Niet dat fietsers in Australische steden beter opgaan in het straatbeeld. De Tour-overwinning van Cadel Evans in 2011 heeft ervoor gezorgd dat in de vroege ochtend massa’s mensen in wielertenue door de stadsparken zoeven, maar voor bestemmingsfietsen moet je wel buitenlander zijn. Of zo’n maf ecotype. Ruim genoeg aanleiding voor de autojeugd om het zijraampje naar beneden te draaien en wat innovatieve verwensingen te spuien. Eens per jaar organiseren fietsers in heel Australië massale protestfietstochten om medefietsers te herdenken die dat jaar in agressief of roekeloos verkeer verongelukten.

Ik geef Albert een lift. In de eerste jaren dat ik hier kwam wees ik af en toe nog hoopvol op fietsende Aboriginals, hengelend naar begrip, maar daarop kwam altijd hetzelfde antwoord. ‘Ja, ze hebben hem z’n rijbewijs afgepakt, de schoften.’ Na een tijdje zag ik het patroon wel als er weer een onverwachte alcoholcontrole was geweest. Ongetwijfeld ligt de oorsprong van Australië’s auto-obsessie in deze gebieden. Vrijwel alle Australiërs wonen fysiek dan wel in steden, maar het ideaal blijft toch de bush waar je minstens vierwielaandrijving nodig hebt. Racefietsen kunnen nog, mountainbikes desnoods, maar op een stadsfiets rijden is on-Australisch.

We halen een groep fietsers in, drie van de tientallen toeristen die hier dagelijks fietsen naar het volgende dorp dat minstens tweehonderd kilometer verderop ligt, vaak over ongeasfalteerde wegen, onder een verlammende zon. ‘Die worden gesponsord, toch?’ vraagt Albert in alle ernst. ‘Of doen ze het soms niet voor Afrika?’