niet de oeverloze commentaren, versieringen en ordonnanties achteraf. Weg met die waanideeën, leve de wet van de logica. Maar de Schrift létterlijk nemen, kan dat nog wel in een wereld die door opdringerige ideologieën sadistisch en kannibalistisch is geworden?

Niet alleen de karaïeten blijken weglopers uit de geschiedenis te zijn in Erfgenamen van een glinsterende wereld. Het complete gezin Mitwisser, in ballingschap in de VS, lijkt de storende wereld buitengesloten te hebben en te blijven hangen in een ver of vaag verleden. Ze leven in het duister van de historie onder onduidelijke omstandigheden. Ook de ontheemde en verweesde ikverteller van Ozicks roman, Rose Meadows, is een wegloper in een schemergebied: ze is ontsnapt aan de onvoorspelbaarheid van haar vaders verbeelding en notoire leugenachtigheid en treedt in dienst van Mitwisser, maar als wat: amanuensis, kindermeisje, verzorgster, secretaresse?

In het gekwelde gezin, een ware vesting van buitenstaanders en buitengeslotenen, is wanorde de heersende leefregel. Ze wonen aan de uiterste rand van de Bronx bij de weilanden en bijna aan zee. Elke dag vertrekt de vader, die in het Berlijn van vóór 1933 nog academisch aanzien genoot, naar de bibliotheek aan de Tweeënveertigste Straat. De moeder, in Berlijn een vooraanstaande natuurkundige die aan de wieg stond van een Nobelprijs-waardige ontdekking, is geestelijk tijdelijk het spoor bijster. Voor haar, die scherp waarneemt en veel ‘ziet’, bestaat het alfabet uit de natuurkundige formule voor entropie. De vijf kinderen regelen onderling de opvoeding. Rose Meadows krijgt voorlopig niets betaald. Het ogenschijnlijk straatarme gezin wacht op de ‘messias’, hun financiële verlosser. Dat is James, alias de Berenjongen, ook een personage dat beheerst wordt door de boekenwereld en zowel ‘echt’ is (hij bestaat bij de gratie van zijn kapitaal) als een verzinsel van zijn maker. Hij stond namelijk model, als een kneedbare golem, voor de wereldwijde bestseller van zijn vader: een serie berenboeken die begon met De jongen die in een hoed woonde. Ook het gezin Mitwisser woont onder een hoed, dat wil zeggen een stolp waarin ze weten te overleven en waaronder ze vandaan komen, in tegenstelling tot hun messias, die uiteindelijk niets méér blijkt dan de papieren schepping van zijn vader.

In Erfgenamen van een glinsterende wereld botst het geloof in dode sektaristen en de verafgoding van radicale dwarsliggers (communiste Ninel – Lenin achterstevoren – die in 1936 naar Spanje gaat) op het besef dat alleen het toeval regeert en dat de materie daarvan de onderkoning is. Buitenstaander dr. Tandoori uit Brooklyn formuleert het antireligieuze materialisme: ‘De wereld bestaat uit atomen, de mens wordt geregeerd door zijn instincten. Heiligheid is hete lucht.’ In Ozicks roman bestaan religie, magie, literatuur (Middlemarch van George Eliot en Sense and Sensibility van Jane Austen vormen een houvast voor de ikverteller), materialisme en biologie naast elkaar. De letterkunde is alchemie in een ontketende wereld die beteugeld zou moeten worden. Maar waar zijn de teugels, en wie mag of moet die in handen houden? De ruimte krijgen om te kunnen denken, dat is het verlangen van Ozicks personages. Maar hoe verder? Aan het slot verzucht de godsdiensthistoricus Mitwisser: ‘Regeert het denken wat er gebeurt, of regeert wat er gebeurt het denken? Wat hebben zulke raadsels voor zin?’

Deze roman vol ketterse verbeelding en scherpe reflectie is de zin van dat raadsel. Literatuur maken is voor Cynthia Ozick net zo raadselachtig als het moederschap. Misschien dat daarom zowel haar klassieke holocaustverhaal De sjaal (1989) als Erfgenamen van een glinsterende wereld eindigt met dat moederschap, de macht van de biologie. In De sjaal omschrijft de rouwende Rosa een moeder als de bron van het bewustzijn, van het geweten, de zijnsgrond zoals filosofen zeggen. Schrijven is ook de macht bezitten een ander wezen te scheppen, leven te kunnen schenken. Waar de vaders dan blijven is weer een ander verhaal.